Nu binnenkort op de paleistrappen het kabinet Jetten wordt gepresenteerd, kijken veel plaatselijke politici uit naar de gemeenteraadsverkiezingen in maart. Veel kiezers hebben echter geen weet van wat er echter allemaal moet gebeuren voordat alle stembiljetten op woensdag 18 maart keurig in stapeltjes liggen te wachten op het rode potlood. De Amsterdamse CU is zich inmiddels al druk aan het warmlopen. Eind 2025 was de lijst gereed, 34 gegadigden willen wel deel uitmaken van de hoofdstedelijke gemeenteraad. Maar reëel gezien zullen we blij zijn wanneer onze zeer gemotiveerde lijsttrekker Tim Kuijsten straks genoeg stemmen krijgt, om in de raad zitting te nemen. Na het verzamelen van een aantal persoonlijke gegevens en kopieën van een geldige ID of paspoort konden we aan de slag met het OSV-programma. OSV is een programma van de landelijke Kiesraad om voor een verkiezing je kandidaten aan te leveren. Voorzitter Mirjam en ik zijn er uiteindelijk vele uren zoet mee geweest. Op mijn computer stokte in eerste instantie de download. Ten einde raad maar een tweede laptop opgestart. Na veel ge-heen en weer zaten de 34 kandidaten in het systeem. Op advies van ons zeer gewaardeerde lid Don Ceder doen we deze keer ook mee in alle stadsdelen. De selectiecommissie kreeg het voor elkaar om een groot deel van de 34 kandidaten ook te plaatsen op een lijst voor Noord, Oost, West, Zuid, Zuidoost, Nieuw-West, Weesp en Centrum. De stadsdelen hebben sinds 2018 een commissie die het dagelijks bestuur adviseert, in Weesp heet het bestuurscommissie. Dat we daar op 18 maart kandidaten voorhanden hebben levert extra veel bekendheid op.
Het bureau Verkiezingen van de gemeente zette ons eerst op het verkeerde spoor, we zouden een extra grote computer moeten hebben om het OSV programma nog acht keer te kunnen downloaden. Helaas ging die vlieger niet op, eerst het vorige bestand verwijderen, tot en met een verstopt bin-bestand. Als echt alles verdwenen was, konden we het OSV opnieuw downloaden en voor een volgend Stadsdeel invullen. Dat hele proces dus acht keer. Vervolgens moesten we voor de lijst van de gemeenteraad en de acht stadsdelen ondersteuningsverklaringen gaan regelen, omdat we op dit moment nergens een zetel hebben. Mirjam en ik hebben een uitgebreide instructie opgesteld, die beslist niet voor tweeërlei uitleg vatbaar was. Maar ondanks de duidelijke instructie kregen we toch nog de meest vreemde reacties. De meeste kandidaten moesten zich met twee formulieren melden op een Stadsdeelkantoor. Sommigen werden zelfs teruggestuurd door onwetendheid van de ambtenaar. Ook verschillende leden hebben we aangezocht om het Stadsloket te vereren met een bezoek. Voor sommigen werd dat echt een bezoeking, een uur of meer wachten voor een stempeltje…
Gaandeweg het proces ontdekten we dat uiteindelijk de lijsten ook per Stadsdeel moesten worden ingeleverd, een nieuwe hobbel. Vorige week bij de voorinlevering bleek ook nog eens dat een zestal handtekeningen op de Instemmingsverklaring niet helemaal overeen kwamen met de handtekening op het paspoort of ID. Wij vonden dat natuurlijk ambtelijke muggenzifterij, maar werd ons verzekerd, dat zou ook bij het afsluiten van een hypotheek gebeuren. Dat werd dus oefenen voor een aantal ‘lijstduwers’. We ontdekten daardoor dat een groot gedeelte van de twintigers vrijwel nooit zijn handtekening zet. Ook moesten een aantal voorletters worden aangepast en wanneer je Anne-Marije heet, dat je voorletter dan een A is en niet A.M.; waarvan akte! Ik heb wel gezien dat dit en volgend jaar veel kandidaten hun paspoort moeten verlengen, een mooie gelegenheid om nog eens flink te oefenen op een mooie ‘krabbel’.
Vandaag is het 2 februari, de dag dat alles ingeleverd moet worden. Met twee volle mappen naar de Stopera voor de gemeenteraad en een mapje voor Stadsdeel Centrum. Dat laatste was zo gepiept; Gerlieke heel erg bedankt. In de Piet Nakzaal werden de aantekeningen van de voorinlevering er bij gepakt en nog eens nagelopen. Gelukkig werd nu alles in goede orde bevonden! In de loop van de middag kwamen uit de verschillende stadsdelen berichtjes dat het ook daar gelukt is. Alle gezwoeg, heen en weer gefiets, leden achter de broek aan zitten, toch nog ééntje overtuigen, het resultaat is er. Nu op naar 18 maart. Eind deze week worden de lijstnummers bekend gemaakt en kan de campagne serieus van start! Wat zou het mooi zijn wanneer de gemeenteraad van de hoofdstad van ons land weer een lid heeft van ChristenUnie. Het geluid van Tim mag gehoord worden. Ook enkele Stadsdelen maken goede kans om straks een ChristenUnie lid te verwelkomen. Let wel, dit is nog maar het begin, alle inzet was natuurlijk prachtig, maar in maart willen we eigenlijk wel ruim 8000 stemmen binnenhalen voor de partij die opkomt voor de ongedocumenteerden, maar ook voor internationale kerken die iedere keer weer op zoek moeten naar een zondags onderdak. Een partij die opkomt voor meer groen in de stad en niet schroomt een gefundeerd tegengeluid te laten horen. Een partij die vanuit zijn christelijke beginselen het goede zoekt voor de stad en zijn bewoners.
Kerk met kosterswoning van de OPK. Mooi zijn de gordijntjes te zien van de slaapkamer van Tsjerk en Nel en de altijd verzorgde bloembakken voor de ramen beneden.
Op de mat van de voormalige kosterswoning lag afgelopen week de rouwkaart van Tsjerk Dijkstra. Meer dan vijfentwintig jaar was het de voordeur van Tsjerk en Nel als bewoners van Oosterpark 5. Nadat de ‘vrijgemaakte’ kerk in 1975 het gebouw had gekocht van de Doopsgezinden, woonde er nog een poosje een voormalige beheerster. In 1976 adverteerde de Oosterparkkerk in het ND dat er een woning beschikbaar kwam voor een koster. Tsjerk en Nel hadden trouwplannen en werden uitgekozen door Commissie van Beheer. Tsjerk werkte in Landsmeer in een restaurant met een ster als souschef en toen dat afbrandde vond hij in de buurt van Abcoude een nieuw restaurant waar ze een chef nodig hadden. Ook dat restaurant brandde later af, maar toen was Tsjerk al in Bosch en Duin (bij Zeist) gaan werken bij het gereformeerde verpleegtehuis ‘De Wijngaard’ als hoofd van de keuken. Ondertussen zorgde hij met Nel en in die eerste periode ook met Jan Modderman (die in de kamer beneden woonde, nu crèche) voor alle voorkomende bezigheden in en rond de kerk. Toen Jan vertrok en trouwde met een zus van Nel, kwam de kamer beschikbaar voor Esther en Margreet, de twee oudste dochters.
