Categorie: kerk

Preken voor eigen parochie?

Op weg naar Apeldoorn vroeg ik mijzelf af waarom ik mij ook alweer had opgegeven voor dit congres. En terwijl de prachtige herfstkleuren van de Veluwe aan mij voorbij gleden, wist ik het weer. Vrouwlief is er even tussenuit met een vriendin en voor mij dus alle vrijheid om een op het eerste gezicht, interessant congres te bezoeken. Preken voor eigen parochie, is dat wat het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad doen? Volgens mij is het antwoord toch al snel; ja, zonder twijfel. Natuurlijk proberen beide kranten ons duidelijk te maken dat ze over de muren van hun eigen doelgroep heen ‘de bazuin’ laten klinken, maar uit alles bleek tijdens het congres dat dat niet gebeurd. Niets hoorde ik over een positieve invloed van goede christelijke journalistiek in de politiek bijvoorbeeld. Tja, Rutte feliciteerde het ND met zijn zogenaamde 75verjaardag en jazeker, soms mag de hoofdredacteur van het ND wel eens aanschuiven bij het mediapanel van Radio 1. Toch blijft het allemaal behoorlijk marginaal wat deze twee kranten produceren. Dat doet trouwens niets af aan mijn grote liefde voor het ND. Met plezier spel ik vaak ’s ochtends het ene artikel na het andere en graag wens ik de krant veel meer lezers toe. Alleen al omdat het zinnig is om niet alleen het nieuws via nu.nl of een nos-app te volgen. Een krant duidt het nieuws en geeft daar ook commentaar op, dat is waardevol. Karel Smouter (o.a. van de Correspondent) wees er mijns inziens terecht op dat journalisten van de christelijke pers veel vaker en meer in de publieke ruimte zouden kunnen treden, “ze mogen best wat mondiger worden”. En zijn suggestie waarom je het beste uit christelijke media niet zou aanbieden aan andere media, verdient bijval. En zijn derde suggestie om samen een onderzoeksredactie op te richten, ook met het Fries Dagblad erbij, onderschrijf ik van harte. Niet alleen omdat ik dat zelf ook al wel eens geopperd heb, maar het is nodig! Waar blijven de doorwrochte achtergrondartikelen over stikstofuitstoot in relatie tot onze landbouw? Waar blijven gedegen achtergrondartikelen over ‘kerkelijke eenwording’ en alles wat daarbij komt kijken? En met welke onderzoeksjournalistiek zijn ook jonge christenen weer te verleiden tot het lezen van een kwaliteitskrant?

De oplagecijfers van RD en ND gaan alleen maar omlaag, zegt Piet Bakker.

In mijn eigen kerkelijke gemeente durf ik het nauwelijks meer te doen, verwijzen naar een goed artikel in de krant. Ik schat in, dat op ongeveer 1 op de 8 adressen nog een ND door de brievenbus valt, een van oudsher toch “vrijgemaakte krant”. En, ik zeg het met een beetje verdriet ook, mijn eigen kinderen lezen ook geen krant, Netflix staat bovenaan in de kijk top-tien en waarschijnlijk ook op plek twee en drie. Een geweldige uitdaging dus voor in ieder geval het ND en ik denk ook het RD. Ik kreeg het idee dat zelfs de goede ideeën van Piet Bakker voor kennisgeving werden aangenomen. Eline Kuijper (zie eerste foto, uit het ND) citeerde dan wel prachtige anekdotes uit haar opschrijfboekje, maar ik raad haar (en de rest van de redactie) aan nog maar eens diepgaand het gesprek met Piet Bakker aan te gaan. De lezers die vragen en opmerkingen hebben zitten niet te wachten op alleen maar ‘zenden’. Veel meer interactie, zodat ook anderen bij die parochie willen gaan horen.

Op ND-foto staat op de achtergrond  een schilderij, in de aula van het Reformatorisch Dagblad. Aan de andere kant van de aula stonden nog twee soortgelijke panelen, meer abstracte schilderijen. Het schilderij van de foto heb ik in de middagpauze wat beter bekeken. Het lijkt een groot vergrootglas, waardoor een klein deel van de wereld wordt bekeken. Het motto van de Erdee-groep staat op het handvat: Bewogen Betrokken en Vernieuwend. En onder het vergrootglas zien we allerlei ‘reformatorische’ zaken; de SGP, een kerk, een open bijbel en twee opgeheven handen met een naar het lijkt een foetus en twee zwarte stenen die buiten het vergrootglas lijken af te brokkelen. Is dat laatste symbolisch? En is het ook symbolisch dat sociale media, net op de grens van het vergrootglas ligt? De rand van het vergrootglas was bedekt met krantenpapier, is hier het RD (de krant) die bepaalt wat er binnen en buiten is? Duidelijk is wel dat er ook veel buiten het vergrootglas valt; de snelle auto, de voetballer (Frankie de Jong?), RTL4, de Voice of Holland en ook gamen. En waarom vallen al die mensen buiten het vergrootglas? Hoe langer ik er over nadenk, er wordt hier een bizar verhaal verteld. De regenboog ligt onder de loep,  maar die boog in de wolken was toch bedoeld voor alle mensen?
In de andere hoek van de aula stond een nagemaakte toren met daarop een soldaat met bazuin en een soldaat met een grote speer (naar Ezechiël 33 vertelde dr. ir. S. M. de Bruijn, de hoofdredacteur van het RD). Een op het eerste gezicht mooi beeld, de lezers toerusten, zodat ze gewapend de wereld aankunnen en ook je boodschap rondbazuinen. Maar is dat laatste niet te veel voor eigen parochie preken als je het combineert met wat onder het vergrootglas ligt?

What’s in a name?

Juliet:  “What’s in a name? That which we call a rose
                 By any other name would smell as sweet.”     
uit  het toneelstuk  Romeo and Juliet   – William Shakespeare

Boven de ingang; ontworpen door Harm

‘De klank en de betekenis van een woord hebben niets met elkaar te maken, zo is de heersende opvatting onder taalwetenschappers. Niets in de klank [rose] wijst op een roos, dus had een roos net zo goed een tafel kunnen heten’. [citaat gevonden op het www]
Maar hoe zit dat met de naam van een kerk, een gebouw of een school? Ik kan me nog de reacties herinneren toen we in 2006 de naam van dr. M.B. van ’t Veer van de gereformeerde school in Amsterdam haalden. Vooraf ging een maandenlange discussie over het waarom van een naamswissel. Vooral niet-vrijgemaakte ouders werden ongerust, zou deze school wel een goede christelijke school blijven? Zou dit niet het begin inluiden van verbreding en loslaten van de christelijke beginselen? Uiteindelijk was daarop maar één goed antwoord. Dat antwoord kwam van dominee C.J. Breen, jarenlang predikant in Amsterdam en oud-bestuurslid van de ‘dr. M.B. van ’t Verschool’. De nieuwe naam, Veerkracht verwees in het eerste gedeelte naar de oude naam van de school en in het tweede gedeelte naar de kracht die de school haalt uit het Woord van God. Zonder dat laatste zou het niet gaan. Ds. Breen zag namelijk dat onder de hele grote letters Veerkracht, met kleinere letters stond; gereformeerde basisschool – bijbelgetrouw onderwijs. De combinatie leverde een woord op dat stond voor het soort onderwijs op de school; leerlingen toerusten voor het vervolgonderwijs en hun leven, christelijke veerkracht meegeven!  Opvallend in dit verhaal is ook nog, dat we van hogerhand eigenlijk geen steun vonden voor een naamswisseling. Inmiddels ligt 2006 al weer ver achter ons en van de huidige generatie leerlingen op Veerkracht, heeft niemand nog weet van de oude naam. In de overkoepelende organisatie, die in 2006 nogal moeilijk deed, zijn inmiddels al veel meer namen van scholen gesaneerd. Zelfs belangrijke gereformeerde voorgangers uit het verleden als K. Schilder en S. Greijdanus werden naar het geschiedenisboek verwezen. Onze dr. M.B. van ’t Veer was uiteindelijk nooit ‘vrijgemaakt’ geweest, maar juist Schilder en Greijdanus deden er toe!  En in de nieuwe organisatienaam is de ondertitel ‘gereformeerd’ ook niet meer aanwezig. Ach, what’s in a name?

