De oma van Sandro

“onze” capparis spinosa

Langzaam kwam ze de trap af naar ons appartement. We hadden haar al een keer in het voorbijgaan ontmoet bij het het hek, maar nu kwam ze met een plastic zakje naar ons terras. Ze wees naar een prachtige plant met lichte paarse bloemetjes. Ze maakte duidelijk dat ze iets wilde plukken en dat haar kleinzoon had gezegd dat de Hollandse gasten dat geen probleem zouden vinden. Sandro, onze huurbaas voor één week, had ons al verteld dat aan de struik kappertjes groeiden. De groene bolletjes zijn eigenlijk ongeopende bloemknoppen en wanneer je ze inmaakt met zout, kun je het later bij gerechten gebruiken. Al plukkend stond oma hele verhalen af te steken, maar ons Italiaans was helaas niet toereikend. Gelukkig kent Coos nog wat potjeslatijn en al snel kwam de telefoon erbij met een foto van de zesennegentig jarige moeder van Coos. Sandro’s oma vertelde dat ze eenennegentig was, maar wel hier en daar wat last had van artrose. Toch wipte ze stevig op een neer om ook bij de bovenste bloemknopjes te kunnen. Toen Sandro even later zijn hoofd door de struiken stak moest oma wel even goed duidelijk maken dat hij zo’n lieve jongen was. Gelukkig kon hij wat vertalen. Een mooi moment, in een land dat ik nog niet kende. Toen ze weer haar weg naar boven had gevonden bedacht ik dat ik natuurlijk een foto van Sandro met zijn oma had moeten maken. Haar gezicht straalde zoveel leven en liefde uit. Sandro moest er wel om lachen; “ze heeft al zoveel ingemaakte kappertjes staan, dat ze die in haar leven nooit meer kan opmaken, toch moet ze perse de verse plukken!” Mooi om haar te ontmoeten en op een simpele manier contact te hebben. Ze straalde geluk uit en toch zal ze waarschijnlijk niet dagelijks de vier kilometer lange weg naar de stad aan de Middellandse Zee afdalen om op het kiezelstrand te gaan liggen. Ik bedenk maar wekelijks een mis bijwoont in een van de mooie kerken in Ventimiglia.

pasta, pesto en kip, met natuurlijk Italiaanse wijn

Op de dag dat we wilden afrekenen stond er een grote doos op de stoep met olie van Sandro’s olijfboomgaard. Vijftienduizend (15.000) liter per jaar oogst Sandro en in het late najaar is in het een paar maanden keihard werken om alles geplukt te krijgen.  Taggiasca-olijven die het vooral goed doen in Ligurië, de regio waar wij zaten, geven een prachtige extra-vierge  olie. (De olijven zijn vrij klein en hebben een extreem lage zuurgraad. Hierdoor heeft de Taggiasca olijfolie een zoete smaak en geen of nauwelijks bittere tonen. Ze rijpen aan de boom totdat ze van groen naar bruin, paarsachtig of zwart zijn veranderd. Zodra ze zijn geoogst, worden ze binnen 48 uur gewassen en geperst. Zodat de extra vierge olijfolie zijn eigen smaak behoud. [citaat internet]). Ook had Sandro er wat takjes van de peperboom bij gedaan en een zak met citroenen uit zijn boomgaard en een stronk van zijn prachtige agapanthus. “Die is zo sterk en doet het overal”, verklaarde Sandro.
De citroenen waren bedoeld om limoncello van te maken. Wij vertelden dat we limoncello in de centrale markthal hadden gekocht. “Moet je gewoon zelf maken”, was Sandro’s opmerking.   Alcohol is in de Italiaanse supermarkt gewoon verkrijgbaar. Sandro was verbaasd dat dat in Nederland niet zo was.  Inmiddels heb ik de citroenen geschild en met een liter alcohol (96%) in een grote ‘Kesbeke-augurkenpot’ gedaan. We wachten het resultaat af. Daarna moet er flink suiker en water bij…

Na een paar weken Luberon was de ‘bloemen-Rivièra’ dus echt heel anders. We werden wel gek van alle scooters en het schijnbaar achteloos gescheur met dit vervoermiddel. Maar eenmaal fietsend over een voormalig spoor van Ospeladetti naar San Bartelomeo al Mare, geen scooters en alleen maar zee, haventjes en her en der prachtige villa’s. Een bijzondere streek waar de verschillen tussen arm en rijk gewoon aan je voorbij trekken.
De pizza bij La Veccchia Napoli, zo hadden we hem in Nederland nog nooit geproefd, maar wie weet maakt Sandro’s oma hem nog lekkerder.

Wat als …

We reden vanuit Kampen weer naar Amsterdam. Het strakke polderlandschap met tientallen naar de hemel wijzende windmolens, gleed aan ons voorbij. Uitgebreid spraken de politicus, de historicus en ik door over de promotie van onze jonge dominee. Met verve had Marinus de Jong in de Lemkerzaal van de Broederkerk zijn proefschrift verdedigd. Wandelend langs de Vloeddijk had ik de geur opgesnoven van Theologische Hogeschooldagen, in mijn gedachten hing die nog steeds aan de nu rustige grachten van het Hanzestadje Kampen. Met duizenden bezoekers vulden we in mijn jeugdjaren statige kerkgebouwen en toen het mis ging in de kerk, werd het zelfs een toogdag in tenten. In die jaren 60 van de vorige eeuw, mijn jeugdjaren, leefde het onderwerp van studie waarop Marinus promoveerde al niet meer. In 1952 verloren de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (de artkel 31-ers), plotseling hun leider professor Klaas Schilder, 61 jaar oud en op dat moment werkzaam aan de Theologische Hogeschool. In 1944 was hij aan de kant gezet door de synode, met als gevolg een flinke uittocht van dominees en kerkleden uit de Gereformeerde Kerken. Een bizar stuk geschiedenis overigens, want hoe haalden mensen het in hun hoofd om in een land dat gebukt ging onder Duitse bezetting, een kerkstrijd te voeren? In de nazomer van 1944 waren al meer dan 100.000 Joodse landgenoten, Roma en Sinti, via Westerbork naar de vernietigingskampen gestuurd. Moesten gereformeerden daar niet tegen in het verweer komen en zich er kapot voor vechten? En toen in de zomer na bevrijding, door de geallieerden, hier en daar Joodse overlevenden probeerden hun huizen en bezittingen terug te vinden, waren ‘vrijgemaakten’ bezig kerkgebouwen te organiseren. In Hoogeveen, mijn geboorteplaats, waar zo’n 300 Joodse bewoners slachtoffer werden van de ‘Endlösung’, werd uiteindelijk de synagoge een ‘vrijgemaakte’ kerk, ontdaan van alle Joodse symboliek. De enkele tientallen overlevenden (door onderduik) keerden Drenthe goeddeels de rug toe. Meester Veldman had daar zelfs een bijbeltekst bij gevonden; Genesis 9: 27 “Moge God ruimte geven aan Jafet, hem laten wonen in de tenten van Sem; knecht van Jafet zal Kanaän zijn“. De uitleg daarbij werd dan; wij stammen als christenen af van Jafet en het Joodse volk stamt af van Sem. Nu ‘wonen’ wij in het huis van Sem. Maar dit terzijde… 
Professor Klaas Schilder was trouwens één van de weinige theologen die zich in woord en geschrift zeer kritisch had uitgelaten over het nationaal-socialisme van de fascistisch bezetter. Hij moest zelfs onderduiken, zijn denkbeelden werden verboden. 

