Categorie: kerk

Wat als …

We reden vanuit Kampen weer naar Amsterdam. Het strakke polderlandschap met tientallen naar de hemel wijzende windmolens, gleed aan ons voorbij. Uitgebreid spraken de politicus, de historicus en ik door over de promotie van onze jonge dominee. Met verve had Marinus de Jong in de Lemkerzaal van de Broederkerk zijn proefschrift verdedigd. Wandelend langs de Vloeddijk had ik de geur opgesnoven van Theologische Hogeschooldagen, in mijn gedachten hing die nog steeds aan de nu rustige grachten van het Hanzestadje Kampen. Met duizenden bezoekers vulden we in mijn jeugdjaren statige kerkgebouwen en toen het mis ging in de kerk, werd het zelfs een toogdag in tenten. In die jaren 60 van de vorige eeuw, mijn jeugdjaren, leefde het onderwerp van studie waarop Marinus promoveerde al niet meer. In 1952 verloren de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (de artkel 31-ers), plotseling hun leider professor Klaas Schilder, 61 jaar oud en op dat moment werkzaam aan de Theologische Hogeschool. In 1944 was hij aan de kant gezet door de synode, met als gevolg een flinke uittocht van dominees en kerkleden uit de Gereformeerde Kerken. Een bizar stuk geschiedenis overigens, want hoe haalden mensen het in hun hoofd om in een land dat gebukt ging onder Duitse bezetting, een kerkstrijd te voeren? In de nazomer van 1944 waren al meer dan 100.000 Joodse landgenoten, Roma en Sinti, via Westerbork naar de vernietigingskampen gestuurd. Moesten gereformeerden daar niet tegen in het verweer komen en zich er kapot voor vechten? En toen in de zomer na bevrijding, door de geallieerden, hier en daar Joodse overlevenden probeerden hun huizen en bezittingen terug te vinden, waren ‘vrijgemaakten’ bezig kerkgebouwen te organiseren. In Hoogeveen, mijn geboorteplaats, waar zo’n 300 Joodse bewoners slachtoffer werden van de ‘Endlösung’, werd uiteindelijk de synagoge een ‘vrijgemaakte’ kerk, ontdaan van alle Joodse symboliek. De enkele tientallen overlevenden (door onderduik) keerden Drenthe goeddeels de rug toe. Meester Veldman had daar zelfs een bijbeltekst bij gevonden; Genesis 9: 27 “Moge God ruimte geven aan Jafet, hem laten wonen in de tenten van Sem; knecht van Jafet zal Kanaän zijn“. De uitleg daarbij werd dan; wij stammen als christenen af van Jafet en het Joodse volk stamt af van Sem. Nu ‘wonen’ wij in het huis van Sem. Maar dit terzijde… 
Professor Klaas Schilder was trouwens één van de weinige theologen die zich in woord en geschrift zeer kritisch had uitgelaten over het nationaal-socialisme van de fascistisch bezetter. Hij moest zelfs onderduiken, zijn denkbeelden werden verboden. 

Op de theologie van deze kerkleider promoveerde onze dominee. En alhoewel het geheel een flink theologisch gehalte en vaktaal bevatte, was het ook voor niet-theologen goed te volgen. In het ‘lekenpraatje’ legde Marinus het verband tussen ‘het denken van Schilder over de relatie tussen kerk en wereld’ op een aansprekende manier uit. Hij trok daarbij de lijnen door naar vandaag, refererend aan het de ideeën van de Londense predikant Sam Wells en een huurder van de Oosterparkkerk die onder leiding van Ras Sjamaan ‘Ecstatic Dance’ organiseert. Schilder, zo maakte de promovendus duidelijk, zei dat de kerk ‘hier en nu’ is, de kerk hangt niet aan het geloof van de deelnemers en haar gedrag. Het gaat niet om een christelijke monocultuur, want ‘de kerk is het middel, de wereld is het doel’. En die laatste uitspraak is dan ook niet voor niets de titel van zijn doorwrochte proefschrift. Maar dansen in de kerk, dat was niet des Schilders.
Vervolgens werden voordat aan Marinus de titel ‘doctor in de theologie’ mocht gaan voeren, door verschillende opponenten vragen op hem afgevuurd. Verschillende aspecten kwamen hierbij aan de orde. Dr. Kooij (VU) vroeg door over het schisma in de kerk (1944) en of dat vanuit het theologische denken niet te vermijden was geweest. Marinus gaf daarbij aan dat het in die dagen het juridische enorm de overhand nam, zeker bij Schilder. Wat als hij en zijn medestanders zich ook door andere factoren hadden laten leiden? Vervolgens werd op de vraag van dr. Brinkman (VU) flink doorgesproken over de uitleg van de Bijbel en de rol van de confessie. Hier kwam ook het gedachtegoed van de Amerikaanse theoloog Stanley Hauerwas aan de orde, omdat Marinus die in zijn studie had betrokken, waar het ging om de verhouding tussen kerk en wereld. Tegenover de Groningse professor van ’t Slot (RUG) moest Marinus flink in de verdediging; Schilder was niet zo militant en scherpslijperig zoals vaak wordt gedacht. En volgens Marinus was Schilder ook niet heel optimistisch over wat mensen doen in de wereld; “Schilder is dialectischer dan we vaak denken”.
Dr. Ad de Bruijne (TU), die zich ook flink heeft bezig gehouden met Hauerwas, vroeg door over de verhouding van de kerk en christelijke organisaties. Interessant ook voor het huidige kerkelijke leven en de mensen die aangesloten zijn bij een kerk. Marinus die blijkbaar alles heeft gelezen wat professor Schilder allemaal heeft geschreven, gaf aan dat bij Schilder ‘de confessie’veel meer in beeld is, dat dat het springende punt is. Ben je het daar over eens, dat valt er ook buiten de kerkmuren met christenen veel werk te verzetten. Hauerwas wil eigenlijk dat de kerk alles doet. En in antwoord op dr. Koert van Bekkum (TU) liet Marinus merken ook de preken van Schilder te hebben bestudeerd en die gaan niet over haat, maar steeds weer over het Verbond en niet zozeer over verkiezing. Tot slot vroeg de Nederlands-Gereformeerde dr. van der Dussen (TU)door over de ideeën van Schilder en de doorwerking daarvan bij de ‘binnenverbanders met hun ‘ware kerk’gedachte en de ‘buitenverbanders’ met een meer dynamische kerkopvatting à la Schilder.

En toen zaten we opnieuw met de gedachte; wat als… Wat als professor Schilder in 1952 niet zo plotseling was gestorven en zijn leidende rol binnen de GKV daarmee ook voorbij was? Op de rechte polderwegen filosofeerden we daar nog wat over door. Het ‘hora est’ van de pedel maakte een eind aan de discussie met van der Dussen, maar de vragen blijven wel staan. Als de volgelingen van Schilder niet zo gehamerd hadden op het aambeeld van ‘doorgaande reformatie’, als een wat oudere en bezadigdere Schilder zijn volgelingen een wat openere blik had gegund, wat als…
Schilder was blijkbaar een leider en voorganger, die in zijn tijd, zijn hoorders kon boeien. Uit mijn boekenkast heb nog es het boek van Felderhof en van der Stoep gepakt: “In de houten broek”. Van der Stoep schrijft daarin een prachtig hoofdstuk, over een bezoek dat hij brengt aan een dienst waarin Schilder voorgaat. “Een schatgraver op een Rijnsburgschen preekstoel”. Zondag 11 februari 1940 heeft hij daar onder het gehoor van de jonge professor gezeten. Prachtig wordt het Rijnsburgse kerkvolk getekend, maar ook de professor die preekt over “Als hij (Judas) dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. (Johannes 11: 31). Hij krijgt de hoorders stil, want er wordt nauwelijks meer gehoest! Er volgt dan een boeiend preekverslag, waarin de spade, volgens van der Stoep, steeds dieper gaat. Aan het eind vraagt hij zich af of de hoorders het wel begrepen hebben, “de ouderling, de koster en de vrouw achter ons, de man op ’t orgel en het lid van de J.V., de groothandelaar en het kind en de ouwe man en de dokter, de bloemenventer, de secretarieklerk, het dienstmeisje en de onnoozele Hannes? Wat heeft de professor er zelf van begrepen? Dit is nog de vraag die ’t meest intrigeert.” ….. “Wat is een preek toch een onmachtig ding, zoodra men op straat en achter zijn kopje koffie komt, als men de lange rij menschelijke beperkingen ziet, waaraan zijzelf en haar invloed en uitwerking onderworpen is. Maar wat is zij machtig – en dat ziet ook alleen het geloofsoog – als bouwmateriaal in Gods hand om zijn gedifferentieerde gemeente te stichten en op te bouwen in het allerheiligst geloof.”