Maar verwijzend naar het begin van mijn blog, ‘What’s in a name?’; doet het er toe welke naam er op een school staat? Doet het er toe welke naam er op een kerk staat? Blijkbaar hebben mensen daar toch een gevoel bij en leggen ze een bepaalde waarde in een naam. Door de jaren heen zijn er emoties met een naam verbonden. Daarom was er de laatste maanden op het internet flink wat discussie over een naam voor het ‘nieuwe’ kerkgenootschap, dat ontstaat als binnen en buiten-verbanders de strijdbijl begraven. Op verschillende fora werden stevige uitspraken gedaan. Dat soort discussies hadden we in 2006 ook. Opeens laaien emoties op en het lijkt wel of iedereen het beter voelt en weet.   Er is een site met de nogal pretentieuze naam: ‘onderwegnaar1kerk.nl‘ (Toch nog steeds het ‘ware kerk’ idee? Was het maar zo dat er straks maar 1 kerk is!).  Natuurlijk ben ik blij dat de twee kerken binnen afzienbare tijd weer een eenheid gaan vormen, een dankbaar gebeuren. Maar ook een samengaan omgeven met tranen, want wat is er veel verkeerd gegaan in de jaren zestig van de vorige eeuw. Op die bewuste ‘onderwegnaar-site’ heb ik spontaan als volgt gereageerd:

“Tja……
Zoveel smaken, zoveel zinnen waarschijnlijk. Toch blijf ik me bij beide namen afvragen waarom er een extra bijvoeglijk naamwoord voor moet. Waarom Nederlandse? Waarvan willen we ons onderscheiden? Van de Belgische, Deense, Duitse, Ghanese, Canadese Gereformeerde Kerken? Het is toch een aanduiding die we in Nederland gebruiken? Waarom er dat dan nog voorzetten? En waarom Verenigde? Dat klinkt al net zo bizar als Verenigde Naties die helemaal niet verenigd zijn, maar doen alsof… Natuurlijk, het zou mooi zijn als alle Gereformeerde Kerken meedoen, het zou werkelijk een Godswonder zijn! Maar ook deze vereniging van twee gereformeerde kerken zal er voor zorgen dat er broeders en zusters vertrekken naar verschillende kleinere gereformeerde kerken, omdat ze het uiteindelijk niet eens zijn met vrouwen in het ambt en aanverwante zaken. Dus toch maar gewoon Gereformeerde Kerken en hopen op een Godswonder!”

Teruglezend zie ik, dat ik in het stukje nog niet eens gerefereerd heb aan de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten en de vele andere varianten (Op de Biblebelt-tentoonstelling hing een gigantisch schema met alle gereformeerden; waarschijnlijk verwijzend naar Johannes 17 vers 21). Afgelopen zaterdag op weg naar een begrafenis kwamen we langs een kerk met een groot bord: “Gereformeerde Kerk (hersteld)”. Dat zou het moeten zijn, dacht ik. De binnen en buiten-verbanders samen, dat is toch ‘hersteld’? Ik kreeg ook associaties met een populair tv-programma (op de BBC en gekopieerd door RTL4 met Umbrto Tan) “The Repair Shop“. We maken er gewoon “The Repair Church” van; de kerk is toch een beetje hersteld, en je kunt je er ook laten herstellen en tegelijkertijd gaat er de roep van uit om te blijven herstellen.

Ooit waren we als gereformeerde school aangesloten bij het ‘Evangelisch Contact Amsterdam’. Baptistenbroeder Gabriel, inmiddels rooms-katholiek geworden, was van die club de stuwende kracht en we vergaderden steeds op een andere plek. Bij de Pinkstergemeente of bij de Christ Church op de Groenburgwal, in de Tituskapel en ook een keer op Veerkracht. We leerden elkaar steeds beter kennen als volgelingen van Jezus Christus, hoe verschillend we ook waren en zijn en dat ook niet onder stoelen en banken staken. Op zeker moment heb ik voorgesteld om op alle aangesloten kerken een bord te laten bevestigen, in de trant van: “hier komen volgelingen van Jezus Christus bij elkaar….”. Bij mijn weten hebben Jezus eerste volgelingen Petrus, Johannes en hun vrienden en ook Paulus geen kerken gesticht. De volgelingen van Jezus kwamen regelmatig bij elkaar en vormden gemeenschappen. Gemeenschappen waar vanaf dag één ook gedoe was, maar die wel bekend stonden voor hun trouw aan de Opgestane en hun liefde voor hun naasten. En mij bekruipt regelmatig het gevoel dat onze Heiland geen instituten (kerken) bedoeld heeft met klinkende namen en eigentijdse organisaties, maar kerken die willen leven naar Mattheus 22 vers 36 tot en met 40.

De Biblebelt

van Urk tot Reimerswaal

Afgelopen zaterdag is in het Museum Catharijneconvent (Utrecht) de tentoonstelling ‘Bij ons in de Biblebelt’ afgesloten. Ik hoorde de directeur zeggen dat de bezoekersaantallen bijzonder waren, ik ving ‘bijna 70.000’ op. Vorige week dinsdagmiddag, een gewone doordeweekse dag en het was echt druk! Een bijzondere tentoonstelling, die toch gemengde gevoelens achterlaat. Het moet eerlijk gezegd, de tentoonstelling was prachtig opgezet, maar het was toch wel een beetje ‘aapjes kijken’. Al die mooie foto’s, die korte filmpjes; natuurlijk geeft het een beeld van een groep gelovigen in ons land. Maar het was behoorlijk veel ‘brede en smalle weg’. Als gereformeerde jongen heb ik toch een redelijke afstand tot de reformatorische wereld, maar tegelijkertijd ligt het gedachtegoed van de reformatorischen heel dicht bij die van de gereformeerden. Veel uiterlijkheden en de daarbij behorende regels van de reformatorischen, waren in mijn jeugd ook de onze. Wij waren dan wel niet van de ‘zwartekousenkerk’, maar een buitenstaander zag wel heel veel overeenkomsten. En laat het duidelijk zijn, gereformeerden en reformatorischen hebben en lezen precies dezelfde Bijbel. En voor beide is de Bijbel; het levende Woord van God. Als cultureel verschijnsel is de Biblebelt best bijzonder, dat ontken ik niet. Al die plaatsnamen aan het begin van de tentoonstelling, heel herkenbaar. Maar tegelijkertijd ook de constatering dat in veel van die plaatsten lang niet iedereen zich schaart onder het gehoor van een ‘zware’ reformatorische predikant.
Toch ook wel een beetje bijzonder is dat er zoveel reformatorischen hebben meegewerkt aan deze tentoonstelling. Zelfbewust stonden ze op foto’s en deelden hun verhaal. En tegelijkertijd vroeg ik me steeds af, maar is dit zo bijzonder? Is het om een buitenstaander te laten glimlachen bij de preek van een Gereformeerde Gemeente dominee, waarin zoveel herhaling en onbegrijpelijk en archaïsch taalgebruik zat, dat er geen touw aan vast te knopen viel? Is het de glimlach om ‘zingen met bovenstem’ of de vrijwel identieke interieurs van jonge reformatorischen? Aan de andere kant is het ook mooi dat er zoveel verbondenheid en gemeenschappelijks is binnen deze ‘zuil’. Is dit wat Jezus bedoelde met ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld’ in Johannes 15: 19?