Op de theologie van deze kerkleider promoveerde onze dominee. En alhoewel het geheel een flink theologisch gehalte en vaktaal bevatte, was het ook voor niet-theologen goed te volgen. In het ‘lekenpraatje’ legde Marinus het verband tussen ‘het denken van Schilder over de relatie tussen kerk en wereld’ op een aansprekende manier uit. Hij trok daarbij de lijnen door naar vandaag, refererend aan het de ideeën van de Londense predikant Sam Wells en een huurder van de Oosterparkkerk die onder leiding van Ras Sjamaan ‘Ecstatic Dance’ organiseert. Schilder, zo maakte de promovendus duidelijk, zei dat de kerk ‘hier en nu’ is, de kerk hangt niet aan het geloof van de deelnemers en haar gedrag. Het gaat niet om een christelijke monocultuur, want ‘de kerk is het middel, de wereld is het doel’. En die laatste uitspraak is dan ook niet voor niets de titel van zijn doorwrochte proefschrift. Maar dansen in de kerk, dat was niet des Schilders.
Vervolgens werden voordat aan Marinus de titel ‘doctor in de theologie’ mocht gaan voeren, door verschillende opponenten vragen op hem afgevuurd. Verschillende aspecten kwamen hierbij aan de orde. Dr. Kooij (VU) vroeg door over het schisma in de kerk (1944) en of dat vanuit het theologische denken niet te vermijden was geweest. Marinus gaf daarbij aan dat het in die dagen het juridische enorm de overhand nam, zeker bij Schilder. Wat als hij en zijn medestanders zich ook door andere factoren hadden laten leiden? Vervolgens werd op de vraag van dr. Brinkman (VU) flink doorgesproken over de uitleg van de Bijbel en de rol van de confessie. Hier kwam ook het gedachtegoed van de Amerikaanse theoloog Stanley Hauerwas aan de orde, omdat Marinus die in zijn studie had betrokken, waar het ging om de verhouding tussen kerk en wereld. Tegenover de Groningse professor van ’t Slot (RUG) moest Marinus flink in de verdediging; Schilder was niet zo militant en scherpslijperig zoals vaak wordt gedacht. En volgens Marinus was Schilder ook niet heel optimistisch over wat mensen doen in de wereld; “Schilder is dialectischer dan we vaak denken”.
Dr. Ad de Bruijne (TU), die zich ook flink heeft bezig gehouden met Hauerwas, vroeg door over de verhouding van de kerk en christelijke organisaties. Interessant ook voor het huidige kerkelijke leven en de mensen die aangesloten zijn bij een kerk. Marinus die blijkbaar alles heeft gelezen wat professor Schilder allemaal heeft geschreven, gaf aan dat bij Schilder ‘de confessie’veel meer in beeld is, dat dat het springende punt is. Ben je het daar over eens, dat valt er ook buiten de kerkmuren met christenen veel werk te verzetten. Hauerwas wil eigenlijk dat de kerk alles doet. En in antwoord op dr. Koert van Bekkum (TU) liet Marinus merken ook de preken van Schilder te hebben bestudeerd en die gaan niet over haat, maar steeds weer over het Verbond en niet zozeer over verkiezing. Tot slot vroeg de Nederlands-Gereformeerde dr. van der Dussen (TU)door over de ideeën van Schilder en de doorwerking daarvan bij de ‘binnenverbanders met hun ‘ware kerk’gedachte en de ‘buitenverbanders’ met een meer dynamische kerkopvatting à la Schilder.

En toen zaten we opnieuw met de gedachte; wat als… Wat als professor Schilder in 1952 niet zo plotseling was gestorven en zijn leidende rol binnen de GKV daarmee ook voorbij was? Op de rechte polderwegen filosofeerden we daar nog wat over door. Het ‘hora est’ van de pedel maakte een eind aan de discussie met van der Dussen, maar de vragen blijven wel staan. Als de volgelingen van Schilder niet zo gehamerd hadden op het aambeeld van ‘doorgaande reformatie’, als een wat oudere en bezadigdere Schilder zijn volgelingen een wat openere blik had gegund, wat als…
Schilder was blijkbaar een leider en voorganger, die in zijn tijd, zijn hoorders kon boeien. Uit mijn boekenkast heb nog es het boek van Felderhof en van der Stoep gepakt: “In de houten broek”. Van der Stoep schrijft daarin een prachtig hoofdstuk, over een bezoek dat hij brengt aan een dienst waarin Schilder voorgaat. “Een schatgraver op een Rijnsburgschen preekstoel”. Zondag 11 februari 1940 heeft hij daar onder het gehoor van de jonge professor gezeten. Prachtig wordt het Rijnsburgse kerkvolk getekend, maar ook de professor die preekt over “Als hij (Judas) dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. (Johannes 11: 31). Hij krijgt de hoorders stil, want er wordt nauwelijks meer gehoest! Er volgt dan een boeiend preekverslag, waarin de spade, volgens van der Stoep, steeds dieper gaat. Aan het eind vraagt hij zich af of de hoorders het wel begrepen hebben, “de ouderling, de koster en de vrouw achter ons, de man op ’t orgel en het lid van de J.V., de groothandelaar en het kind en de ouwe man en de dokter, de bloemenventer, de secretarieklerk, het dienstmeisje en de onnoozele Hannes? Wat heeft de professor er zelf van begrepen? Dit is nog de vraag die ’t meest intrigeert.” ….. “Wat is een preek toch een onmachtig ding, zoodra men op straat en achter zijn kopje koffie komt, als men de lange rij menschelijke beperkingen ziet, waaraan zijzelf en haar invloed en uitwerking onderworpen is. Maar wat is zij machtig – en dat ziet ook alleen het geloofsoog – als bouwmateriaal in Gods hand om zijn gedifferentieerde gemeente te stichten en op te bouwen in het allerheiligst geloof.”

Dat laatste wensen we ook onze weledelzeergeleerde heer Marinus de Jong toe en dat zijn jarenlange studie er aan mag meewerken. Dat het kerkvolk van de Oosterparkkerk gesticht moge worden. Waarvan akte!