Tsjerk was van de verzorgende soort, mensen aanspreken op een open manier. Op zondagmorgen bij de stoep van de kerk, soms met de bezem in de hand om alles netjes te houden. Al snel werd de koster vermaard vanwege zijn vaardigheid om waar nodig te zorgen voor de inwendige mens. In de tijd dat het nog geen gewoonte was, dat er na afloop koffie was in de kerk, werden vrijwel elke zondag kerkgangers uitgenodigd om te komen koffiedrinken boven. En altijd had Tsjerk wel weer iets lekkers gebakken. En aanschuiven bij een maaltijd in huize Dijkstra was altijd weer een feest.
De drie dochters groeiden op, doordeweeks gingen ze met een busje naar de ‘dr. M.B. van ’t Veerschool’ in Amsterdam-West, maar in het weekend moesten ze vaak meehelpen in de kerk. Tsjerk werd ‘uithangbord’ voor de Oosterparkkerk, wie ooit een keer de kerk bezocht kwam met hem in aanraking. Koken voor allerlei soorten vergaderingen, Tsjerk draaide er zijn hand niet voor om. Voor een provinciale synode of voor bijeenkomsten van de vrijgemaakte homo-club, allemaal maakten ze kennis met de gastvrijheid van het kostersechtpaar. Als diaken keek Tsjerk om naar de alleenstaande broeder of zuster. Bij verschillende gemeenteleden was Tsjerk degene die uiteindelijk een woning moest leegruimen.
Een bloemschikcursus, een schilderijen tentoonstelling, een bruiloftsfeest of een begrafenis, Tsjerk stond klaar. Gemeentedagen op Hemelvaartsdag, het werd een feest omdat alle eten en de barbecue waren voorbereid in de keuken van de Wijngaard. Uitjes met de ouderen, Tsjerk regelde en zorgde voor goed eten.
Tsjerk als vrijwilliger in hospice KURIA. Na zijn pensionering in 2015 was Tsjerk een geliefd klankbord bij patiënten in hun laatste levensfase.
Na ruim vijfentwintig jaar, toen de dochters het huis uit waren, verhuisden Tsjerk en Nel eind 2004 naar de Teslastraat, tegenover de Nieuwe-Oosterbegraafplaats. Om afstand te nemen van het kosterschap gingen ze in kerkelijk Amsterdam op onderzoek uit. Uiteindelijk werden ze lid van de Noorderkerk aan de Prinsengracht en burgerden daar al snel in. Ook daar ontdekten ze al gauw het organisatietalent van Tsjerk en natuurlijk ook zijn culinaire kwaliteiten. Gelukkig bleven de banden met verschillende Oosterparkkerkers, en nog niet zo lang geleden vierde Tsjerk zijn 75e verjaardag in ons gebouw.
Mooie anekdotes zouden er nog te vertellen zijn. Dat ze in de kosterswoning de rook van alle sigaren konden ruiken als de kerkenraad beneden vergaderde. Dat de koster op zondagmiddag werd gestoord door een broeder die veel te diep in het glaasje had gekeken en met veel geschreeuw op de kerkdeur bonsde, maar volgens dominee Breen helemaal niet dronken was. Hij had niets geroken toen hij de broeder die op de galerij zat voor kerktijd even opzocht.
We missen hem nu al, een vriend die altijd klaar stond, een geliefde broer in Christus.
“Tsjerk liet ons zien wat het betekent om gastvrij kerk te zijn. Veel leden en gasten hebben door zijn toewijding mogen ervaren dat iedereen welkom is bij God. Wij wensen Nel, Esther, Margreeth en Suzanne en verdere familie Gods nabijheid toe nu ze Tsjerk moeten missen.”
In 1980 kwam ik, net voor ons trouwen, in Amsterdam-Oost wonen. In de Transvaalbuurt, met straatnamen zo weggelopen uit de boeken van L. Penning. Pas later ontdekte ik dat de Transvaalbuurt in en voor de Tweede Wereldoorlog een Joodse buurt was geweest. Mijn schoonvader ruimde boeken op en nam voor ons de twee delen van Pressers ‘Ondergang’ mee. Al bladerend en lezend ontdekte ik dat uit onze buurt duizenden Joodse Nederlanders waren verdwenen in de Duitse vernietigingskampen. Een foto van Duitse overvalwagens op het Krugerplein, tussen foto’s van alle andere wreedheden van de fascistische bezetter. In die tijd was er weinig terug te vinden van de vernietiging van zoveel Transbuurtbewoners. Aan de Tugelaweg was een gedenkteken als nagedachtenis van een represaille-fusillade, maar dat waren Nederlandse verzetsstrijders. De tijd van ‘struikelstenen’ moest nog komen.
Pas rond de eeuwwisseling kwam er langzaam veel meer aandacht voor het wegvoeren van Joodse Amsterdammers. Met verschillende schoolklassen had ik al een paar keer de voormalige Hollandse Schouwburg bezocht. Boven de entree was een kleine tentoonstelling over de Holocaust, inmiddels is die collectie opgenomen in het indrukwekkende Holocaust Museum aan de overkant van de Plantage Middenlaan. Op één van de wanden hing een grote kaart van Amsterdam, met daarop precies aangegeven waar Joodse Amsterdammers woonden. Een kaart gemaakt door ambtenaren van de gemeente, in opdracht van de bezetters. De Transvaalbuurt is op die kaart bijkans zwart, elke stip, staat in de legenda, betekent 10 Joden. De kaart dateert van mei 1941, stap voor stap bereidde de bezetter zijn verschrikkelijke wandaden voor. De kaart komt natuurlijk ook voor in ‘Atlas van een Bezette Stad’ van Bianca Stigter op pagina 43. Op pagina 45 staat een kaart met een voorstel voor een ‘Joodsche Stadswijk’. De Transvaalbuurt hoorde daar natuurlijk ook bij, maar ook een groot gedeelte van de Oosterparkbuurt, tot aan de Amstel. De ‘Joodsche Stadwijk’ is er nooit gekomen, immers de eventuele bewoners werden ‘ausradiert’.