Kruisiging

Toch moest na al dat ‘reformatorische geweld’ het mooiste nog komen. De laatste zaal was bestemd voor ‘reformatorische kunst’. Eigenlijk bedoelden ze denk ik, kunst gemaakt door kunstenaars die zich rekenen of rekenden tot de wereld van de Biblebelt. We liepen Martijn Duifhuizen tegen het lijf, hij wilde op de foto met zijn kunstwerk samen met de directeur van het Museum Catharijneconvent (voor zijn portfolio). Heel kort hebben we elkaar even gesproken en natuurlijk wist hij zich te herinneren dat hij voor ons een exemplaar van Communio Sanctorum had gemaakt. Een heel klein werkje met 1000 namen, waartussen die van Roelof Harm Wimmenhove. Ik heb daar in november 2017 over geschreven. Op de tentoonstelling was ook een exemplaar van Communia Sanctorum te zien. En naar mijn idee totaal niet passend bij de tentoonstelling, maar wel heel indrukwekkend, Duifhuizens grote werk: ‘Kruisiging’. Eén van de ideeën achter dit werk is dat het middelste witte vlak Jezus Christus is en met links of met rechts een perfect vierkant vormt. Ook was er muziek bij te luisteren. Martijn stuurde mij later nog een link met muziek van componist Kees Wisse. Martijn: “Tip: het was best wel druk. Eigenlijk is het mooi om de muziek thuis in stilte te luisteren denken aan de kruisiging… ” Dit werk maakte het bezoeken van de tentoonstelling meer dan waard. En Martijn voegde er nog een prachtige relativering aan toe, “Uiteindelijk zullen we allemaal één zijn als volgelingen van Jezus”. Op Communia Sanctorum staan de namen van 500 protestanten en 500 katholieken. Allerlei denominaties bij elkaar op een kunstwerk! Dat is immers onze toekomst! Gereformeerd of reformatorisch zal uiteindelijk niets uit maken, denk ik.

Wat als …

We reden vanuit Kampen weer naar Amsterdam. Het strakke polderlandschap met tientallen naar de hemel wijzende windmolens, gleed aan ons voorbij. Uitgebreid spraken de politicus, de historicus en ik door over de promotie van onze jonge dominee. Met verve had Marinus de Jong in de Lemkerzaal van de Broederkerk zijn proefschrift verdedigd. Wandelend langs de Vloeddijk had ik de geur opgesnoven van Theologische Hogeschooldagen, in mijn gedachten hing die nog steeds aan de nu rustige grachten van het Hanzestadje Kampen. Met duizenden bezoekers vulden we in mijn jeugdjaren statige kerkgebouwen en toen het mis ging in de kerk, werd het zelfs een toogdag in tenten. In die jaren 60 van de vorige eeuw, mijn jeugdjaren, leefde het onderwerp van studie waarop Marinus promoveerde al niet meer. In 1952 verloren de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (de artkel 31-ers), plotseling hun leider professor Klaas Schilder, 61 jaar oud en op dat moment werkzaam aan de Theologische Hogeschool. In 1944 was hij aan de kant gezet door de synode, met als gevolg een flinke uittocht van dominees en kerkleden uit de Gereformeerde Kerken. Een bizar stuk geschiedenis overigens, want hoe haalden mensen het in hun hoofd om in een land dat gebukt ging onder Duitse bezetting, een kerkstrijd te voeren? In de nazomer van 1944 waren al meer dan 100.000 Joodse landgenoten, Roma en Sinti, via Westerbork naar de vernietigingskampen gestuurd. Moesten gereformeerden daar niet tegen in het verweer komen en zich er kapot voor vechten? En toen in de zomer na bevrijding, door de geallieerden, hier en daar Joodse overlevenden probeerden hun huizen en bezittingen terug te vinden, waren ‘vrijgemaakten’ bezig kerkgebouwen te organiseren. In Hoogeveen, mijn geboorteplaats, waar zo’n 300 Joodse bewoners slachtoffer werden van de ‘Endlösung’, werd uiteindelijk de synagoge een ‘vrijgemaakte’ kerk, ontdaan van alle Joodse symboliek. De enkele tientallen overlevenden (door onderduik) keerden Drenthe goeddeels de rug toe. Meester Veldman had daar zelfs een bijbeltekst bij gevonden; Genesis 9: 27 “Moge God ruimte geven aan Jafet, hem laten wonen in de tenten van Sem; knecht van Jafet zal Kanaän zijn“. De uitleg daarbij werd dan; wij stammen als christenen af van Jafet en het Joodse volk stamt af van Sem. Nu ‘wonen’ wij in het huis van Sem. Maar dit terzijde… 
Professor Klaas Schilder was trouwens één van de weinige theologen die zich in woord en geschrift zeer kritisch had uitgelaten over het nationaal-socialisme van de fascistisch bezetter. Hij moest zelfs onderduiken, zijn denkbeelden werden verboden. 

Op de theologie van deze kerkleider promoveerde onze dominee. En alhoewel het geheel een flink theologisch gehalte en vaktaal bevatte, was het ook voor niet-theologen goed te volgen. In het ‘lekenpraatje’ legde Marinus het verband tussen ‘het denken van Schilder over de relatie tussen kerk en wereld’ op een aansprekende manier uit. Hij trok daarbij de lijnen door naar vandaag, refererend aan het de ideeën van de Londense predikant Sam Wells en een huurder van de Oosterparkkerk die onder leiding van Ras Sjamaan ‘Ecstatic Dance’ organiseert. Schilder, zo maakte de promovendus duidelijk, zei dat de kerk ‘hier en nu’ is, de kerk hangt niet aan het geloof van de deelnemers en haar gedrag. Het gaat niet om een christelijke monocultuur, want ‘de kerk is het middel, de wereld is het doel’. En die laatste uitspraak is dan ook niet voor niets de titel van zijn doorwrochte proefschrift. Maar dansen in de kerk, dat was niet des Schilders.
Vervolgens werden voordat aan Marinus de titel ‘doctor in de theologie’ mocht gaan voeren, door verschillende opponenten vragen op hem afgevuurd. Verschillende aspecten kwamen hierbij aan de orde. Dr. Kooij (VU) vroeg door over het schisma in de kerk (1944) en of dat vanuit het theologische denken niet te vermijden was geweest. Marinus gaf daarbij aan dat het in die dagen het juridische enorm de overhand nam, zeker bij Schilder. Wat als hij en zijn medestanders zich ook door andere factoren hadden laten leiden? Vervolgens werd op de vraag van dr. Brinkman (VU) flink doorgesproken over de uitleg van de Bijbel en de rol van de confessie. Hier kwam ook het gedachtegoed van de Amerikaanse theoloog Stanley Hauerwas aan de orde, omdat Marinus die in zijn studie had betrokken, waar het ging om de verhouding tussen kerk en wereld. Tegenover de Groningse professor van ’t Slot (RUG) moest Marinus flink in de verdediging; Schilder was niet zo militant en scherpslijperig zoals vaak wordt gedacht. En volgens Marinus was Schilder ook niet heel optimistisch over wat mensen doen in de wereld; “Schilder is dialectischer dan we vaak denken”.
Dr. Ad de Bruijne (TU), die zich ook flink heeft bezig gehouden met Hauerwas, vroeg door over de verhouding van de kerk en christelijke organisaties. Interessant ook voor het huidige kerkelijke leven en de mensen die aangesloten zijn bij een kerk. Marinus die blijkbaar alles heeft gelezen wat professor Schilder allemaal heeft geschreven, gaf aan dat bij Schilder ‘de confessie’veel meer in beeld is, dat dat het springende punt is. Ben je het daar over eens, dat valt er ook buiten de kerkmuren met christenen veel werk te verzetten. Hauerwas wil eigenlijk dat de kerk alles doet. En in antwoord op dr. Koert van Bekkum (TU) liet Marinus merken ook de preken van Schilder te hebben bestudeerd en die gaan niet over haat, maar steeds weer over het Verbond en niet zozeer over verkiezing. Tot slot vroeg de Nederlands-Gereformeerde dr. van der Dussen (TU)door over de ideeën van Schilder en de doorwerking daarvan bij de ‘binnenverbanders met hun ‘ware kerk’gedachte en de ‘buitenverbanders’ met een meer dynamische kerkopvatting à la Schilder.