Oproep om te blijven

“Maar Ajax hield stand, op deze wonderlijke en ook melancholische trip, het feest dat nog maar een paar wedstrijden duurt alvorens het elftal uit elkaar zal vallen. Willem II in de bekerfinale, Spurs thuis, FC Utrecht en De Graafschap in de competitie. En dan, misschien, de apotheose, op 1 juni in Madrid. De finale van de Champions League. Tot dan tikt klokwerk Ajax door.” (Willem Vissers op 1 mei in de Volkskrant)

Het was weer genieten dinsdagavond, Ajax speelde deze keer in Londen. De vorige keer dat het een Europese wedstrijd speelde was op de avond dat we hier het huisconcert hadden; ‘Volk om een vreemd verhaal’. Toen de muzikanten hun spullen hadden gepakt, had buurman Aland al even stiekem op zijn telefoon gekeken wat de stand was, “1 -1!” Even later volgden we met een groepje buren ingespannen het laatste kwartier van Juventes – Ajax. Gevatte commentaren vlogen door de kamer, maar de ‘godenzonen’ trokken zich er niets van aan en wonnen met wonderschoon voetbal.
Na zo’n prachtige wedstrijd is het leuk om de commentaren in de dagbladen even door te snuffelen. Willem Vissers van de Volkskrant sla ik dan niet over, in prachtige bloemrijke taal weet hij de emoties van de wedstrijd weer boven te halen. Maar zoals ook andere voetbalcommentatoren, gaat ook Vissers er van uit dat het huidige elftal (er staan 30 spelers op de lijst trouwens, bron Wikipedia), zal bezwijken voor het ‘grote geld’. En het gekke is dat niemand daar ingewikkeld of moeilijk over doet. Nergens heb ik een paginagroot artikel gezien, of een voetbalprogramma op tv voorbij zien komen, waarin er voor gepleit wordt om de huidige spelers de komende jaren in Amsterdam te houden. Werkbare oplossingen om de ‘voetbalslavernij’ terug te dringen, ik kom ze nog niet tegen. De huidige ‘selectie’ bestaat uit 16 allochtonen en 14 autochtonen. De laatste zijn dus zelfs een minderheid. De 16 niet in Nederland geboren spelers, komen trouwens voor de helft niet uit Europa, het zijn gastarbeiders uit Kameroen, Marokko, Argentinië, Brazilië en Burkina Faso. Ook over dat gegeven hoor ik nauwelijks iemand klagen. Terwijl er in Amsterdam honderden jongens uit vooral Afrika rondzwerven zonder een officiële status, stromen bij deze gastarbeiders/voetbalslaven de miljoenen binnen en hoeven ze zich geen enkele zorgen te maken over hun status. De laatsten zijn dan wel begiftigd met een bijzonder voetbaltalent, maar vreemd blijft het naar mijn idee. De kenners en betweters zullen natuurlijk argumenteren dat het een kwestie van vraag en aanbod is, ieders persoonlijke keus toch? Wanneer Matthijs van Nieuwkerk niet genoeg betaald krijgt, is men bang dat hij vertrekt naar de ‘commerciëlen’ zegt het radiojournaal. Net alsof van Nieuwkerk dat zou willen. Die wil toch helemaal niet aan de slag bij RTL of SBS6? Hij heeft vast al een mooie auto, een leuk pandje aan de grachten voor de doordeweeks en een rustieke boerderij in de Achterhoek; genoeg is toch genoeg?
Naar mijn idee mogen er best een paar voetballers van buiten worden aangetrokken, maar beperk dat. Een quotum van vijf op de hele selectie? En per wedstrijd niet meer dan twee of drie ‘buitenlanders’ in de basis? Zouden we dat niet kunnen regelen voor alle Europese voetballanden? Een beetje eigenheid is zo gek toch niet? Dat zal ook een flink stuk oneerlijke concurrentie tussen de grotere clubs terugdringen. Gaat dat laatste niet lukken, dan zou het ook gewoon verboden kunnen worden. In een vertegenwoordigend team van een Nederlandse club, alleen spelers opstellen met een Nederlands paspoort. Kijk, dan is het ook niet meer interessant voor een Arabische sjeik, een Russische oliemiljonair of een Chinese ceo om in Europa een voetbalclub te kopen. Dan ontstaat er een veel eerlijker concurrentie tussen topclubs, opleiding en een goede training worden dan veel meer bepalend wie uiteindelijk de sterkste is. Waarom moet een voetballer van net twintig bij een Spaanse club zeventien en een half miljoen gaan verdienen? Een Zuid-Afrikaanse atlete moet medicijnen gaan slikken omdat haar lichaam toevallig teveel testosteron aanmaakt; ‘oneerlijke concurrentie’ bepalen machtige sport-bobo’s. Caster Semenya wordt hierdoor op een bizarre manier gediscrimineerd, maar het gebeurt wel en haar collega’s vertikken het bijna allemaal om te protesteren. Maar de strijd tussen Ajax en andere topclubs is wel degelijk een zaak van oneerlijk concurrentie en niet een gegeven waar niets aan te doen is. Het is toch gewoon oneerlijke concurrentie als een club in Spanje honderden miljoenen in kas heeft terwijl een club in België of Nederland het met een fractie daarvan moet doen?

Wanneer het niet lukt om genoemde regels aan te passen, zouden we natuurlijk ook gewoon een beroep op de huidige spelers kunnen doen om te blijven. Ze horen nu al bij een topclub, waarom zou je dan willen veranderen? Waarom zouden Matthijs, Dani, Jurgen, Donny en Noa, om maar wat namen te noemen, weg moeten en hun heil zoeken bij een miljoenenclub in Duitsland, Engeland of Spanje? Hoeveel van die vertrekkende voetballers zijn door de jaren heen niet verdwenen in de anonimiteit en heimwee; ondanks de bakken met geld die ze verdienden? Gewoon een boerderijtje kopen in de Achterhoek of een leuk grachtenpandje en de rest geef je weg aan een goed doel. Een ontspannen vakantie naar Manchester, Madrid of Liverpool kunen ze met hun Ajax-salaris toch makkelijk betalen?

voormalig stadion ‘de Meer’ aan de Middenweg

Toen Harm nog in een fietszitje voor op de fiets kon, fietste ik wel eens met hem langs de Middenweg. Op een dag was Ajax op het veld voor stadion “de Meer” aan het trainen onder leiding van Aad de Mos. Later konden we in ieder geval vertellen dat we Johan Cruijff nog hadden zien trainen, alhoewel Harm zich dat helaas niet kon herinneren, najaar 1983 denk ik. Niet veel later verdween Cruijff naar Feyenoord vanwege het geld, ook toen speelde dat al een rol. Verlosser Cruijff was sowieso in die tijd geen beste boekhouder en lang werd zijn gang naar Rotterdam als hoogverraad bestempeld. Waarom is het dan geen verraad als nu een speler vertrekt naar een concurrerende club? Helaas is de commercie en het grootverdienen te ver doorgeslagen en Amsterdamse supporters kunnen daar weinig aan doen, nou ja een boycot misschien?