Dat laatste wensen we ook onze weledelzeergeleerde heer Marinus de Jong toe en dat zijn jarenlange studie er aan mag meewerken. Dat het kerkvolk van de Oosterparkkerk gesticht moge worden. Waarvan akte!

Bij de jaarwisseling 2018 – 2019

alleen al vanwege de cartoons is een abonnement op de krant een plezier

Door de jaren heen heb ik de gewoonte ontwikkeld om er een schrijfboek op na te houden. Mijn MOLESKINE gaat overal mee naar toe. Naar de kerk, een discussieavond in de Rode Hoed, een promotie in de VU en ook mee op vakantie natuurlijk. Wanneer ik terug blader is het dan ook een samenraapsel wat betreft aantekeningen. Heel zo nu en dan staat er een tekening tussen omdat ik wil onthouden hoe een en ander is gebouwd of in elkaar steekt. Zo heb ik een keer bij een dienst in de Noorderkerk aan de Prinsengracht de plattegrond van dat prachtige gebouw zitten tekenen. Mijn laatste aantekenboek begint op Oudejaarsdag 2016 en is, op enkele bladzijden na, volgeschreven. Wanneer ik begin te bladeren vanaf het begin van dit jaar, kom ik van alles tegen. Preken, lezingen en heel zo nu en dan wat aantekeningen over dagelijkse gebeurtenissen. Sollicitatiegesprekken met kandidaat dominees voor de Oosterparkkerk, maar ook een studieavond met Otto de Bruijne in de OPK. Ik kom een verslag tegen van een gesprek met de hoofdcommissaris. Na een mailtje werd ik keurig uitgenodigd op het hoofdbureau en konden we nog eens rustig van gedachten wisselen over het verschrikkelijke ongeluk van Harm. Goed om nog eens te praten en te delen met een medebroeder. Inmiddels is bekend dat Aalbersberg gaat vertrekken naar Den Haag en Het Parool interviewde hem een paar weken terug. Bij een vraag over God, verwees hij naar het gewone dagelijkse christen zijn en wees daarbij op de “Hoop voor Noord” van Jurjen ten Brinke. Daar wordt leven met Jezus in de dagelijkse praktijk toepast, gaf hij mee.
Er is veel om met plezier op terug te zien, zoals een geweldig avond in Veenendaal, waar een optreden was van ‘Sons of Korah’. ’s Middags hield de leider van de band, Matt Jacobi, een verhelderende voordracht over ‘wraakpsalmen’, een indrukwekkend exposé.  Ik kijk uit naar de vertaling van zijn boek over de Psalmen. Mijn aantekeningen vullen zich bladzijde na bladzijde en ik zie wanneer naar mijn idee een dominee er niet veel van gebakken heeft; dan kom ik nog niet tot een halve pagina. Franca Treur komt voorbij, zij hield een boeiende lezing die een inkijk gaf in het Reformatorische leven. Ds. Brouwer van Duivendrecht had haar uitgenodigd in het kader van de 400-jarige herdenking van de Synode van Dordrecht. Treffende uitspraak van de schrijfster: “Mooi dat ‘schuld’ een plek heeft in religie.” Met dat laatste bedoelde ze waarschijnlijk toch gewoon het ‘gereformeerde/reformatorische geloof’ lijkt me.

Maar wat nu? Alles overziend… Wat heeft 2018 ons gebracht? In mijn aantekenboek en ook in mijn Moleskine-agenda kom ik de schaduw herhaaldelijk tegen. In kleine korte aantekeningen en gebeurtenissen. Harms vrienden die aanschoven aan tafel, de hele procedure met het Hof rond artikel 12 en de gesprekken met de advocaat. Al dagen wilde ik een spetterend jaaroverzicht maken. Wat zou ik deze keer doen? Alle gelezen boeken op een rij? Of een paar gebeurtenissen breed uitgediept en becommentarieerd? Een verhaal over solliciteren en weten dat het niets oplevert? Het werd het één niet en het ook het ander niet. Ook terugbladerend in mijn blogs, ik vond het niet.

de krant van zaterdag

Maar opeens vanmorgen, na het boodschappen doen voor iets lekkers bij het glas wijn op Oudejaarsavond, verdiepte ik mij in de zaterdagbijlage van de krant. Toen wist ik het, mijn terugblik wordt een oproep. Een oproep om meer de krant te lezen. In een gezelschap durf ik er soms niet eens meer over te beginnen, mensen reageren dan besmuikt. Ach.. een abonnement is veel te duur, ach je leest het nieuws maar van één kant, hmmmm.. je hebt toch gewoon nu.nl? Allemaal waar; voor veel andere argumenten ook, valt best wat te zeggen. Maar toen ik vanmorgen weer een poosje zat te lezen, kwam er maar één gedachte in mij op; dit moeten mijn broers en zussen in de kerk lezen, dit moeten mijn buren lezen, dit moeten….. Het essay van hoofdredacteur Sjirk Kuiper was er eentje om in te lijsten, zo goed. En daarna las ik het interview met Marilynne Robinson, stilzettend en diepgravend!
Vaak is het gewoon even die dagelijkse bezinning, bladeren en een artikel hier en een stukje daar. Soms iets laten liggen voor het weekend of de namiddag. Even de computer aan de kant, geen telefoon, maar gewoon de krant. Papier dat ritselt, dat makkelijk scheurt, dat we vroeger gebruikten als wc-papier, intrigerend, maar ook scherp en fel en positiebepalend. Het kan aanzetten tot discussie en je durft weer te vragen; hé heb jij dat ook gelezen?
Ik wens u een gezegend 2019, met vooral veel kranten-leesplezier!

dr. Jan Koopmans een ‘rechtvaardige’

“Je moet de moed hebben om het goede te zeggen en te doen,
ook als je niet moedig bent.”