En toen zaten we opnieuw met de gedachte; wat als… Wat als professor Schilder in 1952 niet zo plotseling was gestorven en zijn leidende rol binnen de GKV daarmee ook voorbij was? Op de rechte polderwegen filosofeerden we daar nog wat over door. Het ‘hora est’ van de pedel maakte een eind aan de discussie met van der Dussen, maar de vragen blijven wel staan. Als de volgelingen van Schilder niet zo gehamerd hadden op het aambeeld van ‘doorgaande reformatie’, als een wat oudere en bezadigdere Schilder zijn volgelingen een wat openere blik had gegund, wat als…
Schilder was blijkbaar een leider en voorganger, die in zijn tijd, zijn hoorders kon boeien. Uit mijn boekenkast heb nog es het boek van Felderhof en van der Stoep gepakt: “In de houten broek”. Van der Stoep schrijft daarin een prachtig hoofdstuk, over een bezoek dat hij brengt aan een dienst waarin Schilder voorgaat. “Een schatgraver op een Rijnsburgschen preekstoel”. Zondag 11 februari 1940 heeft hij daar onder het gehoor van de jonge professor gezeten. Prachtig wordt het Rijnsburgse kerkvolk getekend, maar ook de professor die preekt over “Als hij (Judas) dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. (Johannes 11: 31). Hij krijgt de hoorders stil, want er wordt nauwelijks meer gehoest! Er volgt dan een boeiend preekverslag, waarin de spade, volgens van der Stoep, steeds dieper gaat. Aan het eind vraagt hij zich af of de hoorders het wel begrepen hebben, “de ouderling, de koster en de vrouw achter ons, de man op ’t orgel en het lid van de J.V., de groothandelaar en het kind en de ouwe man en de dokter, de bloemenventer, de secretarieklerk, het dienstmeisje en de onnoozele Hannes? Wat heeft de professor er zelf van begrepen? Dit is nog de vraag die ’t meest intrigeert.” ….. “Wat is een preek toch een onmachtig ding, zoodra men op straat en achter zijn kopje koffie komt, als men de lange rij menschelijke beperkingen ziet, waaraan zijzelf en haar invloed en uitwerking onderworpen is. Maar wat is zij machtig – en dat ziet ook alleen het geloofsoog – als bouwmateriaal in Gods hand om zijn gedifferentieerde gemeente te stichten en op te bouwen in het allerheiligst geloof.”

Dat laatste wensen we ook onze weledelzeergeleerde heer Marinus de Jong toe en dat zijn jarenlange studie er aan mag meewerken. Dat het kerkvolk van de Oosterparkkerk gesticht moge worden. Waarvan akte!

Bij de jaarwisseling 2018 – 2019

alleen al vanwege de cartoons is een abonnement op de krant een plezier

Door de jaren heen heb ik de gewoonte ontwikkeld om er een schrijfboek op na te houden. Mijn MOLESKINE gaat overal mee naar toe. Naar de kerk, een discussieavond in de Rode Hoed, een promotie in de VU en ook mee op vakantie natuurlijk. Wanneer ik terug blader is het dan ook een samenraapsel wat betreft aantekeningen. Heel zo nu en dan staat er een tekening tussen omdat ik wil onthouden hoe een en ander is gebouwd of in elkaar steekt. Zo heb ik een keer bij een dienst in de Noorderkerk aan de Prinsengracht de plattegrond van dat prachtige gebouw zitten tekenen. Mijn laatste aantekenboek begint op Oudejaarsdag 2016 en is, op enkele bladzijden na, volgeschreven. Wanneer ik begin te bladeren vanaf het begin van dit jaar, kom ik van alles tegen. Preken, lezingen en heel zo nu en dan wat aantekeningen over dagelijkse gebeurtenissen. Sollicitatiegesprekken met kandidaat dominees voor de Oosterparkkerk, maar ook een studieavond met Otto de Bruijne in de OPK. Ik kom een verslag tegen van een gesprek met de hoofdcommissaris. Na een mailtje werd ik keurig uitgenodigd op het hoofdbureau en konden we nog eens rustig van gedachten wisselen over het verschrikkelijke ongeluk van Harm. Goed om nog eens te praten en te delen met een medebroeder. Inmiddels is bekend dat Aalbersberg gaat vertrekken naar Den Haag en Het Parool interviewde hem een paar weken terug. Bij een vraag over God, verwees hij naar het gewone dagelijkse christen zijn en wees daarbij op de “Hoop voor Noord” van Jurjen ten Brinke. Daar wordt leven met Jezus in de dagelijkse praktijk toepast, gaf hij mee.
Er is veel om met plezier op terug te zien, zoals een geweldig avond in Veenendaal, waar een optreden was van ‘Sons of Korah’. ’s Middags hield de leider van de band, Matt Jacobi, een verhelderende voordracht over ‘wraakpsalmen’, een indrukwekkend exposé.  Ik kijk uit naar de vertaling van zijn boek over de Psalmen. Mijn aantekeningen vullen zich bladzijde na bladzijde en ik zie wanneer naar mijn idee een dominee er niet veel van gebakken heeft; dan kom ik nog niet tot een halve pagina. Franca Treur komt voorbij, zij hield een boeiende lezing die een inkijk gaf in het Reformatorische leven. Ds. Brouwer van Duivendrecht had haar uitgenodigd in het kader van de 400-jarige herdenking van de Synode van Dordrecht. Treffende uitspraak van de schrijfster: “Mooi dat ‘schuld’ een plek heeft in religie.” Met dat laatste bedoelde ze waarschijnlijk toch gewoon het ‘gereformeerde/reformatorische geloof’ lijkt me.

Maar wat nu? Alles overziend… Wat heeft 2018 ons gebracht? In mijn aantekenboek en ook in mijn Moleskine-agenda kom ik de schaduw herhaaldelijk tegen. In kleine korte aantekeningen en gebeurtenissen. Harms vrienden die aanschoven aan tafel, de hele procedure met het Hof rond artikel 12 en de gesprekken met de advocaat. Al dagen wilde ik een spetterend jaaroverzicht maken. Wat zou ik deze keer doen? Alle gelezen boeken op een rij? Of een paar gebeurtenissen breed uitgediept en becommentarieerd? Een verhaal over solliciteren en weten dat het niets oplevert? Het werd het één niet en het ook het ander niet. Ook terugbladerend in mijn blogs, ik vond het niet.

de krant van zaterdag

Maar opeens vanmorgen, na het boodschappen doen voor iets lekkers bij het glas wijn op Oudejaarsavond, verdiepte ik mij in de zaterdagbijlage van de krant. Toen wist ik het, mijn terugblik wordt een oproep. Een oproep om meer de krant te lezen. In een gezelschap durf ik er soms niet eens meer over te beginnen, mensen reageren dan besmuikt. Ach.. een abonnement is veel te duur, ach je leest het nieuws maar van één kant, hmmmm.. je hebt toch gewoon nu.nl? Allemaal waar; voor veel andere argumenten ook, valt best wat te zeggen. Maar toen ik vanmorgen weer een poosje zat te lezen, kwam er maar één gedachte in mij op; dit moeten mijn broers en zussen in de kerk lezen, dit moeten mijn buren lezen, dit moeten….. Het essay van hoofdredacteur Sjirk Kuiper was er eentje om in te lijsten, zo goed. En daarna las ik het interview met Marilynne Robinson, stilzettend en diepgravend!
Vaak is het gewoon even die dagelijkse bezinning, bladeren en een artikel hier en een stukje daar. Soms iets laten liggen voor het weekend of de namiddag. Even de computer aan de kant, geen telefoon, maar gewoon de krant. Papier dat ritselt, dat makkelijk scheurt, dat we vroeger gebruikten als wc-papier, intrigerend, maar ook scherp en fel en positiebepalend. Het kan aanzetten tot discussie en je durft weer te vragen; hé heb jij dat ook gelezen?
Ik wens u een gezegend 2019, met vooral veel kranten-leesplezier!

dr. Jan Koopmans een ‘rechtvaardige’

“Je moet de moed hebben om het goede te zeggen en te doen,
ook als je niet moedig bent.”