Volk om een vreemd verhaal / In memoriam Harm 1982 – 2016 (78)

Pastor Tim zit bij ons aan tafel, hij wist zich genodigd voor de lunch. We praten over Harm en dat het weer stilstaan is bij zijn geboortedag, die geen verjaardag meer mag heten. “Is er verschil tussen deze dagen in april en de dagen in september, wanneer jullie stil staan bij zijn dood?” Het is een vraag waar je eigenlijk geen antwoord op weet te geven. Het is wel dat je opeens bedenkt dat het zevenendertig jaar geleden ook prachtig weer was half april en ook vlak bij Pasen. Harm zijn eerste kreten waren te horen op een vroege zaterdagmorgen, bijna een week na het Paasweekend van 1982. Heerlijk weer was het, Coos zat op vrijdag nog met dikke buik, in een zomerjurkje op het balkon. Mooie herinneringen aan vroedvrouw Sam (moest bij haar altijd denken aan de twee vroedvrouwen uit Exodus), nog zie ik haar gerimpelde huid en de sigaretten die ze in een fors tempo opstookte. Wat waren we later die nacht trots op onze eerstgeboren zoon. Het zijn mooie herinneringen die boven komen drijven, ja stilstaan in april bij Harm is anders dan in september. Toch hadden we liever nog een keer de herrie in LAB111 doorstaan of op het strandje bij Pllek gezeten om zijn verjaardagsfeestje te vieren. Nu tranen die opwellen als we 34 rode rozen op Harms graf zetten met in het midden als een hart, drie witte.

inzingen

Met pastor Tim praten we door over Pasen en de betekenis van het opstandingsverhaal. Dinsdagavond was er een ‘huisconcert’ in onze woonkamer. Alle buren van de Boekweitdonk hadden we uitgenodigd. Sommigen waren bang dat we ze wilden bekeren, maar de tien buren die er waren hebben genoten van ‘Volk om een vreemd verhaal’. Roeland Scherff en Jan Cornelis Blokhuis brachten negen songs ten gehore, die het bijbelse passieverhaal uitbeelden. In de intieme setting van onze woonkamer kwam dat wonderwel goed over. Liederen waar het gaat over de verschrikkingen in deze wereld en het kruisigen van onschuldigen. Over godverlatenheid en schaamte, maar ook over hoop. Afgewisseld door korte teksten uit het lijdensevangelie was het werkelijk een vreemd verhaal. Het doorpraten over het gehoorde ging als vanzelf. Voor wie de muziek ook wil horen, kijk op de site van: Volk om een vreemd verhaal. In deze stille en ook goede week moeten we het maar eenvoudig geloven. Goede vrijdag en paaszondag, twee kanten van de zelfde medaille zegt pastor Tim. Eensgezind zijn we erover bij de lunch; God is er gewoon, en dat is dan ook de kern van het Paasfeest. Dat maakt het verdriet en gemis om Harm, ook na tweeënhalf jaar niet minder. Maar het zorgt er ook voor dat we niet radeloos de longen uit ons lijf janken. Het meest hoopvolle lied van ‘Volk om een vreemd verhaal’ is dan ook ‘Nieuwe morgen’.

Nieuwe morgen kom nu gauw 
zucht van verlangen 
zucht van verlangen 

Leef maar naar de hemel toe 
Leef maar naar de hemel toe 

Nieuwe morgen komt al gauw 
zucht van verlangen 
zucht van verlangen 

En alvast, bij dezen, mooie Paasdagen gewenst: “De Heer is waarlijk opgestaan!”

365

Dwars door de vijver achter ons huis loopt de gemeentegrens van de gemeente Diemen. Wanneer je het bruggetje overgaat staat er dan ook een blauw bord met daarop ‘Duivendrecht – gem. Ouder-Amstel’. Aan de andere kant van het bruggetje groeit op dit moment een flinke bouwplaats. Wat ooit een ‘verzinkbedrijf’ was, met flink wat bodemverontreiniging, was later een aannemersbedrijf en opslagruimte. Vorig najaar zijn de oude gebouwen gesloopt en nu is men bezig om er een bedrijfsverzamelgebouw te realiseren. De laatste weken wordt er flink geheid. Ik heb geteld, na 365 slagen was de buis in de grond. Een mooi procedé trouwens, men slaat een holle buis de grond in, laat er een passende bewapening in zakken en men giet vervolgens beton in de buis. Vervolgens trilt men de buis weer naar boven en de betonnen paal zit in de grond; vierentwintig meter, is mij uitgelegd. Canadese familie die hier een paar weken geleden logeerde snapte er helemaal niets van. Gelukkig was mijn steenkolen Engels net voldoende om uit te leggen dat een ‘iron tube’ de grond in werd gestampt, ‘and after that: they do cement with steel in the tube’. Gelukkig is men met het laatste gedeelte bezig en zal eerstdaags het heien wel over zijn. Ook vanmorgen werden we er wakker van, ondanks het feit dat ons raam dicht was in verband met een overvloed aan boom-pollen. Half wakker probeerde ik mee te tellen, het lukte niet en ik dommelde weer in. Al snotterend achter mijn laptop probeer ik het opnieuw, maar weer raakte ik de tel kwijt; totdat ik ging turven. Driehonderdvijfenzestig? Te mooi om waar te zijn, zoveel als dagen in een jaar. Je voelt zo nu en dan ons huis meetrillen. De dagen van een jaar, zo zijn ze weer voorbij. Hetzelfde getal en een paal in de grond, tientallen zijn er inmiddels ingestampt. Mooi om te zien is dat na een meter of tien de buis opeens snel uit zichzelf zakt. Daar moet ondergronds toch flink wat veen zitten.

In december heb ik bij de gemeente Ouder-Amstel eens mijn licht opgestoken. Het is dan wel niet onze gemeente, maar dat verzinkbedrijf heeft ooit onze vijver en de oevers daarvan behoorlijk vervuild. Bodem en oevers werden ruim twintig jaar geleden afgegraven en ook veel tuintjes werden opgeschoond. Veiligheid voor alles! Nu geen schoonmaakwerkzaamheden, na de sloop werd er een soort net gespannen en daarover heen kwam een afdeklaag. De afdeklaag bestaat voor een groot gedeelte uit vermalen puin van de oude fundering.  Hoe veilig dit allemaal is, geen idee. Mijn vraag daarover werd niet beantwoord door gemeente, hoe vriendelijk men ook was bij het opsturen van de bouwtekeningen. Maar wie weet komen er op het dak van het ‘bedrijfsverzamelgebouw’ allemaal zonnepanelen en worden er alternatieve energievoorzieningen geïnstalleerd. Dat maakt dan misschien iets goed.

Dat ‘heien’ hield me trouwens wel bezig. Terwijl op de achtergrond de machine zijn werk deed, las ik in de krant van alles over die vermaledijde politicus Baudet. Stamp toch die hele partij de grond in, was één van de foute gedachten die bij opkwam. Net zoals ik zou willen dat na die 365 slagen mijn verdriet om Harm er niet meer zou zijn. Maar zoals je verdriet niet de grond in kunt stampen, kan dat ook niet met een politieke partij, hoe irritant ik de leider en zijn secondanten ook vind. Baudet kwamen we een aantal jaren geleden nog wel eens tegen in het Concertgebouw, dat pleit dan weer voor hem. Maar te laat binnen komen en dan heel verwaand achter in de zaal je plaats zoeken….. Vorig jaar stapte hij met een vriendin opeens binnen bij een schilderijenveiling in ‘De Eland’, aan de Weespertrekvaart. Al giechelend schafte Baudet een aantal slaapkamertafereeltjes aan. Van die zoet, flauw romantische schilderijen van rond de vorige eeuwwisseling. Terwijl de vriendin tegen Baudet aan kroelde, kwamen de andere bieders niet meer aan bod en Baudet was een verzameling blote dijbenen en borsten rijker. Wanneer ik hem op tv voorbij zie komen, staan gelijk die schilderijen op mijn netvlies. Waar zouden ze nu hangen?