Rogier bij de presentatie van zijn 18e boek over Joden in Oost
Afgelopen maandag werd in de voormalige ‘Talmud Tora’ school aan de Tweede Boerhaavestraat (nummer 7) weer een monument toegevoegd aan de monumenten die er in de afgelopen jaren zijn ontstaan en opgericht als herinnering aan verdwenen Amsterdammers. Rogier Schravendeel, een verwoed amateur-historicus hield zijn 18e boek over verdwenen Amsterdammers ten doop. Deel 15 had Rogier op een Open Ochtend in de Oosterparkkerk gepresenteerd en uitgedeeld, 2 mei dit voorjaar. Rogier heeft zich tot doel gesteld om van verschillende straten in Oost uit te zoeken welke Joodse bewoners zijn weggevoerd in de oorlog. Uit verschillende bronnen haalt hij zijn informatie. Het gaat om een korte levensbeschrijving, foto’s en de precieze data van geboorte en overlijden. Het deel over de ‘Tweede Boerhaavestraat’ bevat ruim 350 bewoners. Eén straat, meer dan driehonderdvijftig mensen. Er zijn 80 huisnummers, met vaak vier etages, dus naar schatting 280 tot 300 woningen. Na wat achtergrondinformatie over het ontstaan van de Tweede Boerhaavestraat en de verschillende scholen in deze straat, worden in het tweede hoofdstuk alle bewoners beschreven die verdwenen zijn. Op bladzijde 16 is Sientje Cohen-Herz de eerste. Geboren 1 mei 1869 en gestorven 5 oktober 1942 in Auschwitz. Zij woonde met haar dochter en schoonzoon op nummer 3-1, haar man was in 1934 overleden. Ook haar dochter en schoonzoon stierven in Auschwitz. En zo gaat het, het hele boek door. 142 pagina’s. De opsomming eindigt bij nummer 78-huis. De laatste die genoemd wordt is Rosa Fanni Packer-Goldstein, zij stierf op 27 jarige leeftijd in Auschwitz. Haar huis staat naast het huidige gebouw van het Passantenhotel van HVO Querido, wat weer grenst aan ons kerkgebouw. Aan de even kant eindigt het op nummer 77 en daar verdwenen de bewoners op huis, van de eerste en ook de derde verdieping. En al is het dan meer dan 80 jaar geleden, je wordt er toch ongemakkelijk van. Rogier Schravendeel gaf in april al aan dat dit werk hem soms onpasselijk maakte, al die namen en persoonlijke geschiedenissen van mensen… Het is goed dat huidige bewoners van de Tweede Boerhaavestraat nu kunnen terug lezen wie er ooit in hun huis woonde, maar laat het ook een waarschuwing zijn voor vandaag en morgen.
Over de Talmud Tora school is op verschillende sites veel te vinden. Het is nu geen school meer, de lokalen zijn appartementen geworden. In 1982 werd het gekraakt en er schijnen nog steeds een paar ex-krakers te wonen. Enkel glas, slecht te verwarmen, maar de bewoners zijn blij met hin voormalige lokalen. Aan de buitenkant staat door stenen een beetje te laten uitspringen in het Hebreeuws ‘Talmud Tora’, wat betekent: School voor godsdienstonderwijs. Op het mooi smeedijzerhek stond het in gewone letters, maar die zijn verdwenen. Op verschillende sites is veel informatie terug te vinden. Op de site van het ‘Joods Cultureel kwartier’, maar ook van ‘Amsterdam op de kaart’. Op de website van ‘Joods Amsterdam’ is te lezen over de eerste steenlegging.
PS Onze kerk heeft als adres Oosterpark 5. Ooit was het de ’s Gravezandestraat. Maar de zijkant staat aan de Tweede Boerhaavestraat. Op dit moment is het er slecht parkeren, want een flink gedeelte staat in de steigers en wordt volledig gerenoveerd. De huurders zullen daarna flink in de buidel moeten tasten. Ooit waren ze bedoeld voor de arbeidende klasse….
Eergisteren kreeg ik een mail van de initiatiefnemers van “Geef Straten Een Gezicht”. Het was gelukt! Het bord dat op de Leendert Valstarhof stond is vervangen. Half april schreef ik er al over (Leendert Valstar een ‘vroege verzetsstrijder’). Tot voor kort stond er een verhaal over een andere Valstar, een verzetsstrijder uit het Westland, die in 1944 werd gefusilleerd in kamp Vught. De straat was echter niet naar hem genoemd. Na wat heen en weer gemail is nu de juiste informatie te lezen. GSHG heeft een nieuw bord laten maken, wat keurig is gemonteerd door twee werknemers van het Stadsdeel. Goed werk!
Geen idee wie het gaat opvallen, maar voor de familie van Leendert Valstar is het toch een soort eerherstel.
Amsterdam-Slotermeer heeft tientallen straten met namen van mannen en vrouwen die in de oorlog zich verzetten tegen de Duitse overheersing. Sommigen hadden een ondergeschikte rol, anderen namen de rol van leider op zich. Met gevaar voor eigen leven hielden ze zich bezig met zaken die door de bezetters waren verboden. Achter de namen van al die mannen en vrouwen zien we ook al die mensen die met hen meededen en de oorlog wel overleefden. Die er vaak nauwelijks nog over wilden praten, maar het had wel degelijk zijn sporen nagelaten. Ook voor hen waren de verzetsstrijders die werden geëerd met een straatnaam, tekens van erkenning.
Buurman A. suggereerde via de app, dat ik maar moest bloggen over het politieke gedoe in Frankrijk. Omdat we al bijna twee weken in Frankrijk zijn, zouden we toch wel iets mee hebben moeten krijgen van alweer een nieuwe minister-president. Maar nee, hier in de Provence gaat alles gewoon zijn gang. Hier en daar een weg half opgebroken en mannen in oranje hesjes druk bezig, de lavendelvelden zijn geschoren en in de Bourgogne is de wijnoogst in volle gang. Hier in de Luberon zullen we eerstdaags ook wel de oogstmachines door de wijngaarden zien trekken. Gisteren (woensdag) maar eens voor het eerst het Franse Journaal aangezet. Her en der in grote steden relletjes en op grote wegen waren blokkades opgeworpen. Wij hebben het niet gemerkt, alleen dat er misschien minder kraampjes op de markt in Viens waren in vergelijking met vorig jaar. Het schijnt dat rechts, het midden en links in de politiek, fundamenteel met elkaar verschillen. De verschillen lijken onoverbrugbaar en men wil niet met elkaar in gesprek en al zeker niet polderen. Polarisatie alom, het is al net als in ons eigen verwarrende politieke landschap. Na wat doorzappen waren er zeker op vier verschillende zenders heftige discussies over de ‘waan van de dag’. Veel langs elkaar heen en weer gepraat zo leek het. Ook op tv ging het leven gewoon door, in een bizar lang reclameblok kwamen bijna alle automerken langs.
Het is misschien met oogkleppen op, maar we genieten toch ook volop van het fietsen hier in de heuvels en de prachtige uitzichten.
Trouwens ook hier heeft men aandacht voor wat er gebeurde in de Tweede Wereldoorlog. In elk dorp vindt je wel een standbeeld dat herinnert aan de beide wereldoorlogen. Op plaquettes vind je dan de namen van gesneuvelde dorpsgenoten. Eerst die uit de Eerste Wereldoorlog en daaronder een recentere plaat met hen die vielen in de Tweede Wereldoorlog. Opdat de mensheid niet vergete…. Maar het lijkt zo vaak tevergeefs.