Dr. J. Koopmans in ‘Bijna te laat’

Een week geleden zette ik ‘de laatste Jan Brokken’ in de boekenkast. Het indrukwekkende verhaal over ‘consul’ Jan Zwartendijk in Litouwen, ik schreef er al eerder over. Het is een aaneenschakeling van zulke onwaarschijnlijk bijzondere gebeurtenissen, dat je het nauwelijks vanuit ons perspectief kunt begrijpen. De moed die mensen opbrachten om Joodse vluchtelingen te helpen zodat ze op die manier een gewisse dood in de gaskamers ontliepen… En dat op een moment dat er nog nauwelijks iets over de massavernietiging bekend was. Brokken laat goed uitkomen hoe bizar het was dat Zwartendijk er na de oorlog voor op zijn kop kreeg van het Ministerie. Plaatsvervangende schaamte bekruipt je als je leest hoe Zwartendijk daar onder gebukt ging. Gelukkig heeft Brokken na eindeloos speuren ontdekt dat duizenden Joden door Zwartendijk zijn gered! Postuum werd hij dan ook ‘een rechtvaardige onder de volken’.
Twee weken geleden las ik in de krant dat Sobibor-overlevende Selma Engel-Wijnberg (96) is overleden, deed me ook weer denken aan de frustraties van Jan Zwartendijk. Vorige week werd een documentaire over haar op tv nog een keer uitgezonden. Ook hier spatte het bizarre onrechtvaardige er van af. Toen zij na veel ontberingen en omzwervingen als ontsnapte uit Sobibor, uiteindelijk na de oorlog met haar Poolse man in Nederland kwam, was de ontvangst meer dan kil. Het had maar weinig gescheeld of ze waren teruggestuurd naar Polen. In 2010 kwamen er eindelijk excuses, te laat trouwens, volgens mevrouw Engel-Wijnberg.

Afgelopen donderdagmiddag promoveerde er aan de VU een gereformeerde dominee (C.C. den Hertog predikant van de samenwerkingsgemeente CGKV van Nijmegen). Ik kwam een berichtje erover tegen in het blad ‘Onderweg’ en noteerde de datum in mijn agenda; een promotie over dr. Jan Koopmans. Het was de naam van Jan Koopmans die mij triggerde. In de herdenkingsbundel van 25 jaar ‘dr. M.B. van ’t Veerschool’ zoek ik de bladzijde waar zijn naam staat. In augustus 1981 betrok de van ‘t Veerschool, waar ik toen drie jaar werkte, een ‘nieuw’ gebouw. Het oude gebouw tegenover voormalig station Sloterdijk schoof langzaam de bouwput van een nieuw kantoorgebouw in en wij moesten dus verkassen. Aan de Slotermeerlaan kwam het gebouw van de Hervormde Schoolvereniging vrij. De ‘dr. J. Koopmansschool’ had te weinig leerlingen en ging op de in ‘Noordmansschool’. De naam van de dr. Koopmans verdween en inmiddels is ook de naam van dr. M.B. van ’t Veer niet meer verbonden aan een school. Ze hadden gemeen dat ze beide stierven in WOII. Ik heb geen idee of hervormde en gereformeerde predikanten in die tijd enig contact hadden, ook al woonden en werkten ze beiden in Amsterdam. Beiden predikanten liggen trouwens begraven op Zorgvlied. Als leerkrachten hebben we ons in 1981 verder niet verdiept in Koopmans. Volgens de herdenkingsbundel is hij vanwege zijn verzet in de Tweede Wereldoorlog omgekomen. Dat laatste is niet helemaal juist, daarom aan het eind van mijn blog de juiste toedracht. Jaren later kwam ik in een bundel van de Belgische schrijver Geert van Istendael een mooie hommage aan Koopmans tegen. Van Istendael roemt het pamflet van Jan Koopmans dat deze aan het begin de bezetting schreef (november 1940) onder de titel “Bijna te laat”. Koopmans verzet zich daarin hevig tegen de maatregelen van de Duitse overheersers tegen de Joden en vooral ook tegen de Ariërverklaring. Als theoloog vindt hij dat de kerk hier zijn geluid moet laten horen. Als daar dan een dominee op gaat promoveren is dat interessant genoeg om op een koude donderdagmiddag naar de VU te fietsen.

Zoals dat gaat bij een promotie werd promovendus den Hertog flink onder vuur genomen. Den Hertog maakte duidelijk dat dr. Jan Koopmans uniek was binnen de kerken, waar het ging om zijn openlijke verzet tegen het nazisme, hij koos duidelijk positie. Dat laatste kwam voort uit zijn manier van theologisch denken; geen lijdelijkheid preken! Aan het eind van de bijeenkomst kon professor Ad de Bruijne nog net een afsluitende vraag stellen. “Zou de kerk vandaag niet meer publiek moeten spreken? Moet de kerk niet spreken over de actualiteit, bijvoorbeeld in de VS over de moraliteit bij de hoogste leider, in Hongarije over gekozen vertegenwoordigers die zich gaan gedragen als despoten en moet de kerk zich in Nederland niet uitspreken over onrecht aan minderjarige asielzoekers en het kerkasiel in de Bethelkerk in Den Haag?” In de vraag van de Bruijne lag het antwoord haast al opgesloten, zo ervoer ik dat als toeschouwer in ieder geval. Hoe zou den Hertog dit verbinden met het spreken van Jan Koopmans? Helaas kwam de pedel het antwoord met belgerinkel en ‘hora est’ al na twee zinnen onderbreken. Jammer, want nu zou het “Bijna te laat” actueel gemaakt kunnen worden. Maar misschien is daar in het slothoofdstuk van de dissertatie nog meer over te vinden.

Uit: “Bijna te laat”

Koopmans werd op 12 maart 1945, vlak voor de bevrijding, getroffen door een verdwaalde kogel. Op zijn onderduikadres aan de Stadhouderskade, vanwege zijn openlijke spreken en hulp aan Joden, stond hij te kijken naar wat er op het Weteringplantsoen gebeurde. Daar werden als represaille door de Duitsers 30 mensen standrechtelijk geëxecuteerd. Op het na de oorlog opgerichte monument staan de beroemde regels van de VN-medewerker en dichter H.M. van Randwijk: “Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.”
In het Parool zie ik dat vandaag de GVB met betrekking tot WOII hernieuwd in de aandacht staat: ‘Er heerste een wegkijkcultuur’. Maar vandaag dan? Hoe zit het met de 16.000 vluchtelingen op de Griekse eilanden waarvan het leven wordt verwoest?

PS  Deze blog schreef ik begin vorige week, maar het lukte niet om hem te publiceren. WordPress was opeens ge-update naar 5.0. Met geen mogelijkheid lukte het toen om teksten op te slaan. Nu maar via via de hele zaak teruggezet. Het zal de leeftijd zijn…. Die 5.0 lossen we later wel op.
Inmiddels is het Kerstavond en in het Oosterpark had onze kerk weer een ‘lichtjespad’ georganiseerd. Het Kerstverhaal heb ik in verschillende varianten mogen voorlezen. Toch maar expliciet er bij verteld dat de engelen in de velden van Efratha “vrede op aarde, voor mensen Hem liefhebben en die Hij lief heeft!’ zongen!

De Afscheiding in Amsterdam / Bloemgracht 90

Bloemgracht 90, zo zag de eerste Afgescheiden kerk er van binnen uit.

Het werd een interessante avond op historische grond. Waar ooit de eerste Afgescheiden  gemeente van Amsterdam bijeenkwam, waren nu ongeveer twintig bezoekers om te luisteren naar verhalen over honderdvijftig jaar geleden. Bloemgracht 90 is een prachtig pand aan een, in ieder geval ’s avonds, rustige gracht in de Jordaan. De huidige eigenaar had een ruimte beschikbaar gesteld om deze bijeenkomst mogelijk te maken. Helaas is het gebouw na 1857 waarschijnlijk verschillende keren flink verbouwd, want en is er van iets ‘kerkachtigs’ niets terug te vinden. Een van de aanwezigen gaf de tip om te gaan zoeken bij het Stadsarchief, daar moeten alle bouw en verbouwtekeningen aanwezig zijn. Op de site van het Stadsarchief staat de prachtige tekening van het interieur. Omdat de ruimte op de begane grond te klein was, heeft men toen het een kerk was, het middengedeelte van de vloer van de eerste verdieping er uit gesloopt, zodat rondom een gaanderij ontstond. Later heeft men dat bij de tweede en derde verdieping herhaald. Hoe waarheidsgetrouw de tekening is, was bij een kleine rondleiding niet te achterhalen. De ramen zijn in ieder geval niet die aan de grachtkant, denk ik, want op de tweede etage bevinden zich geen boogramen. Misschien toch maar naar het Stadsarchief.