Verdriet valt dus niet weg te stampen, maar met de Canadese tak van Coos haar familie (nicht Carolyn en haar man John), konden we ons verdriet om Harm delen. Een jaar na het verongelukken van Harm kwam hun tweede zoon om met een motorongeluk. Ik heb indertijd de ‘uitvaartdienst’ via internet terug gezien. Goed was het, om nu te kunnen delen, te huilen, elkaar vast te houden. John tipte mij een mooie Amerikaanse website. Stephen Ministry is genoemd naar één van de eerste diakenen; Stefanus. Hem komen we tegen in Handelingen 6: ‘Ze kozen ​Stefanus, een diepgelovig man, die vervuld was van de ​heilige​ Geest‘. En in vers 8: ‘Stefanus​ verrichtte dankzij Gods ​genade​ en kracht grote wonderen en tekenen onder het volk.’ Voor sommige Joden een reden om ontzettend boos te worden, de tijden zijn nog niets veranderd, uiteindelijk moet diaken Stefanus het met de dood bekopen. Zijn naam zij dus met ere genoemd. Een mooi item op de site van Stephen Ministry is een klein pakketje dat de naam “Journeying through Grief” draagt (Reis door verdriet). Het zijn vier kleine boekjes die je op gezette tijden en in de juiste volgorde stuurt naar iemand die een groot verlies in zijn leven heeft geleden.
Citaat: “Journeying through Grief is a set of four short, easy-to-read books that offer words of comfort and hope to those grieving the loss of a loved one. Individuals and organizations send each of the Journeying through Griefbooks to grieving people at specific, crucial times during that first year after a loved one dies. Each book focuses on what the person is likely to be experiencing at that time and provides care, assurance, encouragement, and hope. Journeying through Grief is a simple yet powerful way to extend care again and again during that difficult first year. Although the books are designed to help those in the first year of grief, people whose loss was more than a year ago have also found them extremely helpful. Each set includes four mailing envelopes and a tracking card to help you know when to send the books.”
Ook een jaar rond, 365 dagen. De hei-installatie wordt inmiddels afgetakeld, 189 keer is de buis de grond ingegaan en gevuld met beton. Hopelijk een stevig fundament voor 21 bedrijfsunits. Journeying through Grief” is misschien ook wel een fundamentje voor treurenden, zoals wij “Klaaglied voor een zoon” gebruikten en de verhalen van Manu Keirse en de columns van Femke van der Laan. Erkenning van verlies, wat tegelijkertijd ook gewoon weer het leven is.

Nummer 38, en nummer 100

Als ik Hans Werkman ontmoet, moet ik altijd even denken aan de ‘Bond Tegen Vloeken’. Soms heb je dat gewoon bij bepaalde mensen, een associatie die niet meer verdwijnt en meestal helemaal niet meer bij die persoon hoort. In het geval van Hans Werkman is het wel een gekke associatie. Dat zit zo, ooit op de Pedagogische Academie in Groningen moesten we voor het vak Nederlands een speciaalstudie doen. Leraar Nederlands, Bas Nap, attendeerde mij op Werkman, omdat hij alles zou weten over de dichter De Mérode. (Zie mijn blog in 2011 bij het verschijnen van de biografie van Willem de Mérode.) In 2011 schreef ik al over de envelop die ik uit Amersfoort kreeg. In de linkerbovenhoek zat een felgekleurde zegel met een papegaai en de tekst ‘wees geen na-aper’. De ‘Bond Tegen Vloeken’ verkoopt deze stickers niet meer, maar de papegaai staat nog steeds in het logo. Nu kun je trouwens grote ‘vuilnisbakstickers‘ kopen, om je buren en de vuilnisman er op te attenderen je vuile woorden weg te gooien. Die papegaai-sticker had trouwens niets te maken met de inhoud van de dikke envelop die ik kreeg, maar mijn wat vreemde associatie komt er wel vandaan.
Het was nog maar een paar dagen 2019 dat Hans Werkman zijn mailcontacten attendeerde op zijn tachtigste verjaardag. Niet dat we een uitnodiging kregen voor een groots opgezet feest in een of andere uitspanning, want daar is hij niet zo van. Afgelopen zaterdag stond er mooi interview-portret in het ND, een mooie inkijk in Werkmans leven; hij is niet zo van de feestjes. Werkmans mail ging echter over zijn te verschijnen ‘Verzamelde gedichten’, ter ere van die bijzondere verjaardag. Je kon intekenen op de speciaal genummerde editie. En al een paar weken blader ik er regelmatig in en lees en herlees. Mooie herkenbare dichtregels, maar soms ook raadselachtig en het overdenken waard. Nummer ‘achtendertig’ is het geworden, met een mooie opdracht op het schutblad.
In  mei 2015 ben ik mee geweest met de laatste ‘ND-Hogeland-tocht’ die Hans Werkman leidde. Een tocht met dichter De Mérode als leidraad. Met een bus reden we door het regenachtige Hogeland, naar Uithuizermeeden, Spijk en terug via schilder Helmantel in Westeremden. Werkman schreef er ooit een prachtige gedicht over en één van de regels uit dat gedicht levert de titel voor de ‘Verzamelde gedichten’; ‘Duizend bunder’. In het gedicht laat de dichter een wensdroom vrij: “Geef ons op de nieuwe aarde / duizend bunder nieuwe klei.” Een bunder is hetzelfde als een hectare, een veelgebruikte oppervlaktemaat door boeren. Het zette aan tot wat vreemde hersenspinsels. Leerlingen op school hadden vaak geen idee wat ares en hectares zijn, maar om een idee te geven zeiden we dat een hectare net flink wat meer is dan een gewoon voetbalveld. Twee hectare is ongeveer drie voetbalvelden. Duizend bunder klei, vijftienhonderd voetbalvelden; wie kan zich daar nog iets bij voorstellen? Waar een are 100 m² is, is een hectare of bunder dus 10.000 m². En zo maakt 100 bunder een vierkante kilometer. Duizend bunder is dus 10 km², maar dat valt best mee eigenlijk. Even googelen op Amsterdam; ruim 200 km². Hans Werkman blijft in zijn wens aan onze lieve Heer een bescheiden mens. We wensen Werkman nog vele mooie jaren, met boeken en misschien zo nu en dan een vers gedicht.