De medewerker aan de balie van het NIOD[1] had toch geen gelijk. In juni 1952 had de Amsterdamse gemeenteraad echt besloten om in Tuinstad-Slotermeer een groot aantal straten te vernoemen naar overleden verzetslieden[2] en nummer 20, van de 27, werd de Leendert Valstarhof[3]. Zo staat het in de analen van de gemeenteraad. Dat er vandaag de dag in deze straat een speciaal bord staat met een grote foto en tekst van de verkeerde Valstar, zette de NIOD-medewerker even op het verkeerde been. Die ‘verkeerde’ Valstar kende hij uit de archieven; een bekende verzetsstrijder, misschien had de gemeente zich wel vergist. Maar nee, de gemeente had zich niet vergist; ‘Stichting Geef Straten Een Gezicht’[4] had zich vergist. Zij hebben de ‘Leendert Valstarhof’ opgesierd met een uiterst informatief bord over Leendert Marinus Valstar (1908 – 1944)[5], een Westlandse verzetsstrijder. Deze laatste is na de oorlog her en der vernoemd, omdat hij hoorde bij het gewapende verzet (LO/KP) en uiteindelijk op een wrede manier in september 1944 is gefusilleerd in kamp Vught, omdat de bevrijders in aantocht waren. Een min of meer begrijpelijke persoonsverwisseling, alhoewel als je in de straat gaat kijken zie je een blauw straatnaambord met de juiste Valstar en juiste info en enkele meters daarvandaan een bord met een pijprokende Valstar en hele andere geboorte en sterfdata. Niet het ‘gezicht’ van deze straat.
Leendert Valstar, van de Leendert Valstarhof, trad op 1 april 1917[6] in dienst van de gemeente Amsterdam afdeling Militaire Zaken, daarvoor was hij werkzaam op de secretarie van de gemeente Delft waar hij ook geboren was. In 1926 trouwt Leendert met Huibertje Hollaar, samen krijgen ze acht kinderen. In januari 1935 krijgen ze een tweeling, jongens, maar de ene sterft na twee maanden en de ander wordt net een jaar. In de zomer van 1936 wordt er nog een meisje geboren, maar deze zal haar moeder waarschijnlijk niet gekend hebben, want Huibertje overlijdt in oktober 1938. Vader blijft dus achter met zes kinderen, variërend in leeftijd van twee tot elf jaar, een zware opgaaf. Volgens een aantekening in het dossier van Stichting 1940-1945, versleet Valstar zeven huishoudsters, totdat zijn ongetrouwde jongere zus Dirkje, net tweeëndertig geworden, in januari 1941 orde op zaken komt stellen. Leendert en Huibertje hebben op verschillende adressen gewoond en volgens het bevolkingsregister vanaf mei 1934 op Latherusstraat 17-huis. De huizen in deze straat dateren van rond 1930. Leendert werkte op het gemeentehuis en zal op die manier met vrouw en een paar jonge kinderen wel in de nieuwbouw in Noord terecht te zijn gekomen.
Wanneer in mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbreekt is Leendert al gauw betrokken bij het verzet. Hij was inmiddels bevordert op het stadhuis tot commies[7]. Al snel na de capitulatie kwamen in het geheim ‘voormalige’ militairen (LOF[8]) bij elkaar om plannen te smeden voor de dag dat de Duitse bezetter verdreven zou zijn. Ze dachten na over arrestaties van NSB-ers, het herstellen van de orde en ook het beschermen van essentiële bedrijven. In Amsterdam-Noord was veel industrie, vooral scheepsbouw en Leendert zal waarschijnlijk een aantal zaken in kaart hebben gebracht. En als ambtenaar had hij ook nog het voordeel dat hij op het gemeentehuis allerlei gegevens bij elkaar kon sprokkelen. Chris Bührmann (werkzaam op het gemeentehuis van Diemen) schreef een boek over de organisatie waar hij bij betrokken was en waarvan ook Valstar deel uitmaakte[9]. “Als Commandant van Wijk II Groep Noord, was bij het oprichten van de organisatie opgetreden de reserve-Kapitein der Infanterie, L. Valstar. In December 1941[10] was Valstar door verraad gearresteerd. Bij zijn verhoor had hij steeds voorgewend op eigen gezag te handelen. Door deze wijze van optreden heeft hij Groepscommandant Noord en de hogere leiding veilig gesteld. Valstar is nimmer veroordeeld, doch men heeft hem niettemin naar Duitsland overgebracht, waar hij op 2 september 1942, in de leeftijd van 46 jaar, is overleden. (foto no. 18 L. Valstar)[11]
Waarvoor Valstar precies is opgepakt blijft onduidelijk. Bij het NIOD en ook het Stadsarchief zijn daarover geen dossiers. Wel vond ik, dat ook ene Henricus Rempe dezelfde dag werd gearresteerd, deze was ook betrokken bij het LOF dat in 1941 was samengegaan met de OD, de Ordedienst. Getuigenissen in het archief van St. 40-45 vertellen dat het werk bestond uit ‘het vormen van groepen en afdelingen om later als het nodig was alle grooten Gebouwen en Fabrieken te kunnen bezetten. (getuige Jansen, maart ‘48) K. Rempe (familie van H. Rempe, deze kwam ook om in een kamp) zegt in een getuigenis: “Wijlen de heer Valstar was niets te veel, zijn woorden waren altijd “alles wat ik tegen kan werken zal ik niet laten”. Volgens mij heeft hij dit ook trouw gedaan. Ik ben persoonlijk bij hem geweest dat hij onder moest duiken.”
J. Walsema schrijft een brief aan St. 40-45 en meldt dat Valstar is verraden door ene van der Star. “Veldhoen moest in het huis van bewaring verschijnen (Weteringschans, waar Valster was vastgezet) maar ontkende Valstar te kennen… wierp deze aan Veldhoen een blik van grote dankbaarheid toe.” “van der Star later WA en landwachter of SS. Hij wordt nog gezocht!”[12] Tot medio april heeft Valstar in de gevangenis aan de Weteringschans vast gezeten en is daarna weggevoerd naar Kamp Amersfoort en twee weken later naar Kamp Weimar-Buchenwald. Buchenwald was een werkkamp en volgens de documenten werden de gevangenen zelfs betaald. Als “Verdacht illigaler Betätigung” was hij op 2 april 1942 als nummer 1000 ingeschreven, met S.D. Amsterdam als afzender. De overlijdensakte van Leendert Valstar vermeld dat hij is gestorven op 2 september 1942, “Todesursache akute Colitis (Dickdarmentzündüng)[13]”. Op de Latherusstraat werden eind september een paar lage schoenen en een stel bretels bezorgd, de nalatenschap van vader Leendert. Of de 12,58 RM[14], wat overgebleven was van het werk van Leendert Valstar, ook werden afgegeven is onduidelijk
Op 10 september stond er al een overlijdensbericht in de Delftse Courant van de vader van Leendert. En een dag later had de Standaard (het gereformeerde dagblad) een overlijdensbericht van de Gereformeerde Mannenvereniging waarvan Valstar waarschijnlijk lid was. Men was dus best snel op de hoogte van zijn dood.