Dr. J. Koopmans in ‘Bijna te laat’

Een week geleden zette ik ‘de laatste Jan Brokken’ in de boekenkast. Het indrukwekkende verhaal over ‘consul’ Jan Zwartendijk in Litouwen, ik schreef er al eerder over. Het is een aaneenschakeling van zulke onwaarschijnlijk bijzondere gebeurtenissen, dat je het nauwelijks vanuit ons perspectief kunt begrijpen. De moed die mensen opbrachten om Joodse vluchtelingen te helpen zodat ze op die manier een gewisse dood in de gaskamers ontliepen… En dat op een moment dat er nog nauwelijks iets over de massavernietiging bekend was. Brokken laat goed uitkomen hoe bizar het was dat Zwartendijk er na de oorlog voor op zijn kop kreeg van het Ministerie. Plaatsvervangende schaamte bekruipt je als je leest hoe Zwartendijk daar onder gebukt ging. Gelukkig heeft Brokken na eindeloos speuren ontdekt dat duizenden Joden door Zwartendijk zijn gered! Postuum werd hij dan ook ‘een rechtvaardige onder de volken’.
Twee weken geleden las ik in de krant dat Sobibor-overlevende Selma Engel-Wijnberg (96) is overleden, deed me ook weer denken aan de frustraties van Jan Zwartendijk. Vorige week werd een documentaire over haar op tv nog een keer uitgezonden. Ook hier spatte het bizarre onrechtvaardige er van af. Toen zij na veel ontberingen en omzwervingen als ontsnapte uit Sobibor, uiteindelijk na de oorlog met haar Poolse man in Nederland kwam, was de ontvangst meer dan kil. Het had maar weinig gescheeld of ze waren teruggestuurd naar Polen. In 2010 kwamen er eindelijk excuses, te laat trouwens, volgens mevrouw Engel-Wijnberg.

Afgelopen donderdagmiddag promoveerde er aan de VU een gereformeerde dominee (C.C. den Hertog predikant van de samenwerkingsgemeente CGKV van Nijmegen). Ik kwam een berichtje erover tegen in het blad ‘Onderweg’ en noteerde de datum in mijn agenda; een promotie over dr. Jan Koopmans. Het was de naam van Jan Koopmans die mij triggerde. In de herdenkingsbundel van 25 jaar ‘dr. M.B. van ’t Veerschool’ zoek ik de bladzijde waar zijn naam staat. In augustus 1981 betrok de van ‘t Veerschool, waar ik toen drie jaar werkte, een ‘nieuw’ gebouw. Het oude gebouw tegenover voormalig station Sloterdijk schoof langzaam de bouwput van een nieuw kantoorgebouw in en wij moesten dus verkassen. Aan de Slotermeerlaan kwam het gebouw van de Hervormde Schoolvereniging vrij. De ‘dr. J. Koopmansschool’ had te weinig leerlingen en ging op de in ‘Noordmansschool’. De naam van de dr. Koopmans verdween en inmiddels is ook de naam van dr. M.B. van ’t Veer niet meer verbonden aan een school. Ze hadden gemeen dat ze beide stierven in WOII. Ik heb geen idee of hervormde en gereformeerde predikanten in die tijd enig contact hadden, ook al woonden en werkten ze beiden in Amsterdam. Beiden predikanten liggen trouwens begraven op Zorgvlied. Als leerkrachten hebben we ons in 1981 verder niet verdiept in Koopmans. Volgens de herdenkingsbundel is hij vanwege zijn verzet in de Tweede Wereldoorlog omgekomen. Dat laatste is niet helemaal juist, daarom aan het eind van mijn blog de juiste toedracht. Jaren later kwam ik in een bundel van de Belgische schrijver Geert van Istendael een mooie hommage aan Koopmans tegen. Van Istendael roemt het pamflet van Jan Koopmans dat deze aan het begin de bezetting schreef (november 1940) onder de titel “Bijna te laat”. Koopmans verzet zich daarin hevig tegen de maatregelen van de Duitse overheersers tegen de Joden en vooral ook tegen de Ariërverklaring. Als theoloog vindt hij dat de kerk hier zijn geluid moet laten horen. Als daar dan een dominee op gaat promoveren is dat interessant genoeg om op een koude donderdagmiddag naar de VU te fietsen.

Zoals dat gaat bij een promotie werd promovendus den Hertog flink onder vuur genomen. Den Hertog maakte duidelijk dat dr. Jan Koopmans uniek was binnen de kerken, waar het ging om zijn openlijke verzet tegen het nazisme, hij koos duidelijk positie. Dat laatste kwam voort uit zijn manier van theologisch denken; geen lijdelijkheid preken! Aan het eind van de bijeenkomst kon professor Ad de Bruijne nog net een afsluitende vraag stellen. “Zou de kerk vandaag niet meer publiek moeten spreken? Moet de kerk niet spreken over de actualiteit, bijvoorbeeld in de VS over de moraliteit bij de hoogste leider, in Hongarije over gekozen vertegenwoordigers die zich gaan gedragen als despoten en moet de kerk zich in Nederland niet uitspreken over onrecht aan minderjarige asielzoekers en het kerkasiel in de Bethelkerk in Den Haag?” In de vraag van de Bruijne lag het antwoord haast al opgesloten, zo ervoer ik dat als toeschouwer in ieder geval. Hoe zou den Hertog dit verbinden met het spreken van Jan Koopmans? Helaas kwam de pedel het antwoord met belgerinkel en ‘hora est’ al na twee zinnen onderbreken. Jammer, want nu zou het “Bijna te laat” actueel gemaakt kunnen worden. Maar misschien is daar in het slothoofdstuk van de dissertatie nog meer over te vinden.

Uit: “Bijna te laat”

Koopmans werd op 12 maart 1945, vlak voor de bevrijding, getroffen door een verdwaalde kogel. Op zijn onderduikadres aan de Stadhouderskade, vanwege zijn openlijke spreken en hulp aan Joden, stond hij te kijken naar wat er op het Weteringplantsoen gebeurde. Daar werden als represaille door de Duitsers 30 mensen standrechtelijk geëxecuteerd. Op het na de oorlog opgerichte monument staan de beroemde regels van de VN-medewerker en dichter H.M. van Randwijk: “Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.”
In het Parool zie ik dat vandaag de GVB met betrekking tot WOII hernieuwd in de aandacht staat: ‘Er heerste een wegkijkcultuur’. Maar vandaag dan? Hoe zit het met de 16.000 vluchtelingen op de Griekse eilanden waarvan het leven wordt verwoest?

PS  Deze blog schreef ik begin vorige week, maar het lukte niet om hem te publiceren. WordPress was opeens ge-update naar 5.0. Met geen mogelijkheid lukte het toen om teksten op te slaan. Nu maar via via de hele zaak teruggezet. Het zal de leeftijd zijn…. Die 5.0 lossen we later wel op.
Inmiddels is het Kerstavond en in het Oosterpark had onze kerk weer een ‘lichtjespad’ georganiseerd. Het Kerstverhaal heb ik in verschillende varianten mogen voorlezen. Toch maar expliciet er bij verteld dat de engelen in de velden van Efratha “vrede op aarde, voor mensen Hem liefhebben en die Hij lief heeft!’ zongen!

De Afscheiding in Amsterdam / Bloemgracht 90

Bloemgracht 90, zo zag de eerste Afgescheiden kerk er van binnen uit.

Het werd een interessante avond op historische grond. Waar ooit de eerste Afgescheiden  gemeente van Amsterdam bijeenkwam, waren nu ongeveer twintig bezoekers om te luisteren naar verhalen over honderdvijftig jaar geleden. Bloemgracht 90 is een prachtig pand aan een, in ieder geval ’s avonds, rustige gracht in de Jordaan. De huidige eigenaar had een ruimte beschikbaar gesteld om deze bijeenkomst mogelijk te maken. Helaas is het gebouw na 1857 waarschijnlijk verschillende keren flink verbouwd, want en is er van iets ‘kerkachtigs’ niets terug te vinden. Een van de aanwezigen gaf de tip om te gaan zoeken bij het Stadsarchief, daar moeten alle bouw en verbouwtekeningen aanwezig zijn. Op de site van het Stadsarchief staat de prachtige tekening van het interieur. Omdat de ruimte op de begane grond te klein was, heeft men toen het een kerk was, het middengedeelte van de vloer van de eerste verdieping er uit gesloopt, zodat rondom een gaanderij ontstond. Later heeft men dat bij de tweede en derde verdieping herhaald. Hoe waarheidsgetrouw de tekening is, was bij een kleine rondleiding niet te achterhalen. De ramen zijn in ieder geval niet die aan de grachtkant, denk ik, want op de tweede etage bevinden zich geen boogramen. Misschien toch maar naar het Stadsarchief.