Bloemgracht 90 op een zomerse herfstdag

Dominee Jan-Henk Soepenberg uit Assen, die promoveerde op de Afscheiding in Amsterdam, hield een uitgebreid referaat over “allerlei wederwaardigheden van Bloemgracht 90”. Een aantal opmerkelijke zaken heb ik genoteerd voor de geïnteresseerde lezer.
> Het pand was ooit eigendom van familie van Velzen. De latere afgescheiden dominee Simon van Velzen, is in dit pand geboren en woonde er later ook als predikant. Zijn portret heeft jarenlang in de kerkenraadskamer van de GKv (Oosterparkkerk) gehangen trouwens! Bloemgracht 90 werd gekocht door de Afgescheiden gemeente voor 7500 gulden. Het zal inmiddels wel tweehonderd keer zo veel waard zijn.
> In het gebouw werden niet alleen kerkdiensten  gehouden, maar ook classis-vergaderingen en synodes. Ook de kerkenraad vergaderde er natuurlijk.
> Later kwam er in het pakhuis achter het woonhuis een school die uitging van de diaconie en werd toegestaan door de overheid! Amsterdam was ook toen al een tolerante stad. De diaconie gebruikte Bloemgracht 90 trouwens ook als uitdeelpunt voor de armen. De gemiddelde leeftijd van de gemeenteleden was trouwens laag, vooral door hoge kindersterfte. Het leeftijdsgemiddelde van de mannen was 30 jaar en van de vrouwen 33 jaar.
> In de eerste jaren waren er op de gracht veel volksoplopen, omdat de kerkdiensten door de koning werden verboden en een grote groep Amsterdammers dan wel zin hadden in een relletje. Men vergaderde daarom op de meest gekke tijden, midden in de nacht werd zelfs een keer het Heilig Avondmaal gevierd. Ook werd een keer op een zeer vroege zondagochtend, rond een uur of vijf, een doopdienst gehouden. In 1849 overleed tijdens een synode één van de leden aan cholera.

Soepenberg en van Diggelen onthulden dit bord. De eigenaar van Bloemgracht 90 gaat het monteren bij de voordeur.

> De Afgescheiden kerk in Amsterdam had een ‘bovenplaatselijke’ positie. Wat in Amsterdam gebeurde had invloed op alle kerken in Nederland. De inzet van ds. Scholte voor erkenning door de overheid, had uiteindelijk ook landelijke betekenis.
> Ook in Amsterdam waren er in het begin van de 19e eeuw veel conventikels (zie Wikipedia). Bezoekers daarvan kwamen al niet meer in de Hervormde Kerk, maar ze sloten zich vaak aan bij de Afgescheiden kerken. Dat had zo zijn invloed op de geloofsbeleving in de kerk en leidde later ook tot forse twisten en nieuwe afscheidingen.
> Gelukkig trok Soepenberg ook lijnen door naar onze tijd; 1. Theologiseren is erg bepaald door de tijd waarin de theoloog leeft. Mijns inziens lijkt dat in eerste instantie een open deur, maar ik denk ook dat dit gegeven wel hel vaak vergeten wordt. Het is zo gemakkelijk om te oordelen over het verleden, maar dan wordt dit eerste aspect niet genoemd! 2. Er was een fikse contextverschuiving en dat was complexer dan op het eerste oog zichtbaar werd. Een goede leer voor vandaag, zeker bij conflicten. 3. Het stelt ons de vraag hoe jij zelf spiritueel gevormd bent. Dit derde punt lijkt ook zo logisch, maar wordt ook vaak uit het oog verloren.
Algemene conclusie was dan ook, dat het het vandaag net zo ingewikkeld is!

Veel mensen zullen hun schouders ophalen over deze oude verhalen en zich afvragen waarom iemand honderden uren bezig is om allerlei archieven en boeken na te pluizen. Maar Groen van Prinsterer, een sympathisant van de Afgescheidenen, al bleef hijzelf in de Hervormde Kerk, zei het zo:  “In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal”. Daarom is het boek van Soepenberg een mooie aanvulling op de vele delen die dr. C. Smits over de Afscheiding schreef. Bij de lessen rekenen die hij ons gaf op de Pedagogische Academie praatte hij daar nooit over, daar ging het over abstracte ‘getalluh’. En waarbij Smits schreef over het zuidelijk deel van Nederland, deed dr. J. Wesseling (onder de leerlingen ome Jan), dat voor de het oosten en noorden. Ook zij worstelden zich door archieven en Wesseling, waar we Nederlands van hadden op het Lyceum in Groningen, kon vrijwel elke achternaam van een leerling herleiden tot een Afgescheiden voorvader. In Amsterdam is dat inmiddels wat lastiger, daar vind je geen Scholte, Brandt of Hobbes meer in de ledenlijst.

Michiel van Diggelen schreef over één van de meest interessante en markante figuren van de Afscheiding een roman en vertelde dat kort over. Hij noemde in zijn toelichting op het boek, dominee Hein Scholte een “vreemde eend in de bijt”. Hij heeft zeker voor de Afscheiding in Amsterdam veel betekend. In 1847 vertrok Scholte naar Amerika om daar in de prairie van Iowa een nieuwe nederzetting te stichten. Scholte, zo vertelde van Diggelen, was een rebel, een adelaar gevangen in de kooi van de kerk. Hij kon omgaan met iedereen; arm en rijk, het maakte voor hem niet uit. Hij was ook zeer eigenzinnig en maakte daarmee ook veel vijanden, hij was zeer gehecht aan zijn eigen vrijheid.
De roman begint bij het overlijden van zijn eerste vrouw, ook een Amsterdamse. Zijn  worsteling daarmee wordt mooi getekend en zet hem echt in de context van zijn tijd, het midden van de 19e eeuw.

Op de fiets naar huis filosofeerde ik met VU-historicus Ab over ‘het nut van het schriftelijk vastleggen’. Wat als al die gebeurtenissen zich hadden afgespeeld in het digitale tijdperk, was er dan zoveel in de archieven op te diepen geweest? Je krijgt wel eens het idee tegenwoordig dat veel in de cloud staat, maar is het over honderdvijftig jaar allemaal nog terug te vinden? Er worden actielijsten gemaakt en notuleren van bijeenkomsten en vergaderingen vinden veel mensen zelfs ouderwets. Een pleit dus voor goed vastleggen! Van Diggelen vond de kerkenraadsnotulen van Genderen uiteindelijk terug in Pella, maar ze waren er dus wel! En misschien wel mee dankzij het digitale tijdperk weten kerken elkaar tegenwoordig gemakkelijk te vinden en herkennen ze elkaar als kerken met de dezelfde Heer en Heiland!

De Afscheiding in Amsterdam

dissertatie
ds. H.P. Scholte

Waarom zou je stilstaan bij een geschiedenis van meer dan 150 jaar geleden? Zeker bij een boek over een gebeurtenis uit onze vaderlandse kerkgeschiedenis, kan je dat gevoel bekruipen. Maar toen een dominee uit Assen, Jan-Henk Soepenberg promoveerde op de Afscheiding in Amsterdam, was mijn interesse gewekt. Gelukkig kreeg ik niet veel later een boekenbon en kon ik het forse lichtblauwe boek aanschaffen. Een boeiend verhaal over kerkelijke perikelen en heel veel ook onderlinge strijd, volgend op de Afscheiding. De plaatsen waar het gebeurde in Amsterdam zijn nauwelijks terug te vinden. De suikerfabriek van de familie Scholte (waar veel stiekem werd vergaderd) heeft alleen een gevelsteen nagelaten en de eerste echte vergaderplaats, Bloemgracht 90 is al jaren een woonhuis met kantoorruimte. Toch gaan we op die plek nadenken over 1835 (Amsterdamse Afscheiding) en de gevolgen daarvan. Wat kunnen we er voor vandaag van leren? De nazaten van deze afsplitsing van de Hervormde Kerk zijn talrijk. In Amsterdam hebben we Christelijke Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), Nederlands Gereformeerde Kerken en ook de Gereformeerde Gemeenten. Natuurlijk komt ook een gedeelte van de PKN van oorsprong uit de Afscheiding voort. Genoeg stof voor de nazaten, om over na te denken dus.
Jan-Henk Soepenberg komt aanstaande vrijdag aan de Bloemgracht (nummer 90) over zijn onderzoek vertellen; aanvang 19.45 uur.
Titel: 
H.P. Scholte en de Afscheiding (1835) in Amsterdam. 