Nummer 38 bracht me bij nummer 100. Enkele dagen na het mailtje van Werkman werd op vrijdag 8 januari Cantate BWV 100 op ‘All of Bach’ gezet. “Was Gott tut, das ist wohlgetan”, een indrukwekkende cantate, met zo het lijkt een nogal aparte titel. Maar het mooie op de ‘All of Bach’-site is dat er altijd een uitgebreide uitleg is over het uitgevoerde werk. Ik citeer: “Contemplatie in de vorm van recitatieven ontbreekt; vier aria’s, waarvan één een duet is voor alt en tenor, jubelen onafgebroken en zonder enige reserve voort over Gods goedheid. Het lijkt alsof Bach een sterke behoefte voelde om, net als tekstdichter Samuel Rodigast in 1675, geen nadruk te leggen op de pijn van het lijden, maar op zijn rotsvaste vertrouwen in het goede van God. Rodigast schreef de hymne indertijd om de zieke cantor Severus Gastorius een hart onder de riem te steken. Het werkte, want de cantor knapte op en componeerde er zelfs een melodie bij, die de tand des tijds doorstond. Omdat de connectie van deze cantate met een specifieke zondag ontbreekt, kon deze lofzang op ieder moment worden uitgevoerd. Troost op alle dagen van het jaar: dat moet ook voor Bachs gezin, waarin tussen 31 augustus 1732 en 6 november 1733 drie kinderen overleden, van grote betekenis zijn geweest.”
Wat de ‘All of Bach’-site ook zo bijzonder maakt is dat naast de toelichting, ook de complete tekst er bij geleverd wordt. Je kunt dus meelezen in het Duits, met daarnaast een goede Nederlandse vertaling. En net als bij gedichten kun je nog eens teruglezen en natuurlijk terugluisteren; ter aanbeveling!
Wat God doet, is een weldaad, daar wil ik mij aan vasthouden. Ook als ik op mijn ruwe levensweg  word voortgedreven door nood, dood en ellende, zal God mij  als een goede vader in zijn armen houden; daarom laat ik hem graag begaan.
Ik eindig met een kwatrijn (blz. 110) van Werkman, het trof me bijzonder omdat wij elke dag wel even stilstaan bij de foto van Harm.

FOTO

Gezichtsrondingen achter glas geplet,
derde dimensie in kader bijgezet,
keer warm en haastig uit de dood weerom!
O Christus met uw zesde zintuig, kom!

‘De brand in het landhuis’ – podcast

Aangezien wij thuis zonder tv opgroeiden, was er alleen de radio. Een grote houten kast met vooraan een prachtig geel luidsprekerdoek en een groen oog. Onder de bovenklep zat een platenspeler, een fantastisch en vernuftig apparaat. Natuurlijk kwam er zo nu en dan muziek uit, maar hoe en wat kan ik me niet echt herinneren. Ik denk niet dat mijn moeder overdag bij het huishouden veel radio luisterde. Wel luisterden we soms naar een hoorspel, Jan Borkus en Donald de Marcas zijn namen die ik nooit vergeet. Maar misschien was dat ook wel een paar jaar later, toen ik op mijn eigen kamer radio luisterde. Van mijn eerst verdiende geld had ik een radio met een ingebouwde cassetterecorder gekocht. En wat was er nu heerlijker om gekluisterd aan het toestel te luisteren naar een hoorspel; Paul Vlaanderen, Biels en Co, de Koperen Tuin, Havank…
Helaas is het een verdwijnend genre en wanneer er nog een hoorspel op de radio is, dan is het in de kleine uurtjes. Natuurlijk kun je die terugluisteren, maar dat zit niet in mijn systeem. Tegenwoordig is de podcast erg in. Je schijnt dat zelfs via je mobiel te kunnen doen, maar daar ben ik niet van. Het is toch gewoon radio luisteren wanneer het uitgezonden wordt. Doordeweeks vaak Radio 4 en zo nu en dan Radio 1. Op zaterdag zijn Peter de Bie en Mieke van der Weij natuurlijk favoriet.

Maar ook de zaterdagmiddag heeft een fantastisch programma; Argos van de VPRO. Dit programma stelt op een zinvolle manier misstanden aan de kaak, goed journalistiek werk over achtergronden van het nieuws. Afgelopen januari werd een eerste deel van een podcast uitgezonden; ‘de brand in het landhuis’. Die uitzendingen, gewoon te vinden op internet en misschien ook wel via een app-je op je telefoon, zijn eigenlijk gewoon ouderwetse hoorspelen. Fantastisch gedaan door theatermaker  Simon Heijmans. En eigenlijk is het meer dan een hoorspelverhaal. Heijmans keert terug naar de plaats waar hij is opgegroeid, Vught, en verdiept zich in de brand van het landhuis Zionsburg waarbij de excentrieke eigenaar Ewald Marggraff om het leven kwam. Het luistert als een spannende detective en is ondertussen doorspekt met de persoonlijke kanttekeningen van podcastmaker Heijmans. Een intrigerend luistergenoegen, want elke aflevering heeft wel een forse cliffhanger. Verdwenen miljoenen, een verzameling schilderijen en de huisvriend van Marggraff die jaren tegen onrecht heeft gevochten. Luister en huiver!

https://www.nporadio1.nl/podcasts/de-brand-in-het-landhuis

Sirenes | In memoriam Harm 1982 – 2016 (77)

We wonen prachtig in Diemen-Zuid. ‘Vrij uitzicht’ aan de achterkant en we hebben  buren die elkaar op een gezonde manier in de gaten houden. Natuurlijk zijn er ook wel minpunten op te noemen, maar die kom  je in de folders van een makelaar niet tegen. Zo wonen we niet zover van een aanvliegroute van Schiphol, maar echt overlast geeft dat niet. Dat er hier in Diemen-Zuid veel fijnstof  in de lucht zit, vermeldt de makelaar ook niet. Dat fijnstof komt onder andere van de grote snelwegen hier tegen Diemen-Zuid aan. De kruising van de ring A10-oost met de Gooiseweg is vanaf ons huis nog geen kilometer en de hoge schermen houden veel tegen, maar er gaat ook veel overheen. Al dat optrekken van auto’s geeft extra veel uitlaatgassen. En aan de andere kant van de vijver achter ons huis is een overslagbedrijf gevestigd. Grote vrachtwagens met dieselmotoren rijden af en aan, ook goed voor flink wat uitstoot. Al die vervuiling, het hoort er gewoon bij. Er zijn mensen die er om verhuizen, maar waar moet je dan heen? Wikipedia zegt dat twee derde van het fijnstof uit ons omringende landen komt.
Maar het is natuurlijk niet de milieuvervuiling waar het mij nu om gaat. Er gaat geen dag voorbij dat we het we brommende gezoem van de snelwegen niet horen. Ook ’s avonds wanneer we ons te ruste leggen is er altijd die snelweg op achtergrond, soms onderbroken door een optrekkende motor of een malloot die op het industrieterrein hier achter zijn banden uitprobeert. Er gaat ook geen avond voorbij waarop de sirenes niet aanzwellen en wegsterven, soms gevolgd door een weer optrekkende brandweer of ziekenauto. En elke keer schiet het even door mijn hoofd; “Waarom toen niet, waarom gebruikte de agent van de ‘hondenbus’ op 14 september 2106 geen sirene?” Het is maar iets simpels natuurlijk, maar zo’n sirene roept elke keer toch weer iets wakker. Een gewone politieauto doet me niet zoveel, maar wel die sirenes.
Nu de artikel 12 procedure achter ons ligt en het Openbaar Ministerie een aanklacht gaat formuleren voor een komende rechtszitting, flits het nog vaker door mijn gedachten. Wanneer de chauffeur een sirene had aangezet en zijn zwaailichten had gebruikt, dan had Harm hem zien aankomen! Het licht had weerkaatst tegen de ramen van de Nassaukade, zoals ook de sirene door de gevels zou zijn teruggekaatst. Het is niet meer terug te draaien, maar o, wat zouden we dat graag doen. Dat het Amsterdamse Gerechtshof bevel gaf tot vervolging was al een hele opluchting en nu de beide officieren van justitie die we inmiddels hebben gesproken ook aangeven dat ’14 september 2016′ op het OM wordt aangemerkt als ‘een gevoelige zaak’, draagt dat bij in het verwerkingsproces. Er wordt met nadruk, heel serieus naar gekeken en als nabestaanden worden we met mededogen en respect behandeld.