Bloemgracht 90 op een zomerse herfstdag

Dominee Jan-Henk Soepenberg uit Assen, die promoveerde op de Afscheiding in Amsterdam, hield een uitgebreid referaat over “allerlei wederwaardigheden van Bloemgracht 90”. Een aantal opmerkelijke zaken heb ik genoteerd voor de geïnteresseerde lezer.
> Het pand was ooit eigendom van familie van Velzen. De latere afgescheiden dominee Simon van Velzen, is in dit pand geboren en woonde er later ook als predikant. Zijn portret heeft jarenlang in de kerkenraadskamer van de GKv (Oosterparkkerk) gehangen trouwens! Bloemgracht 90 werd gekocht door de Afgescheiden gemeente voor 7500 gulden. Het zal inmiddels wel tweehonderd keer zo veel waard zijn.
> In het gebouw werden niet alleen kerkdiensten  gehouden, maar ook classis-vergaderingen en synodes. Ook de kerkenraad vergaderde er natuurlijk.
> Later kwam er in het pakhuis achter het woonhuis een school die uitging van de diaconie en werd toegestaan door de overheid! Amsterdam was ook toen al een tolerante stad. De diaconie gebruikte Bloemgracht 90 trouwens ook als uitdeelpunt voor de armen. De gemiddelde leeftijd van de gemeenteleden was trouwens laag, vooral door hoge kindersterfte. Het leeftijdsgemiddelde van de mannen was 30 jaar en van de vrouwen 33 jaar.
> In de eerste jaren waren er op de gracht veel volksoplopen, omdat de kerkdiensten door de koning werden verboden en een grote groep Amsterdammers dan wel zin hadden in een relletje. Men vergaderde daarom op de meest gekke tijden, midden in de nacht werd zelfs een keer het Heilig Avondmaal gevierd. Ook werd een keer op een zeer vroege zondagochtend, rond een uur of vijf, een doopdienst gehouden. In 1849 overleed tijdens een synode één van de leden aan cholera.

Soepenberg en van Diggelen onthulden dit bord. De eigenaar van Bloemgracht 90 gaat het monteren bij de voordeur.

> De Afgescheiden kerk in Amsterdam had een ‘bovenplaatselijke’ positie. Wat in Amsterdam gebeurde had invloed op alle kerken in Nederland. De inzet van ds. Scholte voor erkenning door de overheid, had uiteindelijk ook landelijke betekenis.
> Ook in Amsterdam waren er in het begin van de 19e eeuw veel conventikels (zie Wikipedia). Bezoekers daarvan kwamen al niet meer in de Hervormde Kerk, maar ze sloten zich vaak aan bij de Afgescheiden kerken. Dat had zo zijn invloed op de geloofsbeleving in de kerk en leidde later ook tot forse twisten en nieuwe afscheidingen.
> Gelukkig trok Soepenberg ook lijnen door naar onze tijd; 1. Theologiseren is erg bepaald door de tijd waarin de theoloog leeft. Mijns inziens lijkt dat in eerste instantie een open deur, maar ik denk ook dat dit gegeven wel hel vaak vergeten wordt. Het is zo gemakkelijk om te oordelen over het verleden, maar dan wordt dit eerste aspect niet genoemd! 2. Er was een fikse contextverschuiving en dat was complexer dan op het eerste oog zichtbaar werd. Een goede leer voor vandaag, zeker bij conflicten. 3. Het stelt ons de vraag hoe jij zelf spiritueel gevormd bent. Dit derde punt lijkt ook zo logisch, maar wordt ook vaak uit het oog verloren.
Algemene conclusie was dan ook, dat het het vandaag net zo ingewikkeld is!

Veel mensen zullen hun schouders ophalen over deze oude verhalen en zich afvragen waarom iemand honderden uren bezig is om allerlei archieven en boeken na te pluizen. Maar Groen van Prinsterer, een sympathisant van de Afgescheidenen, al bleef hijzelf in de Hervormde Kerk, zei het zo:  “In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal”. Daarom is het boek van Soepenberg een mooie aanvulling op de vele delen die dr. C. Smits over de Afscheiding schreef. Bij de lessen rekenen die hij ons gaf op de Pedagogische Academie praatte hij daar nooit over, daar ging het over abstracte ‘getalluh’. En waarbij Smits schreef over het zuidelijk deel van Nederland, deed dr. J. Wesseling (onder de leerlingen ome Jan), dat voor de het oosten en noorden. Ook zij worstelden zich door archieven en Wesseling, waar we Nederlands van hadden op het Lyceum in Groningen, kon vrijwel elke achternaam van een leerling herleiden tot een Afgescheiden voorvader. In Amsterdam is dat inmiddels wat lastiger, daar vind je geen Scholte, Brandt of Hobbes meer in de ledenlijst.

Michiel van Diggelen schreef over één van de meest interessante en markante figuren van de Afscheiding een roman en vertelde dat kort over. Hij noemde in zijn toelichting op het boek, dominee Hein Scholte een “vreemde eend in de bijt”. Hij heeft zeker voor de Afscheiding in Amsterdam veel betekend. In 1847 vertrok Scholte naar Amerika om daar in de prairie van Iowa een nieuwe nederzetting te stichten. Scholte, zo vertelde van Diggelen, was een rebel, een adelaar gevangen in de kooi van de kerk. Hij kon omgaan met iedereen; arm en rijk, het maakte voor hem niet uit. Hij was ook zeer eigenzinnig en maakte daarmee ook veel vijanden, hij was zeer gehecht aan zijn eigen vrijheid.
De roman begint bij het overlijden van zijn eerste vrouw, ook een Amsterdamse. Zijn  worsteling daarmee wordt mooi getekend en zet hem echt in de context van zijn tijd, het midden van de 19e eeuw.

Op de fiets naar huis filosofeerde ik met VU-historicus Ab over ‘het nut van het schriftelijk vastleggen’. Wat als al die gebeurtenissen zich hadden afgespeeld in het digitale tijdperk, was er dan zoveel in de archieven op te diepen geweest? Je krijgt wel eens het idee tegenwoordig dat veel in de cloud staat, maar is het over honderdvijftig jaar allemaal nog terug te vinden? Er worden actielijsten gemaakt en notuleren van bijeenkomsten en vergaderingen vinden veel mensen zelfs ouderwets. Een pleit dus voor goed vastleggen! Van Diggelen vond de kerkenraadsnotulen van Genderen uiteindelijk terug in Pella, maar ze waren er dus wel! En misschien wel mee dankzij het digitale tijdperk weten kerken elkaar tegenwoordig gemakkelijk te vinden en herkennen ze elkaar als kerken met de dezelfde Heer en Heiland!