Over het verloop van een en ander zal ik na de 12e wel vertellen.

 

L’apparition, kijken in de ziel

Hebt u de laatste serie van “Kijken in de ziel” ook gevolgd? Journalist en interviewer Coen Verbraak  praatte in deze serie met religieuze leiders. Al weer een tijd geleden zag ik hem een paar keer op zondagmorgen afscheid nemen van zijn vriendin en wegrijden. Ik denk dat de laatste vlak naast onze kerk woonde. Wanneer je dan zo’n min of meer bekend hoofd opeens in een auto ziet stappen en zijn stem er bij hoort, ga je opeens bedenken waar je die man ook al weer van kent. Toen had ik er niet gelijk een naam bij, maar na de laatste serie vergeet ik die niet gauw meer. Vroeg me wel af waarom hij toen niet uit nieuwsgierigheid ons kerkgebouw een keer is binnengelopen om te horen en te beleven waarom gewone Amsterdammers, jong en oud, allochtoon en autochtoon daar op zondagmorgen daar bijeen komen.
Voor een ‘ingewijde’ was de serie trouwens wel erg voorspelbaar, maar hier en daar ook wel verhelderend waar het om de persoon van de voorganger ging. Prachtig vond ik de eerlijkheid van ds. Bottenbley, zeker wanneer zijn antwoord op een vraag lang uitbleef en hij al nadenkend en bijna schuchter een antwoord formuleerde. Zoals op de vraag of zijn moslim-schoonvader wel of niet in de hemel zou komen. Wat me ook opviel waren de toch wel gemakkelijke antwoorden van hulpbisschop de Jong over misbruik in de kerk. Je blijft je maar afvragen wat nu toch de relatie is tussen celibaat, biechten en de kijk op vergeving en genade en het kwaad van het kindermisbruik in de rooms-katholieke kerk. Natuurlijk kun je beweren dat christenen ook gewoon mensen zijn. Dat laatste beweerden trouwens alle religieuze leiders, de hindoepriester, de boeddhistische leraar en ook de rabbi. Allemaal zeiden ze dat hun ‘volgelingen’ toch ook gewoon mensen waren. Helaas ging Verbraak bij de Jong niet dieper op deze hele kwestie in. Waarschijnlijk wist hij bij de opnames ook nog niet van de laatste ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk, waarbij weer grote misstanden aan het daglicht kwamen. Voor trouwe gelovigen in deze kerkgemeenschap moet het toch als een zware last voelen. Het zal toch aan je gaan knagen, denk ik. Het straalt trouwens ook af op andere christenen, het komt allemaal zo ongeloofwaardig over voor mensen die niet ‘gelovig’ zijn.
In het Dagblad van het Noorden sloot Daniël Lohues zijn column zo af: “En toch, ik hou ermee op. Je kunt niks meer zeggen. Als ik bijvoorbeeld iets wil roepen over die vreselijke misbruikzaken door moslims in grote Britse steden, dan kan ik dat niet meer maken. Want kijk eens wat er gebeurt in de wereldwijde kerkgemeenschap waarbinnen ik zelf geboren ben. Ik schaam me. Het is vreselijk. Misschien moet ik het kruisje boven de deur maar weghalen. En mijn mooie Mariabeeld? Ook weg? Ik kijk Haar even aan en zie de troost van het verdriet in de ogen van Maria.”

Vooral het misbruikverhaal maalde door mijn achterhoofd toen ik in EYE de film L’apparition (de verschijning) bekeek onderging. En ook het beeld van ‘het verdriet in de ogen van Maria’. De film gaat over een Franse onderzoeksjournalist die een opdracht krijgt van het Vaticaan om te onderzoeken of er werkelijk verschijningen van Maria zijn geweest aan een achttienjarig meisje. Jacques, de journalist, komt opeens in een totaal andere wereld terecht. Hij versloeg oorlogen in het Midden-Oosten en verloor daarbij zijn beste vriend en collega. Maar nu moet hij proberen te achterhalen of het verhaal van de vrome Anna wel klopt. Het wordt een bijzondere zoektocht, naar waarheid, maar ook naar geloof.
De rooms-katholieke kerk komt er ook in deze film niet bijzonder goed af, maar het mooie is wel dat het daar door heen prikt. Wanneer je achter de rimram van beelden, kaarsen en en bijgelovige bedevaartgangers kijkt, zie je mensen die werkelijk bewogen zijn door Maria, de moeder van Jezus en door Christus zelf. Jacques ontdekt veel meer dan hij van te voren ooit bedacht had. Mensen laten hem zien wat het in je leven te weeg kan brengen om de weg van de Ene te volgen. Een bijzondere film die je in verwarring brengt en aan het denken zet, een aanrader dus! En de religieuze leiders uit ‘Kijken in de ziel’, die vrijwel overal een antwoord op hebben als het om hun geloof gaat, zouden ook de film moeten gaan zien en de twijfels en vragen van Jacques meenemen in hun volgende ‘preek’. 

Plop……. | In memoriam Harm 1982 – 2016 (73)