De zes kinderen Valstar waren nu wees. Tante Dirkje werd hun voogd en heeft de rest van de oorlog en ook daarna nog een aantal jaren, voor hen gezorgd. Toen een Rotterdamse vriendin haar om hulp vroeg om een Joodse man te verbergen, aarzelde ze niet. Ze schijnt gezegd te hebben, er wonen hier toch al zoveel mensen, die kan er ook nog wel bij. Zo kwam de bijna dertigjarige diamantslijper Tobias Leendert Bamberg in de Latherusstraat terecht. Theo was opgegroeid in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost, zijn ouders, vijf zussen en een broer zijn allemaal weggevoerd en nooit meer teruggekomen. Eén nichtje van hem heeft het overleefd en werd na de oorlog opgenomen in het gezin Bamberg-Valstar. Dirkje nam de onderduiker na de oorlog mee naar de gereformeerde kerk, hij volgde catechisatie en in februari 1948 trouwden Dirkje en Theo. Ze kregen samen twee dochters, waarvan de oudste nog steeds in haar geboortehuis aan de Latherusstraat woont.
‘De erelijst van gevallenen’ in de Statenpassage van de Tweede Kamer vermeldt op pagina 723 de naam van Leendert Valstar[15]. Een onbekende verzetsstrijder, maar wel één die vanaf het begin van de oorlog begreep dat je je moest verzetten waar je kon. Door te zwijgen tegenover zijn ondervragers redde hij anderen het leven. Het lijkt maar een klein verhaal en doordat hij al in begin 1942 werd opgepakt, bleef zijn verzetswerk onbekend. Pas aan het eind van 1942 en in de loop van 1943 werd het verzet in ons land heftiger. In die zin was Leendert Valstar een voorloper. Daarom is het goed als in Slotermeer de Leendert Valstarhof zijn ‘gezicht’ krijgt.
Dan nog de vraag of Leendert en Leendert Marinus familie van elkaar waren. Gelukkig is er tegenwoordig van veel families een stamboom te vinden op internet, daarom toch maar eens zoeken. De gezamenlijke voorvader zit in de 18e eeuw. Claas Willemsz Valstar leefde van 1707 tot en met 1780, werd dus 73 jaar. Valstar is wel bij uitstek een Naaldwijkse familie. Jacob Valstar, de vader van Leendert was geboren in Naaldwijk en zijn hele voorgeslacht, waaronder veel tuinders, tot en met de betovergrootvader van Leendert, allen geboortig in Naaldwijk. Leendert Marinus Valstar was ook geboren in Naaldwijk evenals al zijn voorvaders. Alleen bij de gezamenlijke voorouder Claas Willemsz staat dat deze geboren is in de Oranjepolder. De Oranjepolder is een polder en voormalig waterschap in de gemeenten Maassluis en Naaldwijk.
De vergissing uit het begin van dit verhaal, is niet de enige. Wanneer je op Wikipedia[16] gaat zoeken naar Leendert Marinus Valstar, is er een goed verhaal over hem te vinden. Bij het verhaal staat geen foto van deze Leendert Marinus, maar een mooie foto van twee gemeentearbeiders met straatnaamborden, bestemd voor de nieuwe straten in Slotermeer. Maar ja, die straat is genoemd naar Leendert Valstar, niet die van het verhaal. Er staat zelfs aan het eind, dat er in Slotermeer een straat is vernoemd naar de verzetsstrijder in het artikel. Maar nee dus.
[1] Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies
[2] “De behoefte aan namen voor overige de overige straten van Tuinstad-Slotermeer biedt de mogelijkheid, de bij ons reeds lang bestaande wens te vervullen, overleden verzetslieden in straatnamen te gedenken. De namen dergenen die wij U voor het eerste gedeelte van Tuinstad-Slotermeer daartoe voorstellen te kiezen, zijn ontleend aan opgave van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.” Citaat uit het Gemeenteblad van 20 juni 1952. Op 27 juni werd aldus besloten, 27 gesneuvelde verzetslieden krijgen een straatnaam.
[3] Leendert Valstar, geboren te Delft 11 juni 1896, overleden in kamp Buchenwald 2 september 1942
[4] De Stichting heeft toegezegd dat het wordt aangepast, wanneer er een juiste foto beschikbaar is.
[5] Over hem is op Wikipedia meer te vinden. Zie noot 16.
[6] Gemeente Amsterdam meldt dit op de vraag van Stichting 1940 -1945. Deze Stichting kende na de Tweede Wereldoorlog uitkeringen toe aan weduwen en wezen waarvan de man of vader was omgekomen in het verzet tegen de Duitse overheersers.
[7] Commies is een voormalige ambtelijke rang in Nederland. Het gaat om een administratieve ambtenaar van middelbare rang, lager dan een referendaris, maar hoger dan een klerk (bron: Wikipedia).
De afgelopen weken waren wat mij betreft wel te typeren met de termen crisis en chaos. De overwinning van Trump in de VS, de perikelen in de Nederlandse politiek, dronken voetbalsupporters en verhitte relschoppers, het stemt je niet vrolijk. Het zette mij voor de zoveelste keer aan het denken; wat moet ik doen? Een blog onder de titel ‘Ik weet het ook niet meer? …’? Of toch met een protestbord naar de Dam? Soms is het om wanhopig van te worden. “Tja, hadden wij het maar voor het zeggen”, verzuchten mijn overbuurman en ik bij een kop koffie. “Wij weten wel het hoe het moet”.
Gelukkig was er weer het jaarlijkse IDFA. Vaste lezers van mijn blog weten dat ik een groot fan van documentaires ben. Bij de invulling van een nieuw agenda blok ik bij voorbaat dan ook die 10 dagen in november. Storm, regen en hagel houden mij niet tegen om een serie documentaires in verschillende bioscopen te gaan bekijken. Weken van te voren is het een interessante en boeiende uitdaging om een privé-programma samen te stellen. In de voorverkoop zijn er altijd genoeg plaatsen beschikbaar gelukkig. (Voor enkele euro’s per maand steun je de IDFA en heb je voorrang bij het bestellen.) Je zou trouwens ook best gedeprimeerd kunnen worden van het zien van verschillende documentaires. Oorlog, verwoesting, stromen vluchtelingen en een naar de afgrond denderend klimaatbewustzijn, alles komt voorbij op de IDFA. Toch is mijn ervaring door de jaren heen dat er toch ook een positieve boodschap zit in de meeste docu’s. Het kan aan mijn keus liggen natuurlijk, maar ik lees van te voren alleen maar de korte beschrijvingen op de IDFA site en zie wat stills uit de betreffende docu. Vrijwel alle documentairemakers willen ondanks alle ellende toch een positieve boodschap bij de kijker achter te laten.