De Afscheiding in Amsterdam

dissertatie
ds. H.P. Scholte

Waarom zou je stilstaan bij een geschiedenis van meer dan 150 jaar geleden? Zeker bij een boek over een gebeurtenis uit onze vaderlandse kerkgeschiedenis, kan je dat gevoel bekruipen. Maar toen een dominee uit Assen, Jan-Henk Soepenberg promoveerde op de Afscheiding in Amsterdam, was mijn interesse gewekt. Gelukkig kreeg ik niet veel later een boekenbon en kon ik het forse lichtblauwe boek aanschaffen. Een boeiend verhaal over kerkelijke perikelen en heel veel ook onderlinge strijd, volgend op de Afscheiding. De plaatsen waar het gebeurde in Amsterdam zijn nauwelijks terug te vinden. De suikerfabriek van de familie Scholte (waar veel stiekem werd vergaderd) heeft alleen een gevelsteen nagelaten en de eerste echte vergaderplaats, Bloemgracht 90 is al jaren een woonhuis met kantoorruimte. Toch gaan we op die plek nadenken over 1835 (Amsterdamse Afscheiding) en de gevolgen daarvan. Wat kunnen we er voor vandaag van leren? De nazaten van deze afsplitsing van de Hervormde Kerk zijn talrijk. In Amsterdam hebben we Christelijke Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), Nederlands Gereformeerde Kerken en ook de Gereformeerde Gemeenten. Natuurlijk komt ook een gedeelte van de PKN van oorsprong uit de Afscheiding voort. Genoeg stof voor de nazaten, om over na te denken dus.
Jan-Henk Soepenberg komt aanstaande vrijdag aan de Bloemgracht (nummer 90) over zijn onderzoek vertellen; aanvang 19.45 uur.
Titel: 
H.P. Scholte en de Afscheiding (1835) in Amsterdam. 

Over het verloop van een en ander zal ik na de 12e wel vertellen.

 

L’apparition, kijken in de ziel

Hebt u de laatste serie van “Kijken in de ziel” ook gevolgd? Journalist en interviewer Coen Verbraak  praatte in deze serie met religieuze leiders. Al weer een tijd geleden zag ik hem een paar keer op zondagmorgen afscheid nemen van zijn vriendin en wegrijden. Ik denk dat de laatste vlak naast onze kerk woonde. Wanneer je dan zo’n min of meer bekend hoofd opeens in een auto ziet stappen en zijn stem er bij hoort, ga je opeens bedenken waar je die man ook al weer van kent. Toen had ik er niet gelijk een naam bij, maar na de laatste serie vergeet ik die niet gauw meer. Vroeg me wel af waarom hij toen niet uit nieuwsgierigheid ons kerkgebouw een keer is binnengelopen om te horen en te beleven waarom gewone Amsterdammers, jong en oud, allochtoon en autochtoon daar op zondagmorgen daar bijeen komen.
Voor een ‘ingewijde’ was de serie trouwens wel erg voorspelbaar, maar hier en daar ook wel verhelderend waar het om de persoon van de voorganger ging. Prachtig vond ik de eerlijkheid van ds. Bottenbley, zeker wanneer zijn antwoord op een vraag lang uitbleef en hij al nadenkend en bijna schuchter een antwoord formuleerde. Zoals op de vraag of zijn moslim-schoonvader wel of niet in de hemel zou komen. Wat me ook opviel waren de toch wel gemakkelijke antwoorden van hulpbisschop de Jong over misbruik in de kerk. Je blijft je maar afvragen wat nu toch de relatie is tussen celibaat, biechten en de kijk op vergeving en genade en het kwaad van het kindermisbruik in de rooms-katholieke kerk. Natuurlijk kun je beweren dat christenen ook gewoon mensen zijn. Dat laatste beweerden trouwens alle religieuze leiders, de hindoepriester, de boeddhistische leraar en ook de rabbi. Allemaal zeiden ze dat hun ‘volgelingen’ toch ook gewoon mensen waren. Helaas ging Verbraak bij de Jong niet dieper op deze hele kwestie in. Waarschijnlijk wist hij bij de opnames ook nog niet van de laatste ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk, waarbij weer grote misstanden aan het daglicht kwamen. Voor trouwe gelovigen in deze kerkgemeenschap moet het toch als een zware last voelen. Het zal toch aan je gaan knagen, denk ik. Het straalt trouwens ook af op andere christenen, het komt allemaal zo ongeloofwaardig over voor mensen die niet ‘gelovig’ zijn.
In het Dagblad van het Noorden sloot Daniël Lohues zijn column zo af: “En toch, ik hou ermee op. Je kunt niks meer zeggen. Als ik bijvoorbeeld iets wil roepen over die vreselijke misbruikzaken door moslims in grote Britse steden, dan kan ik dat niet meer maken. Want kijk eens wat er gebeurt in de wereldwijde kerkgemeenschap waarbinnen ik zelf geboren ben. Ik schaam me. Het is vreselijk. Misschien moet ik het kruisje boven de deur maar weghalen. En mijn mooie Mariabeeld? Ook weg? Ik kijk Haar even aan en zie de troost van het verdriet in de ogen van Maria.”

Vooral het misbruikverhaal maalde door mijn achterhoofd toen ik in EYE de film L’apparition (de verschijning) bekeek onderging. En ook het beeld van ‘het verdriet in de ogen van Maria’. De film gaat over een Franse onderzoeksjournalist die een opdracht krijgt van het Vaticaan om te onderzoeken of er werkelijk verschijningen van Maria zijn geweest aan een achttienjarig meisje. Jacques, de journalist, komt opeens in een totaal andere wereld terecht. Hij versloeg oorlogen in het Midden-Oosten en verloor daarbij zijn beste vriend en collega. Maar nu moet hij proberen te achterhalen of het verhaal van de vrome Anna wel klopt. Het wordt een bijzondere zoektocht, naar waarheid, maar ook naar geloof.
De rooms-katholieke kerk komt er ook in deze film niet bijzonder goed af, maar het mooie is wel dat het daar door heen prikt. Wanneer je achter de rimram van beelden, kaarsen en en bijgelovige bedevaartgangers kijkt, zie je mensen die werkelijk bewogen zijn door Maria, de moeder van Jezus en door Christus zelf. Jacques ontdekt veel meer dan hij van te voren ooit bedacht had. Mensen laten hem zien wat het in je leven te weeg kan brengen om de weg van de Ene te volgen. Een bijzondere film die je in verwarring brengt en aan het denken zet, een aanrader dus! En de religieuze leiders uit ‘Kijken in de ziel’, die vrijwel overal een antwoord op hebben als het om hun geloof gaat, zouden ook de film moeten gaan zien en de twijfels en vragen van Jacques meenemen in hun volgende ‘preek’. 

Plop……. | In memoriam Harm 1982 – 2016 (73)