Rare titel deze keer, maar het gebeurt wel regelmatig. Dan plopt het opeens op en schiet er ergens door mijn hoofd een plop… Het gemis en het zeker weten dat we Harm niet meer hebben. In ieder geval niet meer hier op aarde. Afgelopen weekend gebeurde dat door de column van Femke van der Laan, de weduwe van Eberhard van der Laan. Ze schrijft de laatste maanden  treffende columns in de zaterdagse Parool bijlage PS. “het nooit is er pas weer in rust en in stilte”. Regelmatig herken ik en ook Coos trouwens, veel in haar verhaaltjes en observaties. Dat het in de kleine dingen zit, die een ander waarschijnlijk helemaal niet opvallen, een zinswending, een blik, een niet gemaakte opmerking, een verhaal… een maaltijd.
Boven hebben we schoolfoto’s hangen van onze kinderen en elke dag loop je er langs en op onverwachte momenten schiet er opeens dan die plop door mijn hoofd. Maar ook toen Coos met haar fiets onderuit was gegaan en ik de Eerste Hulp binnenstapte van het AMC. En het gebeurde pas toen de eerstehulpverpleegkundige aangaf, dat mijn vrouw verteld had over onze zoon. Tot dan had ik er verder nog niet bij stil gestaan, de ambulancebroeder had nadrukkelijk gezegd aan de telefoon dat ‘het niet levensbedreigend was en ik rustig aan kon doen’. Toen ze afgelopen vrijdag in het Flevoziekenhuis geopereerd moest worden aan haar gebroken duim, om de ‘banden’ te repareren, kwamen allerlei beelden van 2011 naar boven. Coos werd toen in Almere geopereerd aan haar darmkanker, een heftig gebeuren. Gelukkig kon Coos vrijdag weer snel appen en dan opeens… plop, dan mis je de reactie van Harm.
Plop was er opeens wel, toen we twee weken geleden bericht kregen dat goede vriend Wout met zijn fiets over de kop was gevlogen en in coma lag, na een drie uur durende operatie. Toen we vorige week in het UMC aan zijn bed stonden was er wel heel veel plop in mijn hoofd, maar tegelijk het besef hoe klein de scheidslijn is tussen leven en niet meer leven. We hopen en bidden maar dat hij weer gaat praten, lopen, fietsen, rennen en oreren over van alles en nog wat…
Plop was er vanmorgen ook bij het openen van de ND-site waar een mooie blog  ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ staat (zie hieronder). Na het verongelukken van Harm hebben we trouwens helemaal niet nagedacht over rouwdienst of dankdienst. We wilden het gewoon met zoveel mogelijk vrienden, broeders en zusters en familie delen en op een mooie manier afscheid nemen en samen rouwen. En daarbij Gods naam laten laten klinken! Ik weet nog dat de begrafenisonderneemster vroeg naar het aantal verwachte aanwezigen. Wij dachten aan vier, vijfhonderd mensen; hoe moet je dat inschatten? Tja, dat kan niet in de aula van Zorgvlied en ook niet in onze kerk, waar dan wel? Van alles is bedacht, van Paradiso tot Muziekgebouw aan ’t IJ. Gelukkig werd met hulp van Harms vrienden de Wersterkerk geregeld, misschien wel de mooiste protestantse kerk in Amsterdam. Genoeg zitplaatsen en dicht bij water, zodat we na afloop met een boot naar Zorgvlied konden varen. In het licht van het verhaal van de theoloog in het ND, werd het niet alleen maar een rouwdienst en ook niet een soort dankdienst. Het verdriet, het rouwen om het gemis overheerste, maar er was ook de lach om wie Harm was geweest. Het werd een echte ‘begrafenisdienst’, al mochten we het van de toenmalige Westerkerk-pastor geen ‘dienst’ noemen. Volgens deze pastor mochten er alleen door de kerkelijke gemeente van Westerkerk diensten worden belegd in dat prachtige gebouw. We zijn de onverkwikkelijke discussie toen maar uit de weg gegaan en hebben met gitaar en zang onze Psalmen begeleid. En gelukkig hadden we in onze eigen OPK al een soort rouw-dankdienst gehouden, de zondag na het verongelukken van Harm. Het verhaal van Eric Peels gaf dus ook een plop, een plop van goede herinneringen, maar ook weer het besef van heel veel tranen en veel liefde van familie, vrienden en collega’s. Mooi dat een theoloog zo oog heeft voor wat de betekenis van een ‘dienst’ bij een begrafenis is. Nog te vaak hoor je dat de familie achteraf spijt heeft van hoe een en ander ging bij de begrafenis van hun geliefde. Voor de levenden onder ons des te meer een reden om daar bijtijds over na te denken, zet het desnoods samen met je familie op papier. En let wel als nabestaanden kun je veel uit handen geven bij de dood van een geliefde, een familielid, maar hoe meer je uit handen geeft, hoe meer er langs je heen gaat. Een dienst, hoe je het ook verder noemt kan van blijvende waarde zijn, ook al plopt het later zomaar weer op.

– 22 september 2016, Westerkerk –

(ND 22 mei 2018 Theologenblog)
Hoe noem je de samenkomst voorafgaand aan een begrafenis? ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ hebben allebei hun nadelen, overpeinst Eric Peels.
De nationale ‘week van de begraafplaats’ staat voor de deur, met aandacht voor sterven en begraven. Op het grensvlak van leven en dood telt elk woord. Hoe vaak klinkt na een overlijden niet het obligate ‘woorden schieten tekort’, als men niets weet te zeggen. Een goed en hartelijk woord op het juiste moment kan dan als balsem zijn.
De terminologie die rondom het sterven gehanteerd wordt, zegt veel over cultuur en beleving. Dat geldt niet het minst ook voor de benaming van de kerkelijke samenkomst waarin afscheid wordt genomen van de overledene. Een keur van termen is voorhanden: uitvaartdienst, eucharistieviering, rouwdienst, herdenkingsdienst, afscheidsdienst, dankdienst, of eenvoudig ‘samenkomst’ waar men de schijn van een  ‘lijkpredicatie’ (oude Dordtse kerkorde) wil vermijden.
In protestantse kring zijn de twee meest gebruikte benamingen ‘rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’. De eerste term was lange tijd gebruikelijk, maar wordt  langzaamaan steeds meer vervangen door de laatste. ‘Rouwdienst’ klinkt immers verdrietig en zwaar: de dienst van het gebogen hoofd. ‘Dankdienst’ klinkt veel positiever en blijer, de dienst van het opgeheven hoofd.
In meer behoudende gemeenten houdt men uitsluitend rouwdiensten, met een accent op de dood als ‘de bezoldiging der zonde’ (Romeinen 6:23) en het appel op de nabestaanden. In meer vooruitstrevende gemeenten houdt men liever dankdiensten, met een accent op het goede dat God in het leven van de overledene heeft geschonken aan hen die achterblijven. Het lijkt erop dat de term ‘dankdienst voor het leven’ steeds meer veld wint. In veel gemeenten wordt nooit meer een rouwdienst gehouden.
Critici zouden erop kunnen wijzen dat deze ontwikkeling typisch modern-westers is. In oosterse of Afrikaanse culturen is het fenomeen ‘dankdienst voor het leven’ onbekend. Daar houdt men begrafenisdiensten met soms massaal vertoon van verdriet en rouw. Onze westerse cultuur is echter sterk gericht op het genieten van het goede leven en op het uitsluiten van storende factoren als gevoelens van pijn, schaamte en verlies. Wij worden niet graag geconfronteerd met de eindigheid van het leven en de afbraak van het lichaam. Rondom een sterven voelen wij ons erg ongemakkelijk; wij keren graag zo snel mogelijk weer terug naar het ‘normale leven’. Een dankdienst voor het leven past daarin beter dan een rouwdienst in het zwart.
Maar is de term ‘dankdienst voor het leven’ bij het sterven van een christen inderdaad niet geschikter is dan de term ‘rouwdienst’? Je zou kunnen zeggen dat het eerste meer ‘nieuwtestamentisch’, en het laatste meer ‘oudtestamentisch’ is.
In oud-Israël waren veel traditionele rouwgebruiken: luidruchtig uiten van verdriet, klaagvrouwen, onthouding van wassen en zalving, as en stof op het hoofd, scheuren van kleding, hoofd/baardhaar afscheren, onthouding van seks, blootvoets gaan, speciaal voedsel, vasten, rouwklacht en treurlied. Men hield geen dankdienst voor het leven, maar gaf publiek uiting aan rouw, zelfs voor een periode van zeven dagen. Zicht op een opstandingsleven na de dood was er niet of nauwelijks.
Dat is anders in het Nieuwe Testament. Christus is opgestaan; het nieuwe leven vangt aan. ‘Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer’ (Romeinen 14:8). Voor wie in Hem gelooft, is de schuld gedragen, is de dood doorgang naar het eeuwige leven (Heidelbergse Catechismus, antwoord 42). In dit perspectief mag dan ook dankbaar worden opgemerkt wat God in het leven hier gaf, aan deze overledene, en in hem of haar aan allen rondom. Tegelijk blijft er dan ruimte voor rouw en verdriet.
Toch blijft het lastig. Kan ‘dankdienst voor het leven’ ook niet te hoog gegrepen zijn, als je hart gebroken is en je vooral met gevoelens van verdriet en gemis achterblijft? Wanneer in de gemeente waartoe je behoort al lange tijd alleen nog maar ‘dankdiensten voor het leven’ worden gehouden, durf je bij een begrafenis van jouw geliefde haast niet meer van ‘rouwdienst’ te spreken. Alsof je tekortschiet in dankbaarheid en in het negatieve blijft steken – hoewel ieder weet dat er  in een dankdienst voor het leven terdege ook plaats is voor rouwen.
Misschien is ‘rouwdienst’ te somber en ‘dankdienst’ te licht, en is het beter te kiezen voor de meer neutrale term ‘begrafenisdienst’. In een begrafenisdienst is alle gelegenheid om uiting te geven aan verdriet en rouw, in lied, gebed en prediking. In een begrafenisdienst is ook alle gelegenheid om God te danken voor de zegen van al zijn gaven tijdens het leven van de overledene, en boven alles voor de hoop die niet sterft. ‘Jezus leeft en wij met Hem, dood waar is uw schrik gebleven?’
Eric Peels is hoogleraar Oude Testament. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.