Mijn week startte afgelopen maandag in de mooiste bioscoop van Amsterdam, Tuschinski. ‘An American Pastoral’ was de titel. De Franse filmmaakster wilde een film maken over de politieke situatie in de VS in het licht van de naderende verkiezingen. In Elizabethtown (Pennsylvania) werden verkiezingen voor een schoolbestuur van een openbare school georganiseerd. Rechtse politici, dat wil zeggen zogenaamde radicale christenen, kaapten deze verkiezingen om een meerderheid in het schoolberstuur te krijgen. Ze deden dat vanwege, naar volgens hen zeer ideële motieven, de strijd tegen LHBTQ-ers en het weren van allerlei seksueel getinte boeken in de schoolbibliotheek. De bibliothecaresse, met een Democratische achtergrond, verloor uiteindelijk haar strijd om een zetel. Maar hoopvol vond ik dat ze toen het nieuwe schoolbestuur werd ingezworen, opstond, het woord nam en een ontroerend pleit voerde voor verbinding, openheid, vrijheid en eerlijk behandelen van welke minderheid dan ook. De tranen stonden in haar ogen en ze verweet een aantal gekozenen dat ze een vals evangelie volgden. Beide kanten kwamen trouwens zonder er een oordeel aan te geven, aan het woord
In de volgende docu zaten we opeens mee te kijken in een inrichting voor psychiatrische patiënten in Parijs, prachtige mensen, met bijzondere verhalen en ook zo kwetsbaar. Om te glimlachten en ook hoopgevend dat er zoveel verzorgers zijn die deze zwakkeren in onze samenleving met liefde omringen en hen proberen het echte leven weer te vinden. Mijn laatste drie docu’s hadden allemaal te maken met de Tweede Wereldoorlog. Een film over een NSB-filmmaker (The Propagandist), met daarna een zeer boeiende docu over de Duitse evenknie van Jan Teunisssen; Leni Riefenstahl. Fragmenten uit haar bijzondere oeuvre (Triumph des Willens,Olympia) afgewisseld met naoorlogse interviews. Daarin toonde ze zich vaak van haar ware kant, het ging immers alleen maar om de kunst, toch? Ondertussen werd ze breed gesteund door oud-nazi’s en geprezen om haar werk. Totaal geen zelfinzicht en boos als bewezen werd dat ze wel degelijk had meegeheuld met Hitler en zijn trawanten. Hoopvol dat ze in deze uitgebreide docu, waar jaren aan is gewerkt, toch wordt ontmaskerd.
De laatste in mijn serie was ook de meest bijzondere. Nesjomme, (Neshoma is de Engelse titel) een soort kruising tussen en speelfilm en een documentaire. Filmmaakster Sandra Beerends heeft echt iets heel bijzonders gemaakt. Ze maakte een verhaal van een jonge Joodse vrouw aan de hand van brieffragmenten. Vervolgens zocht ze bij de brieffragmenten, geschreven aan haar broer in Indië, filmbeelden. Het geeft een intens beeld van het Joodse leven in Amsterdam tussen de wereldoorlogen. Al kijkend bedacht ik dat er waarschijnlijk ook veel beelden tussen zaten van een film van Jan Teunissen. Deze filmmaker (zie boven) maakte voor de oorlog een mooie film over Joods Amsterdam (Sjabbos). Bij de Q & A heb ik gevraagd en het bleek te kloppen.
Hoe het verhaal zich verder afspeelt moet u beslist gaan bekijken in de bioscoop. In januari in heel Nederland dus te zien; indrukwekkend en ook ontroerend. Ondanks dat het verhaal voor de meeste Joodse Amsterdammers verschrikkelijk eindigde, is er een hoopgevend einde. Zeer aanbevolen!
Bij de bruine luiken zat firma Wetzlar, in de verte de Westertoren.
Mijn eerste kennismaking met de Westertoren moet denk ik ergens in het begin van de jaren 70 zijn geweest. Zwager Piet was vertegenwoordiger geworden in hengelsportartikelen. Firma Wetzlar, waarvoor hij heel regio oost (van Delfzijl tot Maastricht) voor zijn rekening nam, was gevestigd aan de Prinsengracht in Amsterdam. Het was zomervakantie en Piet vroeg me een keer mee naar zijn werk. We reden langs de Westerkerk met zijn beroemde toren en parkeerden vlakbij de ‘The Pancake Bakery’. Met Piet dwaalde ik door de prachtige oude pakhuizen. Met een hijsbalk werden pakketten uit China naar binnen gewipt; het rook er naar verre landen. Ze verkochten er niet alleen alles voor de hengelsport, maar ook allerlei zaken voor het interieur en bijvoorbeeld ook spelletjes en biljarttafels. Tussen de middag aten we natuurlijk in de ‘pannenkoekenkelder’. In de verte rees de 85 meter van de Westertoren boven alles uit. Later las ik het dagboek van Anne Frank, voor haar waren de klokken van de Wester een teken dat het leven buiten het Achterhuis gewoon doorging, terwijl zij opgesloten zat. Het zal haar verlangen naar vrijheid alleen maar aangewakkerd hebben.
Ets van Cornelis Brandenburg, bij veilinghuis De Eland op de kop getikt.
Later, toen ik in Amsterdam kwam werken, zag ik in het voorbijgaan de prachtige Westertoren opdoemen als ik fietsend of trammend naar school ging. Het werd een beeld dat bij het centrum van Amsterdam hoorde, een kroon bovenop een kerktoren. Jaren later, onze oudste dochter zat in groep 5, gingen we met de klas op excursie. Een moeder van een van de leerlingen werkte als vrijwilligster in de Westerkerk en zij kon ook een beklimming van de toren regelen. Met de tram vanaf de Slotermeerlaan naar de Rozengracht, al een belevenis op zich. De muziekjuf ging mee, als begeleidster en natuurlijk ook als geïnteresseerde in oude kerken. We hadden geluk, want stadsbeiaardier Boudewijn Zwart was al boven bij het carillon. In de klas zat ook nog een achterneefje van de beiaardier, dus het werd een bijzondere ontmoeting. Boven kregen we uitgebreid uitleg over de klokken en het klokkenspel. Zwart strooide een aantal liedjes over de Jordaan. De muziekjuf was helemaal in haar nopjes, want ze had ook beiaardles gehad. Ze mocht plaatsnemen op de speelbank en daar klonk opeens vanaf de Westertoren het ‘lang zal ze leven!’. Onze oudste dochter werd die derde mei, 9 jaar. Een onvergetelijk cadeautje! Voorbijgangers zullen verwonderd omhoog hebben gekeken.
Ook voor de vrienden van Harm heeft kerk en toren een onuitwisbare indruk achtergelaten. Een oud-collega kwam met deze prachtige foto als blijvende herinnering.
In 2016 kreeg de Westerkerk voor ons een emotionele lading. Op zoek naar een locatie voor de begrafenisbijeenkomst van Harm, kwam men terecht bij de Westerkerk. Het werd een bewogen dag, die voor altijd in ons geheugen gegrift staat. Harm hield van Amsterdam, alhoewel ik mij nooit afgevraagd heb of hij de Westertoren ook bijzonder vond. Maar ook hij zal de toren als een baken in de stad en als een richtingwijzer naar boven hebben gezien. Na afloop van de bijeenkomst sjouwden we met de kist de kerk uit, onder de toren door en over de Westermarkt naar de Herengracht. Langzaam verdween de Westertoren uit het zicht, maar voor ons voor altijd onlosmakelijk verbonden met Harm.