Rare titel deze keer, maar het gebeurt wel regelmatig. Dan plopt het opeens op en schiet er ergens door mijn hoofd een plop… Het gemis en het zeker weten dat we Harm niet meer hebben. In ieder geval niet meer hier op aarde. Afgelopen weekend gebeurde dat door de column van Femke van der Laan, de weduwe van Eberhard van der Laan. Ze schrijft de laatste maanden  treffende columns in de zaterdagse Parool bijlage PS. “het nooit is er pas weer in rust en in stilte”. Regelmatig herken ik en ook Coos trouwens, veel in haar verhaaltjes en observaties. Dat het in de kleine dingen zit, die een ander waarschijnlijk helemaal niet opvallen, een zinswending, een blik, een niet gemaakte opmerking, een verhaal… een maaltijd.
Boven hebben we schoolfoto’s hangen van onze kinderen en elke dag loop je er langs en op onverwachte momenten schiet er opeens dan die plop door mijn hoofd. Maar ook toen Coos met haar fiets onderuit was gegaan en ik de Eerste Hulp binnenstapte van het AMC. En het gebeurde pas toen de eerstehulpverpleegkundige aangaf, dat mijn vrouw verteld had over onze zoon. Tot dan had ik er verder nog niet bij stil gestaan, de ambulancebroeder had nadrukkelijk gezegd aan de telefoon dat ‘het niet levensbedreigend was en ik rustig aan kon doen’. Toen ze afgelopen vrijdag in het Flevoziekenhuis geopereerd moest worden aan haar gebroken duim, om de ‘banden’ te repareren, kwamen allerlei beelden van 2011 naar boven. Coos werd toen in Almere geopereerd aan haar darmkanker, een heftig gebeuren. Gelukkig kon Coos vrijdag weer snel appen en dan opeens… plop, dan mis je de reactie van Harm.
Plop was er opeens wel, toen we twee weken geleden bericht kregen dat goede vriend Wout met zijn fiets over de kop was gevlogen en in coma lag, na een drie uur durende operatie. Toen we vorige week in het UMC aan zijn bed stonden was er wel heel veel plop in mijn hoofd, maar tegelijk het besef hoe klein de scheidslijn is tussen leven en niet meer leven. We hopen en bidden maar dat hij weer gaat praten, lopen, fietsen, rennen en oreren over van alles en nog wat…
Plop was er vanmorgen ook bij het openen van de ND-site waar een mooie blog  ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ staat (zie hieronder). Na het verongelukken van Harm hebben we trouwens helemaal niet nagedacht over rouwdienst of dankdienst. We wilden het gewoon met zoveel mogelijk vrienden, broeders en zusters en familie delen en op een mooie manier afscheid nemen en samen rouwen. En daarbij Gods naam laten laten klinken! Ik weet nog dat de begrafenisonderneemster vroeg naar het aantal verwachte aanwezigen. Wij dachten aan vier, vijfhonderd mensen; hoe moet je dat inschatten? Tja, dat kan niet in de aula van Zorgvlied en ook niet in onze kerk, waar dan wel? Van alles is bedacht, van Paradiso tot Muziekgebouw aan ’t IJ. Gelukkig werd met hulp van Harms vrienden de Wersterkerk geregeld, misschien wel de mooiste protestantse kerk in Amsterdam. Genoeg zitplaatsen en dicht bij water, zodat we na afloop met een boot naar Zorgvlied konden varen. In het licht van het verhaal van de theoloog in het ND, werd het niet alleen maar een rouwdienst en ook niet een soort dankdienst. Het verdriet, het rouwen om het gemis overheerste, maar er was ook de lach om wie Harm was geweest. Het werd een echte ‘begrafenisdienst’, al mochten we het van de toenmalige Westerkerk-pastor geen ‘dienst’ noemen. Volgens deze pastor mochten er alleen door de kerkelijke gemeente van Westerkerk diensten worden belegd in dat prachtige gebouw. We zijn de onverkwikkelijke discussie toen maar uit de weg gegaan en hebben met gitaar en zang onze Psalmen begeleid. En gelukkig hadden we in onze eigen OPK al een soort rouw-dankdienst gehouden, de zondag na het verongelukken van Harm. Het verhaal van Eric Peels gaf dus ook een plop, een plop van goede herinneringen, maar ook weer het besef van heel veel tranen en veel liefde van familie, vrienden en collega’s. Mooi dat een theoloog zo oog heeft voor wat de betekenis van een ‘dienst’ bij een begrafenis is. Nog te vaak hoor je dat de familie achteraf spijt heeft van hoe een en ander ging bij de begrafenis van hun geliefde. Voor de levenden onder ons des te meer een reden om daar bijtijds over na te denken, zet het desnoods samen met je familie op papier. En let wel als nabestaanden kun je veel uit handen geven bij de dood van een geliefde, een familielid, maar hoe meer je uit handen geeft, hoe meer er langs je heen gaat. Een dienst, hoe je het ook verder noemt kan van blijvende waarde zijn, ook al plopt het later zomaar weer op.

– 22 september 2016, Westerkerk –

(ND 22 mei 2018 Theologenblog)
Hoe noem je de samenkomst voorafgaand aan een begrafenis? ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ hebben allebei hun nadelen, overpeinst Eric Peels.
De nationale ‘week van de begraafplaats’ staat voor de deur, met aandacht voor sterven en begraven. Op het grensvlak van leven en dood telt elk woord. Hoe vaak klinkt na een overlijden niet het obligate ‘woorden schieten tekort’, als men niets weet te zeggen. Een goed en hartelijk woord op het juiste moment kan dan als balsem zijn.
De terminologie die rondom het sterven gehanteerd wordt, zegt veel over cultuur en beleving. Dat geldt niet het minst ook voor de benaming van de kerkelijke samenkomst waarin afscheid wordt genomen van de overledene. Een keur van termen is voorhanden: uitvaartdienst, eucharistieviering, rouwdienst, herdenkingsdienst, afscheidsdienst, dankdienst, of eenvoudig ‘samenkomst’ waar men de schijn van een  ‘lijkpredicatie’ (oude Dordtse kerkorde) wil vermijden.
In protestantse kring zijn de twee meest gebruikte benamingen ‘rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’. De eerste term was lange tijd gebruikelijk, maar wordt  langzaamaan steeds meer vervangen door de laatste. ‘Rouwdienst’ klinkt immers verdrietig en zwaar: de dienst van het gebogen hoofd. ‘Dankdienst’ klinkt veel positiever en blijer, de dienst van het opgeheven hoofd.
In meer behoudende gemeenten houdt men uitsluitend rouwdiensten, met een accent op de dood als ‘de bezoldiging der zonde’ (Romeinen 6:23) en het appel op de nabestaanden. In meer vooruitstrevende gemeenten houdt men liever dankdiensten, met een accent op het goede dat God in het leven van de overledene heeft geschonken aan hen die achterblijven. Het lijkt erop dat de term ‘dankdienst voor het leven’ steeds meer veld wint. In veel gemeenten wordt nooit meer een rouwdienst gehouden.
Critici zouden erop kunnen wijzen dat deze ontwikkeling typisch modern-westers is. In oosterse of Afrikaanse culturen is het fenomeen ‘dankdienst voor het leven’ onbekend. Daar houdt men begrafenisdiensten met soms massaal vertoon van verdriet en rouw. Onze westerse cultuur is echter sterk gericht op het genieten van het goede leven en op het uitsluiten van storende factoren als gevoelens van pijn, schaamte en verlies. Wij worden niet graag geconfronteerd met de eindigheid van het leven en de afbraak van het lichaam. Rondom een sterven voelen wij ons erg ongemakkelijk; wij keren graag zo snel mogelijk weer terug naar het ‘normale leven’. Een dankdienst voor het leven past daarin beter dan een rouwdienst in het zwart.
Maar is de term ‘dankdienst voor het leven’ bij het sterven van een christen inderdaad niet geschikter is dan de term ‘rouwdienst’? Je zou kunnen zeggen dat het eerste meer ‘nieuwtestamentisch’, en het laatste meer ‘oudtestamentisch’ is.
In oud-Israël waren veel traditionele rouwgebruiken: luidruchtig uiten van verdriet, klaagvrouwen, onthouding van wassen en zalving, as en stof op het hoofd, scheuren van kleding, hoofd/baardhaar afscheren, onthouding van seks, blootvoets gaan, speciaal voedsel, vasten, rouwklacht en treurlied. Men hield geen dankdienst voor het leven, maar gaf publiek uiting aan rouw, zelfs voor een periode van zeven dagen. Zicht op een opstandingsleven na de dood was er niet of nauwelijks.
Dat is anders in het Nieuwe Testament. Christus is opgestaan; het nieuwe leven vangt aan. ‘Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer’ (Romeinen 14:8). Voor wie in Hem gelooft, is de schuld gedragen, is de dood doorgang naar het eeuwige leven (Heidelbergse Catechismus, antwoord 42). In dit perspectief mag dan ook dankbaar worden opgemerkt wat God in het leven hier gaf, aan deze overledene, en in hem of haar aan allen rondom. Tegelijk blijft er dan ruimte voor rouw en verdriet.
Toch blijft het lastig. Kan ‘dankdienst voor het leven’ ook niet te hoog gegrepen zijn, als je hart gebroken is en je vooral met gevoelens van verdriet en gemis achterblijft? Wanneer in de gemeente waartoe je behoort al lange tijd alleen nog maar ‘dankdiensten voor het leven’ worden gehouden, durf je bij een begrafenis van jouw geliefde haast niet meer van ‘rouwdienst’ te spreken. Alsof je tekortschiet in dankbaarheid en in het negatieve blijft steken – hoewel ieder weet dat er  in een dankdienst voor het leven terdege ook plaats is voor rouwen.
Misschien is ‘rouwdienst’ te somber en ‘dankdienst’ te licht, en is het beter te kiezen voor de meer neutrale term ‘begrafenisdienst’. In een begrafenisdienst is alle gelegenheid om uiting te geven aan verdriet en rouw, in lied, gebed en prediking. In een begrafenisdienst is ook alle gelegenheid om God te danken voor de zegen van al zijn gaven tijdens het leven van de overledene, en boven alles voor de hoop die niet sterft. ‘Jezus leeft en wij met Hem, dood waar is uw schrik gebleven?’
Eric Peels is hoogleraar Oude Testament. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.