Beeldengroep Hoofdbureau Politie (1940) Hildo Krop (1884-1970)

Bij het gesprek heb ik een foto over tafel geschoven. Onze advocaat maakte er ons op attent; de beeldengroep van Hildo Krop aan de gevel van het Hoofdbureau van Politie aan de Marnixstraat, hoek Elandsgracht. Zo’n 250 meter van de plek waar Harm verongelukte staat uitgebeeld waar de politie voor bedoeld is. Het zijn drie beelden op sokkels met daarboven het wapen van Amsterdam en een banderolle met de tekst “’t Gezag dat rust behoedt in stad en staat / waakt rusteloos tegen d’onrust van het kwaad”. (tekst van P.H. van Moerkerken). Het eerste beeld geeft aan de politie tot taak heeft de kinderen in de samenleving te beschermen, breder gezien is dat iedereen die zich niet kan verweren. Op de tweede sokkel staat naast de man ook een leeuw met het oude Amsterdamse wapen; de politie heeft gezag! De derde sokkel beeldt de verkeerspolitie uit, wielen met vleugels en een verkeersbord in de hand. Mooier en korter had beeldhouwer Krop het niet kunnen uitbeelden. Het herinnert ons eraan waar het op  ’14 september 2016′ en ook later bij het OM fout ging. Gelukkig is dat laatste nu rechtgezet en weten we ons verzekerd van een goede afhandeling.

Bij de jaarwisseling 2018 – 2019

alleen al vanwege de cartoons is een abonnement op de krant een plezier

Door de jaren heen heb ik de gewoonte ontwikkeld om er een schrijfboek op na te houden. Mijn MOLESKINE gaat overal mee naar toe. Naar de kerk, een discussieavond in de Rode Hoed, een promotie in de VU en ook mee op vakantie natuurlijk. Wanneer ik terug blader is het dan ook een samenraapsel wat betreft aantekeningen. Heel zo nu en dan staat er een tekening tussen omdat ik wil onthouden hoe een en ander is gebouwd of in elkaar steekt. Zo heb ik een keer bij een dienst in de Noorderkerk aan de Prinsengracht de plattegrond van dat prachtige gebouw zitten tekenen. Mijn laatste aantekenboek begint op Oudejaarsdag 2016 en is, op enkele bladzijden na, volgeschreven. Wanneer ik begin te bladeren vanaf het begin van dit jaar, kom ik van alles tegen. Preken, lezingen en heel zo nu en dan wat aantekeningen over dagelijkse gebeurtenissen. Sollicitatiegesprekken met kandidaat dominees voor de Oosterparkkerk, maar ook een studieavond met Otto de Bruijne in de OPK. Ik kom een verslag tegen van een gesprek met de hoofdcommissaris. Na een mailtje werd ik keurig uitgenodigd op het hoofdbureau en konden we nog eens rustig van gedachten wisselen over het verschrikkelijke ongeluk van Harm. Goed om nog eens te praten en te delen met een medebroeder. Inmiddels is bekend dat Aalbersberg gaat vertrekken naar Den Haag en Het Parool interviewde hem een paar weken terug. Bij een vraag over God, verwees hij naar het gewone dagelijkse christen zijn en wees daarbij op de “Hoop voor Noord” van Jurjen ten Brinke. Daar wordt leven met Jezus in de dagelijkse praktijk toepast, gaf hij mee.
Er is veel om met plezier op terug te zien, zoals een geweldig avond in Veenendaal, waar een optreden was van ‘Sons of Korah’. ’s Middags hield de leider van de band, Matt Jacobi, een verhelderende voordracht over ‘wraakpsalmen’, een indrukwekkend exposé.  Ik kijk uit naar de vertaling van zijn boek over de Psalmen. Mijn aantekeningen vullen zich bladzijde na bladzijde en ik zie wanneer naar mijn idee een dominee er niet veel van gebakken heeft; dan kom ik nog niet tot een halve pagina. Franca Treur komt voorbij, zij hield een boeiende lezing die een inkijk gaf in het Reformatorische leven. Ds. Brouwer van Duivendrecht had haar uitgenodigd in het kader van de 400-jarige herdenking van de Synode van Dordrecht. Treffende uitspraak van de schrijfster: “Mooi dat ‘schuld’ een plek heeft in religie.” Met dat laatste bedoelde ze waarschijnlijk toch gewoon het ‘gereformeerde/reformatorische geloof’ lijkt me.

Maar wat nu? Alles overziend… Wat heeft 2018 ons gebracht? In mijn aantekenboek en ook in mijn Moleskine-agenda kom ik de schaduw herhaaldelijk tegen. In kleine korte aantekeningen en gebeurtenissen. Harms vrienden die aanschoven aan tafel, de hele procedure met het Hof rond artikel 12 en de gesprekken met de advocaat. Al dagen wilde ik een spetterend jaaroverzicht maken. Wat zou ik deze keer doen? Alle gelezen boeken op een rij? Of een paar gebeurtenissen breed uitgediept en becommentarieerd? Een verhaal over solliciteren en weten dat het niets oplevert? Het werd het één niet en het ook het ander niet. Ook terugbladerend in mijn blogs, ik vond het niet.

de krant van zaterdag

Maar opeens vanmorgen, na het boodschappen doen voor iets lekkers bij het glas wijn op Oudejaarsavond, verdiepte ik mij in de zaterdagbijlage van de krant. Toen wist ik het, mijn terugblik wordt een oproep. Een oproep om meer de krant te lezen. In een gezelschap durf ik er soms niet eens meer over te beginnen, mensen reageren dan besmuikt. Ach.. een abonnement is veel te duur, ach je leest het nieuws maar van één kant, hmmmm.. je hebt toch gewoon nu.nl? Allemaal waar; voor veel andere argumenten ook, valt best wat te zeggen. Maar toen ik vanmorgen weer een poosje zat te lezen, kwam er maar één gedachte in mij op; dit moeten mijn broers en zussen in de kerk lezen, dit moeten mijn buren lezen, dit moeten….. Het essay van hoofdredacteur Sjirk Kuiper was er eentje om in te lijsten, zo goed. En daarna las ik het interview met Marilynne Robinson, stilzettend en diepgravend!
Vaak is het gewoon even die dagelijkse bezinning, bladeren en een artikel hier en een stukje daar. Soms iets laten liggen voor het weekend of de namiddag. Even de computer aan de kant, geen telefoon, maar gewoon de krant. Papier dat ritselt, dat makkelijk scheurt, dat we vroeger gebruikten als wc-papier, intrigerend, maar ook scherp en fel en positiebepalend. Het kan aanzetten tot discussie en je durft weer te vragen; hé heb jij dat ook gelezen?
Ik wens u een gezegend 2019, met vooral veel kranten-leesplezier!

dr. Jan Koopmans een ‘rechtvaardige’

“Je moet de moed hebben om het goede te zeggen en te doen,
ook als je niet moedig bent.”