Nu het Nederlands Dagblad samen met de organisatie ‘Kerk & Co’ een wedstrijd organiseert om de mooiste kerktoren van ons land te kiezen, kunnen we er natuurlijk niet omheen. Het torentje van onze Oosterparkkerk is bijzonder, maar niet zo bijzonder om het nu uit te roepen tot de ‘de mooiste kerktoren’ van Nederland. Er zijn veel en vaak prachtige kerktorens in Nederland, ik schreef daar eerder over (ode aan de heipaal). De Peperbus, de Martinitoren, de Domtoren, ze mogen er allemaal zijn. Ze hebben allemaal generaties overleefd en zullen ook ons waarschijnlijk wel overleven. Maar als het dan toch gaat over de mooiste, dan kiezen we toch voor de Westertoren. Natuurlijk is het voor ons een emotionele band met kerk en toren, maar het is ook de schoonheid ervan en de geschiedenis die het heeft. Elke zondag komen er mensen samen om Psalmen te zingen, te luisteren naar het Evangelie en soms klinken er Bachcantates.
Het lichtgrijze bovengedeelte van de toren, met ook heel groot het wapen van Amsterdam met de drie Andreaskruisen, onweerstaanbaar trekt het je aandacht. De toren is gekroond, als een uitroepteken boven de stad. Hij stond het afgelopen jaar in de steigers, maar die zijn gelukkig weer afgebroken. De toren is weer in oude glorie te aanschouwen. Alle reden om de mooiste toren van de hoofdstad van Nederland, ook te kronen tot mooiste kerktoren van Nederland.
Op de site van Kerk & Co of op de site van het Nederlands Dagblad kun je stemmen. Zelf ben ik niet zo’n voorstander van dit soort ‘wedstrijdjes’, maar nu het om de Westertoren gaat, kan ik het niet laten de lezers op te roepen hun stem uit te brengen.
‘Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als dat ten koste gaat van zijn leven? Wat kan hij geven in ruil voor zijn leven?’ Matteüs 16: 26 Standbeeld voor Maarten Luther in Landau an der Weinstraße, met open Bijbel
Het was een zonnige dag gisteren, de 7e oktober. Samen fietsten we langs de Trekvaart en via de nieuwe Solitudobrug kwamen we bij de Amstel. Voorafgaand aan een verjaardagslunch gingen we eerst even langs de begraafplaats. Het graf van Harm moest weer worden geschoond, na een uitbundige bloemengroet op 14 september. Het was rustig op Zorgvlied, de herfst heeft ook daar zijn intrede gedaan. Het wordt weer lichter tussen de graven, de bleke zon krijgt meer ruimte. Her en der zijn paden bezaaid met kastanjeresten en een enkele kastanje. Met lege vazen in de fietstas staken we de Amstel weer over.
Ondertussen werd in Amsterdam stilgestaan bij de afschuwelijke moordpartijen, een jaar geleden, in Israël. Hoogwaardigheidsbekleders kwamen bijeen in de synagoge aan het Jacob Obrechtplein en op de Dam wapperde de vlag met Davidster. Maar ook de Palestijnse vlag werd uitgestoken bij een tegendemonstratie. Op tv kwam ’s avonds de ene na de andere duider voorbij, maar vrede is en blijft nog ver te zoeken. Het schoot mij wel verschillende keren door het hoofd, die zevende oktober is sinds vorig jaar onlosmakelijk verbonden met de oorlog tussen Israel en Hamas, zoals de vierde van deze maand in ons geheugen gegrift staat vanwege de Bijlmerramp. Mijn verjaardag is opeens een beladen datum geworden.
Een oplossing voor de problemen in Israël heb ik niet. We kunnen alleen maar concluderen dat het afschuwelijk is. De verschrikkelijke moordpartij op 7 oktober vorig jaar, maar ook de vergeldingsacties met tienduizenden slachtoffers in de Gazastrook en nu ook in het zuiden van Libanon, het lost niets op. Afgelopen zondagmorgen moest ik een preek lezen. Een paar weken geleden had ik hem al uitgezocht, hoofdstuk 17 uit de bundel van Samuel Wells ‘Wees niet bang‘. Ik vermoed dat hij de preek over Matteüs 18 (vers 15 – 20) in de VS hield, toen hij daar nog hoogleraar was. ‘Kunnen we even praten?’ was de titel van zijn verhaal. Als preeklezer mag je soms best de vrijheid nemen om zinnen te actualiseren. Een voorbeeld over een Afro-Amerikaanse voorvechter voor mensenrechten die bevriend raakte met een leider van de Ku Klux Klan, heb ik met de stilzwijgende instemming van Wells veranderd in een vriendschap tussen een Israëlische vader en een Palestijnse vader die beiden een kind hebben verloren in de jarenlange strijd. Het kan dus, wanneer mensen echt met elkaar in gesprek komen, ‘kunnen we even praten?’, wanneer men alle moed bij elkaar schraapt, dan kan er vergeving en verzoening ontstaan. In het decembernummer van De Nieuwe Koers bepleit dezelfde Samuel Wells voor ‘gezonde woede’, waar het gaat om het conflict tussen Israël en de Palestijnen. “Gezonde woede is dus bijna een voorwaarde voor echte vrede. Razernij – níét vrede – is gebaseerd op fantasie, het gaat uit van een verhaal waarin ik jou uitroei, en alles is opgelost. Dat is een sprookje, een sprookje dat brandstof is voor nieuwe razernij, voor een volgende explosie. Daarentegen kan woede ons aanzetten tot actie, zoals een staakt-het-vuren, het gematigde en evenwichtige getuigenis van de bredere gemeenschap, het zorgvuldig identificeren en ter verantwoording roepen van aangedaan onrecht, het geduldig aanhoren van wrok en angsten, het vinden van een weg naar wederzijdse veiligheid, waardigheid, begrip, respect en hoop.” (‘Vrede met scherpe randen” DNK 14 dec 2023) Het ‘kunnen we even praten?’ krachtig uiteengezet in een boeiende column.
Een paar weken terug waren we een lang weekend in een dorpje midden in de ‘Deutsche Weinstraße’. Het was een prachtige zondagmiddag en voordat we gingen eten bij vrienden, maakten we een fietstocht door de uitgestrekte wijngaarden. Net buiten Essingen fietsen we opeens langs een uitgestrekte begraafplaats. De poort vertelde een duidelijk verhaal: “Juischer Friedhof Essingen / bestehend seit 1618 / Mögen die hier bestatteten für alle zeiten ungestört ruhen”. Een indrukwekkende plek, met eeuwenoude grafstenen. Her en der waren de teksten niet meer te lezen, maar het deed gelijk denken aan de grote Joodse begraafplaats in Diemen en die in Muiderberg. Tegenover het oudste gedeelte was er een nog wat nieuwer gedeelte met een groot informatiebord. In Essingen is geen Joodse gemeenschap meer. Op het bord stonden de namen van mensen die er in de jaren voor WOII er nog woonden maar stuk voor stuk werden weggevoerd of vluchtten naar het buitenland. De laatsten overleefden het, een enkeling overleefde Auschwitz en vertrok naar de VS. De grote begraafplaats was voor 30 kleine Joodse gemeenschappen; 1660 graven. Sinds 1869 is er een nieuw gedeelte waar nog 265 graven zijn. De laatste begrafenis was in 1939. Een hele gemeenschap is dus verdwenen, uitgeroeid. De beschermbrieven die de Joden kregen in 1548 van Frederik II, keurvorst van de Palts, bleken in Nazi-tijd niets meer waard. Niet alleen Duitsland laadde met het vermoorden van 6 miljoen Joden een niet te bevatten schuld op zich. Ook andere Europese landen en daar hoort ons land zeker toe, deden weinig tot niets of werkten zelfs mee met een misdadig antisemitisch regiem en zijn dus medeschuldig.