Vakwerk

Wat is het mooi als mensen met liefde praten over hun vak. Gisteravond merkte ik dat bij de excursie van het Nederlands Dagblad bij drukkerij Rodi. Drukkerij Rodi zit hier vijf minuten vandaan op het industrieterrein Verrijn Stuart. Ondanks het wat onzalige tijdstip van tien uur in de avond, was het een belevenis. Om te zien hoe de krant digitaal binnenkomt, vervolgens op platen wordt gezet en daarna met een snelheid van 45 km/u door de persen raast. Er waren ook een aantal ND-medewerkers bij de rondleiding aanwezig en mooi om te zien hoe ze stonden te glimmen bij een artikel of een gedeelte van een pagina dat er mooi uitspringt. De ‘opmaker’ kon zijn plezier niet op toen hij de achterpagina met de Kids Quiz uit de pers zag rollen en maakte mij nog even attent op een paar bijzonderheden die hij bedacht had. ‘De krant’ levert dus vakwerk en in dat onopvallende gebouw op het industrietrein wordt ook vakwerk geleverd. Mooi om dat eens te zien en mee te maken.

De wekker ging al weer op tijd want er zou een nieuwe gasmeter geplaatst worden. Eigenlijk geen tijd om de krant die ik gisteravond gedrukt zag worden, te lezen. De meterkast moest leeg en buiten werden flinke gaten gegraven. Een nieuwe leiding moest worden gelegd vanuit de straat naar de meterkast en opnieuw zie je vakwerk. De gasfitters waren bijna klaar toen Malte aanbelde. Eindelijk had ik iemand gevonden die het dak van mijn tuinschuurtje kon maken, een echte loodgieter, die weet hoe je met zink om moet gaan! Prachtig is het geworden! Zo mooi dat je eigenlijk een trapje naar boven zou moeten maken, zodat je met mooi weer lekker op het zinken dak kunt genieten van de zon… Malte, afkomstig uit Berlijn, maar al jaren werkzaam in Nederland, is van huis uit een vak-timmerman. Maar omdat er tijdlang geen vraag meer was naar ‘echte’ timmerlui, liep hij met een oudere loodgieter mee en wil nu niet anders meer. “Er is meer dan genoeg werk”, vertelde hij. Opnieuw; mooi vakwerk en vandaar dat het een mooi plekje in mijn blog krijgt. Wanneer het weer droog blijft ga ik binnenkort met een deur aan de gang.

Blinde vlekken… van 2017 naar 2018

Afgelopen zondag preekte de dominee van de Noorderkerk aan de Prinsengracht, Paul Visser, bij ons in de OPK. Hij vond het heel bijzonder om voor de eerste keer echt voor te gaan in een ‘vrijgemaakte’ kerk. “Het is heel goed dat dit gebeurt!”, zei hij vooraf in de consistorie. Het werd een soort kerst-oudejaarspreek over Openbaring 21; “Zie, ik maak aller dingen nieuw!” Als mensen zijn we zo bezig om ons leven te verbeteren, om nog meer spullen om ons heen te vergaren, nog harder werken voor vrede… Maar ondertussen gaat het nog zo vaak mis, maar dan en daar begint God juist. Het liep mis in ons eigen hart, wat trouwens tussen je oren zit volgens dominee Visser. “Maar”, zegt God tegen ons, vanuit dat bijbelboek Openbaring: “Ik ben bezig alle dingen nieuw te maken bij jou. In Christus mag je beseffen, God heeft met mij iets gedaan!” Dat relativeert heel veel, je eigen fouten, je gebreken en je gekkigheden…”

“Zoooo… opa is sterk hè!”

Ik moest mijn aantekeningen er nog eens rustig op na lezen, nog eens weer een hele poos voor de spiegel gaan staan. Weten dat je geliefd bent, maar dan ook langzaam gaan beseffen dat het niet een zoethoudertje is, om jezelf maar een beetje in balans te houden. Wanneer je echt in de spiegel kijkt, besef je ook dat het tussen je oren begint (omdat daar je hart is), maar dat het tegelijkertijd compleet genade is. Alleen dan kunnen we verder, ook met ons verdriet om Harm, het gemis en alles wat daar bij hoort. Hoe vaak heeft ons dat ook de afgelopen weken niet weer door het hoofd gespeeld. Elke keer als ik zijn foto zie staan en in mijn hoofd nog zijn stem hoor, wanneer je vrienden van Harm spreekt. Dan kan het je zo maar naar de strot grijpen en branden er tranen achter je ogen. En tegelijkertijd koesteren we de mooie momenten en herinneringen. Ook als 31 december straks voorbij is en de vuurwerkdampen zijn opgetrokken zal het gemis en verdriet niet voorbij zijn. Zo vergaat het ons en zo veel anderen die een geliefde moeten missen.