Dr. J. Koopmans in ‘Bijna te laat’

Een week geleden zette ik ‘de laatste Jan Brokken’ in de boekenkast. Het indrukwekkende verhaal over ‘consul’ Jan Zwartendijk in Litouwen, ik schreef er al eerder over. Het is een aaneenschakeling van zulke onwaarschijnlijk bijzondere gebeurtenissen, dat je het nauwelijks vanuit ons perspectief kunt begrijpen. De moed die mensen opbrachten om Joodse vluchtelingen te helpen zodat ze op die manier een gewisse dood in de gaskamers ontliepen… En dat op een moment dat er nog nauwelijks iets over de massavernietiging bekend was. Brokken laat goed uitkomen hoe bizar het was dat Zwartendijk er na de oorlog voor op zijn kop kreeg van het Ministerie. Plaatsvervangende schaamte bekruipt je als je leest hoe Zwartendijk daar onder gebukt ging. Gelukkig heeft Brokken na eindeloos speuren ontdekt dat duizenden Joden door Zwartendijk zijn gered! Postuum werd hij dan ook ‘een rechtvaardige onder de volken’.
Twee weken geleden las ik in de krant dat Sobibor-overlevende Selma Engel-Wijnberg (96) is overleden, deed me ook weer denken aan de frustraties van Jan Zwartendijk. Vorige week werd een documentaire over haar op tv nog een keer uitgezonden. Ook hier spatte het bizarre onrechtvaardige er van af. Toen zij na veel ontberingen en omzwervingen als ontsnapte uit Sobibor, uiteindelijk na de oorlog met haar Poolse man in Nederland kwam, was de ontvangst meer dan kil. Het had maar weinig gescheeld of ze waren teruggestuurd naar Polen. In 2010 kwamen er eindelijk excuses, te laat trouwens, volgens mevrouw Engel-Wijnberg.

Afgelopen donderdagmiddag promoveerde er aan de VU een gereformeerde dominee (C.C. den Hertog predikant van de samenwerkingsgemeente CGKV van Nijmegen). Ik kwam een berichtje erover tegen in het blad ‘Onderweg’ en noteerde de datum in mijn agenda; een promotie over dr. Jan Koopmans. Het was de naam van Jan Koopmans die mij triggerde. In de herdenkingsbundel van 25 jaar ‘dr. M.B. van ’t Veerschool’ zoek ik de bladzijde waar zijn naam staat. In augustus 1981 betrok de van ‘t Veerschool, waar ik toen drie jaar werkte, een ‘nieuw’ gebouw. Het oude gebouw tegenover voormalig station Sloterdijk schoof langzaam de bouwput van een nieuw kantoorgebouw in en wij moesten dus verkassen. Aan de Slotermeerlaan kwam het gebouw van de Hervormde Schoolvereniging vrij. De ‘dr. J. Koopmansschool’ had te weinig leerlingen en ging op de in ‘Noordmansschool’. De naam van de dr. Koopmans verdween en inmiddels is ook de naam van dr. M.B. van ’t Veer niet meer verbonden aan een school. Ze hadden gemeen dat ze beide stierven in WOII. Ik heb geen idee of hervormde en gereformeerde predikanten in die tijd enig contact hadden, ook al woonden en werkten ze beiden in Amsterdam. Beiden predikanten liggen trouwens begraven op Zorgvlied. Als leerkrachten hebben we ons in 1981 verder niet verdiept in Koopmans. Volgens de herdenkingsbundel is hij vanwege zijn verzet in de Tweede Wereldoorlog omgekomen. Dat laatste is niet helemaal juist, daarom aan het eind van mijn blog de juiste toedracht. Jaren later kwam ik in een bundel van de Belgische schrijver Geert van Istendael een mooie hommage aan Koopmans tegen. Van Istendael roemt het pamflet van Jan Koopmans dat deze aan het begin de bezetting schreef (november 1940) onder de titel “Bijna te laat”. Koopmans verzet zich daarin hevig tegen de maatregelen van de Duitse overheersers tegen de Joden en vooral ook tegen de Ariërverklaring. Als theoloog vindt hij dat de kerk hier zijn geluid moet laten horen. Als daar dan een dominee op gaat promoveren is dat interessant genoeg om op een koude donderdagmiddag naar de VU te fietsen.

Zoals dat gaat bij een promotie werd promovendus den Hertog flink onder vuur genomen. Den Hertog maakte duidelijk dat dr. Jan Koopmans uniek was binnen de kerken, waar het ging om zijn openlijke verzet tegen het nazisme, hij koos duidelijk positie. Dat laatste kwam voort uit zijn manier van theologisch denken; geen lijdelijkheid preken! Aan het eind van de bijeenkomst kon professor Ad de Bruijne nog net een afsluitende vraag stellen. “Zou de kerk vandaag niet meer publiek moeten spreken? Moet de kerk niet spreken over de actualiteit, bijvoorbeeld in de VS over de moraliteit bij de hoogste leider, in Hongarije over gekozen vertegenwoordigers die zich gaan gedragen als despoten en moet de kerk zich in Nederland niet uitspreken over onrecht aan minderjarige asielzoekers en het kerkasiel in de Bethelkerk in Den Haag?” In de vraag van de Bruijne lag het antwoord haast al opgesloten, zo ervoer ik dat als toeschouwer in ieder geval. Hoe zou den Hertog dit verbinden met het spreken van Jan Koopmans? Helaas kwam de pedel het antwoord met belgerinkel en ‘hora est’ al na twee zinnen onderbreken. Jammer, want nu zou het “Bijna te laat” actueel gemaakt kunnen worden. Maar misschien is daar in het slothoofdstuk van de dissertatie nog meer over te vinden.

Uit: “Bijna te laat”

Koopmans werd op 12 maart 1945, vlak voor de bevrijding, getroffen door een verdwaalde kogel. Op zijn onderduikadres aan de Stadhouderskade, vanwege zijn openlijke spreken en hulp aan Joden, stond hij te kijken naar wat er op het Weteringplantsoen gebeurde. Daar werden als represaille door de Duitsers 30 mensen standrechtelijk geëxecuteerd. Op het na de oorlog opgerichte monument staan de beroemde regels van de VN-medewerker en dichter H.M. van Randwijk: “Een volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.”
In het Parool zie ik dat vandaag de GVB met betrekking tot WOII hernieuwd in de aandacht staat: ‘Er heerste een wegkijkcultuur’. Maar vandaag dan? Hoe zit het met de 16.000 vluchtelingen op de Griekse eilanden waarvan het leven wordt verwoest?

PS  Deze blog schreef ik begin vorige week, maar het lukte niet om hem te publiceren. WordPress was opeens ge-update naar 5.0. Met geen mogelijkheid lukte het toen om teksten op te slaan. Nu maar via via de hele zaak teruggezet. Het zal de leeftijd zijn…. Die 5.0 lossen we later wel op.
Inmiddels is het Kerstavond en in het Oosterpark had onze kerk weer een ‘lichtjespad’ georganiseerd. Het Kerstverhaal heb ik in verschillende varianten mogen voorlezen. Toch maar expliciet er bij verteld dat de engelen in de velden van Efratha “vrede op aarde, voor mensen Hem liefhebben en die Hij lief heeft!’ zongen!