De geschiedenis leert ons lessen voor vandaag. Voor Israël is de geschiedenis van de genocide geen vrijbrief om er maar op los te slaan en zonder mededogen te bombarderen. De geschiedenis leert ook dat het antisemitisme steeds weer de kop opsteekt, met verschrikkelijke gevolgen. In buurlanden van Israël, maar nu ook weer in Nederland. En de geschiedenis leert dat ook de kerk zich lang niet altijd distantieerde van antisemitische sentimenten.
Er is dus nog veel werk te verzetten, waarvan akte.
Gewoon je neus achterna, even lekker op de fiets, je ziet vanzelf waar je uitkomt. Nu vrouwlief een weekje met collega’s in Frankrijk is, pakte ik met het mooie weer van afgelopen week, regelmatig even de fiets. Via Diemen-Noord naar IJburg en dan over de prachtige Heermabrug. Zo kwam ik bij de de kruising van de IJburglaan met de Zuiderzeeweg. Op het Zeeburgereiland wordt hier en daar nog gebouwd, maar aan de overkant van de Zuiderzeeweg is nog veel in ontwikkeling. Er staat midden in het zand een prachtig beeld. Mijn eerste gevoel, hier zetten ze vast een kerk neer, de toren hebben ze er alvast neergezet. Het doet denken aan kerken in Friesland en Groningen zoals in Jorwerd of Stedum. Van die robuuste romaanse kerkgebouwen uit de 11e en 12 eeuw, stormen en kerkscheuringen trotserend, vele malen gerestaureerd en tot de jongste dag een heenwijzing met hun gezadeldakte torens naar boven. Benieuwd of er ergens een toelichting te vinden was passeerde ik het Sluisbuurtcafe en infocentrum. Maar nee, geen info. Een fotagraferende mevrouw met hond vond het maar vreemd dat ik er een kerktoren in zag, zij meende dat het te maken had met de stijgende zeespiegel en dat huizen in de toekomst mee zouden moeten stijgen. Leuk gevonden, maar mijn kerktoren idee liet me niet los. Het twintig meter hoge kunstwerk kan ook symbolisch uitdrukken dat de kerk er in vele vormen is in Amsterdam. Al die palen waar het (gods)huis op staat, het geeft de veelheid van kerken weer, die elkaar allemaal vinden in de gekruisigde en opgestane Christus. Wat een bijzonder baken als je dan de Piet Heintunnen in rijdt en je daarna terechtkomt in het eeuwenoude centrum van Amsterdam met gelukkig nog veel in gebruik zijnde kerken.
Eenmaal weer thuis, toch maar gaan googelen. Het kunstwerk is gemaakt door Piet van Wijk en hij was daarmee de winnar van een wedstrijd voor een kunstwerk op deze plek. Blijkbaar is het vooralsnog voorlopig, want in 2026 moet het weer weg. Wat mij betreft mag het daar nog heel lang blijven staan, net zolang als die oude kerken in Noord-Nederland. Van Wijk had helemaal geen kerk of kerktoren in gedachten. Bij hem speelde waarschijnlijk het versje: “Amsterdam, die grote stad – Die is gebouwd op palen – Als die stad eens ommeviel – Wie zou dat betalen?” door het hoofd. Amsterdam zou zonder heipalen nergens zijn. Vandaar zijn ode aan de paalfundering, 28 palen van cortenstaal. “Wie de lucht in wil, moet eerst de grond in”, is een uitspraak van hem. Dat laatste geldt trouwens ook voor de kerk. De grap is dan wel weer dat dit prachtige egaal bruine kunstwerk van 25.000 kilo een fikse fundering nodig had, waarschijnlijk ook flinke palen.
Inmiddels begint de zomer op zijn eind te lopen. Hier en daar begint het bruin in de tuin zijn weg te vinden. Gelukkig heeft onze bramenstruik in juli en augustus veel zon gevangen. Het was tot op vandaag een overvloedige oogst. Want wat is er nou heerlijker dan bij je ontbijt een boterham lekker te besmeren met bramenjam uit eigen tuin. Wil je komen proeven, wees van harte welkom. En mocht je in je tuin een mooie zonnige plek hebben, koop een doornloze bramenstruik. Er komen prachtige bloempjes aan en uiteindelijk heel veel heerlijke bramen. Succes alvast!
“Bill loved Jesus and he loved introducing anyone het met to his Lord and Savior”.
Op vrijdag 26 juli j.l. overleed in de VS, Bill Viss. Bill Viss was de vader van Norman Viss, die van 1989 tot 2011 in ons land werkte als evangelist en voorganger. In 1989 kwamen de families Viss naar Nederland omdat ze hadden ontdekt dat er in Amsterdam grote behoefte was aan het bevrijdende evangelie van Jezus Christus. Bill was van oorsprong musicus en muziekleraar, maar ging zich steeds meer inzetten voor zijn medemens en de versprediding van het evangelie. Hij was mee oprichter van World Harvest Mission, dat dus ook in Amsterdam aan de slag ging. Vanuit de Oosterparkkerk werden contacten gelegd met Bill en Norman en daaruit ontstond een bijzondere samenwerking. In de zomervakanties van begin jaren negentig, kwamen er teams vanuit de VS om samen met veelal jonge leden van de Oosterparkkerk en de Tituskapel te evangeliseren in Amsterdam. Onvergetelijk zijn de ochtendbijeenkomsten in de OPK. Samen bijbelstudie doen en heel veel zingen. Voorbereidingen voor acties op straat, waarbij voorbijgangers werden uitgedaagd na te denken over hun leven en het verlossingswerk van Christus. Het ND schreef over de evangelisatieactiviteiten, waarop een hele reeks ‘ingezonden artikelen’ kwam. Discussie was de vraag of je wel of niet in een spel (pantomime), de kruisiging mocht uitbeelden.
Bill was daarin een grote stimulerende factor. Regelde op de achtergrond van alles en legde vele contacten met christenen in Amsterdam. In hun etage aan de Prinsengracht ontvingen ze veel mensen en dat is voor velen van blijvende invloed geweest. Toen het werk van WHM goed van de grond kwam, keerden Bill en zijn vrouw Charlet terug naar de VS. Ook daar heeft hij zich tot zijn dood ingezet voor het verspreiden van de Blijde Boodschap. We gedenken in Bill een bijzondere broeder, die veel heeft mogen betekenen voor kerken in Amsterdam, waaronder zeker de Oosterparkkerk. Het leerde ons nog meer de vensters van de kerk wijd open te zetten en oog te hebben voor feit dat Christus voor alle mensen aan het kruis stierf en de dood overwon!