Radio, tv en ook de kranten, ze staan deze dagen bol van het terugblikken en vooruitkijken. De bekende doden worden nog eens breed herdacht, rampen en aanslagen worden in herinnering gehaald. En zoals het velen zal vergaan, overdenk je ook eigen persoonlijke gang door een jaar. De mooie dingen, maar ook de zaken waar je liever niet meer aan herinnerd wilt worden. Dat wanneer je voor de spiegel staat je als het ware opnieuw het schaamrood ziet opkomen. Waar zouden onze ‘blinde vlekken’ het afgelopen hebben gezeten? Vorige week, dus alweer bijna twee weken geleden, was ik in Vriezenveen bezig met het leggen van een mooie houten vloer in het nieuwe huis van onze dochter en haar gezin. Prachtig werd het! Maar toch overheerste de pijn op een zeker moment, in mijn knieën.  Al kruipend over de vloer en iedere keer weer overeind komen, toen ik uiteindelijk terugreed had ik een blaar op op mijn linkerknie zitten. Achteraf verdween een beetje de vreugde over de prachtige vloer en het mooie resultaat en dat de oudste kleinkinderen trots waren op hun opa. Een ‘blinde vlek’ was zomaar geboren.
Zo gaat het maar al te vaak, de mooie en feestelijke dingen worden zomaar weer overschaduwd door het vervelende en de rauwe werkelijkheid. Op zo’n moment is het de kunst om het eerlijk naast elkaar te zetten en de lelijke blaar maar even te vergeten. Of andere mensen kunnen zo maar af doen, we gaan ze negeren en willen ook geen meningen meer met ze uitwisselen. Argumenten doen er niet meer toe en onze ‘blinde vlek’ wordt in onze eigen ogen een ‘heldere ster’. In je eigen huis kan het zo gaan, in je familie en ook in je buurt en straat en in het groot gaat het ook vaak zo. We voegen er een hashtag aan toe en zenden het de wijde wereld in. Ook in de kerk gaat het soms zo maar op die manier. We willen allemaal zo graag leven zoals Jezus het ons verteld heeft en voorgeleefd. We willen zo graag, maar hoe vaak breekt het ons niet bij de hand af? En hoe vaak beseffen we dat niet eens en en zien we zelfs achteraf de blinde vlekken niet, ook al zetten anderen er grote schijnwerpers op!  Dat is onze plaatselijke gemeente zo, maar ook in het verband van kerken waar we in leven. De GKv waar de OPK bij hoort veranderde afgelopen jaar op de synode zijn standpunt over ‘de vrouw in het ambt’. Eigenlijk was de discussie al voorbij voordat we er erg in hadden. Maar hoe voelden al die zusters en broeders zich, die al jaren met steekhoudende argumenten dit bepleit hadden? Hoevelen zijn er niet verketterd om dit standpunt? Kregen ze achteraf nog een excuus? Onze GKv is trouwens toch al niet zo goed in het aanbieden van excuses, in de eenwording met de NGK worden die ook nog niet echt van harte gegeven.

Blinde vlekken, we hebben er vele vandaag de dag. En steeds weer is het een opgaaf om ze te ontdekken, door te lezen, het verleden te bestuderen en heel veel samen in gesprek te gaan. ‘Elkaars nieren proeven’, werd er vroeger wel gezegd.  Donderdagavond zat ik met vriend Marco in zaal 1 van het Eye. Première van de film “THE LONG SEASON”, Marco had via zijn werk twee vrijkaartjes. De film had in november al gedraaid op de IDFA en zelfs twee prijzen gewonnen. Nu draait de film gelukkig in een groot aantal bioscopen, een aanrader! De maker, Leonard Retel Helmrich, heeft een boeiend beeld geschetst van het leven in een vluchtelingenkamp in de Bekavallei (Libanon). Je voelt haast de kou en de blubber wanneer de beelden van het scherm spatten. Schamele plastic tenten als onderkomen en verstoken van de meest elementaire voorzieningen.  En de dagelijkse onrust over hoe het de familie in Raqqa, in handen van IS, vergaat. Korte lontjes, huwelijksperikelen, haat en nijd, maar ook veel liefde; het komt allemaal voorbij. Wat een spiegel houden Helmrich, Huystee en de Syrische Ramia Suleiman ons voor!

Muziek en bier | In memoriam Harm 1982 – 2016 (56)

Een druk weekend was het. Het begon met een geweldig releaseconcert van Jeremy. Jeremy werkt bij Youth With A Mission aan het Kadijksplein en is getrouwd met Roos, ons nichtje. Femmie had via Facebook gevolgd dat er een concert zou zijn in Amsterdam en dat laat je dan niet zo maar voorbij gaan. Prachtig om mee te maken hoe jonge mensen zo vol zijn van de grootheid van God, schepper van deze wereld, dat ze dat op deze manier kunnen vertolken. Muziek is zo iets bijzonders en van God gegeven, dat kwam vrijdagavond wel heel goed binnen. Al kende ik nog geen van Jeremy’s nummers, je ging als het ware vanzelf van binnen meeneuriën. Je kon ook rustig je ogen sluiten en je gedachten laten gaan op de golven van de muziek. Het sloot ook mooi aan bij de voorbereiding die ik had gedaan voor zondag. Er was gevraagd of ik weer es een preek wilde lezen en na wat wikken en wegen vond ik dat geen probleem. Ik dacht een redelijk gemakkelijk onderwerp gevonden te hebben in een preek van Tim Keller: ‘De genade van muziek’. Aan de hand van de verzen 18-20 uit het 5e hoofdstuk in de brief van Paulus aan de christelijke gemeente in Efeze legt Keller uit dat muziek een geschenk van God is. Dat sloot prachtig aan natuurlijk bij de aanbiddingsmuziek van Jeremy en bij wat ongeveer een maand geleden hoogleraar Erik Scherder betoogde bij DWDD, toen hij daar zijn nieuwste boek promootte. Muziek is overal goed voor, betoogt hij in zijn nieuwste boek: ‘Singing in the brain’. Paulus was hem al lang voor met de uitsprak: ‘En ‘bedwelmt u niet aan wijn’, want dat maakt reddeloos, maar wordt vervuld van Geest, elkaar toesprekend met psalmen, hymnen en geestelijke gezangen, zingend en psalmend voor de Heer met heel uw hart.’

Harm had veel met muziek, honderden LP’s stonden er in zijn kamer, ik heb daar eerder over verteld. Bij de voorbereiding van de preek heb ik dan ook verschillende keren gedacht daar ook nog iets over te zeggen. De kracht van de muziek tijdens de bijeenkomst voorafgaand aan Harm zijn begrafenis was zo intens, zo troostend en bracht ons ook heel dicht bij Harm. Ik wilde geen tranen onderweg in de dienst, dus toch maar niet genoemd, maar het was er op de achtergrond gelukkig wel. Bij de intro van de dienst heb ik een blogje voorgelezen die op de site van de Protestantse diaconie stond, zangleider en liturgiemaker Jaap had me daarop geattendeerd. Bleek het opeens over Maaike Ouboter en het nummer ‘Dat ik je mis’ te gaan. Waar een vluchteling al niet zijn kracht uit haalt, maar ik kon gelukkig net op tijd een brok in mijn keel wegslikken.
Ook zaterdag was er muziek trouwens, bij de officiële opening van de Brouwerij van het Kleiklooster. In een grote hal naast IKEA wordt inmiddels heel wat bier gebrouwen. Een prachtig feest met heel veel bierliefhebbers, maar ook veel vrienden van het Kleiklooster. Harm had een bierabonnement en er zat een keer een Kloosterbiertje van Kleiburg bij, niet zijn smaak. Maar later moest hij het toch bijstellen toen ik hier thuis wat bier van Kleiburg had. Prachtig, ik hoop dat het uiteindelijk een mooi sociaal project wordt. Pastor Martijn, nu directeur van de bierbrouwerij doet er in ieder geval alles aan. Zondag 14 mei vierden we de verzelfstandiging in de OPK van drie projecten; STROOM, de PopUp kerk van Rikko en ook van het Kleiklooster. In feite allemaal dochters van de OPK. Harm zou misschien nog wel eens gerefereerd hebben aan de jaren tachtig. Als klein jongetje ging hij regelmatig mee naar de Witte Tent in het Bijlmerpark. Daar begon heel eenvoudig het over de muren van de kerk heen kijken. In het begin met hulp van E&R en later samen met de groep rond Norman Viss uit de VS op straten en pleinen in het Centrum van Amsterdam. Deze vaak seizoengebonden projecten resulteerden uiteindelijk in een Amstelproject. Op de fiets door de ‘Bijlmer’ kwamen die gebeurtenissen zo maar weer boven. Daarom, proost!, op een prachtig project en dat er iets mag doorborrelen van de drive en de spirit van de medewerkers!