Categorie: geschiedenis

Tja… zo dus… Proficiat 2026!

Als blogger heb ik geen vast ritme in mijn schrijfsels. Ik bladerde nog eens terug en ontdekte dat de veelheid van onderwerpen afgelopen jaar weer uiterst divers waren, maar dat geschiedenis en boeken toch wel de boventoon voerden. Vorig jaar sloot ik af met een blog over ergernissen en dat zou deze keer ook best kunnen. Ergernissen over het gevallen kabinet, over hoe het loopt met de formatie en het verdriet over de oorlog in Oekraïne, dat laatste gaat trouwens nog veel verder dan zomaar ergernis. Toch kwamen er zich niet zomaar echte onderwerpen aandienen. Maar toen we een paar dagen geleden oppasten bij de kleinkinderen had ik mijn laptop meegenomen om iets van een overdenking of jaaroverzicht te schrijven. De 1500 meter van het OKT was zo spannend, dat 2025 snel naar de achtergrond verdween. De kleinkinderen zochten hun bed op en ik zag dat even later op NPO 2 de documentaire over Daphne Wesdorp te zien was (te vinden op NPO start). Gelukkig, daar had ik mijn onderwerp. Mijn blog zou ‘helden’ gaan heten en daarin kon ik mooi een aantal inspirerende mensen noemen die mij het afgelopen jaar waren opgevallen. Al gauw had ik in mijn agenda een rijtje namen genoteerd.

foto: Sven Torfinn. Kramatorsk, Ukraine, november 2025

Je moet maar durven, als journalist al vier jaar aan het werk in Kramatorsk, dicht bij de frontlinie in het oosten van Oekraïne. Daphne Wesdorp is werkzaam voor het Nederlands Dagblad, fotografeert en schrijft over die verschrikkelijke oorlog die is ontstaan door de inval van Rusland. Als er weer een stuk van haar in de krant staat, bid je en hoop je dat die verschrikkelijke slachtpartij en verwoesting van levens, huizen en gebouwen ophoudt. Er zijn collega’s van haar omgekomen, toch gaat ze door. Mocht je de intense documentaire van Bram Vermeulen over haar nog niet gezien hebben, neem er dan echt eens de tijd voor; 35 minuten. Dan besef je nog des te beter waarom onafhankelijke pers zo belangrijk is en dat journalisten en fotografen iedere keer weer ons geweten opschudden. Daphne maakt als journalist ook indrukwekkende foto’s.

Een andere naam op mijn lijstje is Derk Sauer zie ik. Dat sluit mooi aan op Daphne Wesdorp. Wanneer er weer een stuk van hem in Het Parool stond, las ik dat vaak eerst. Boeiende verhalen schreef hij toen hij in Rusland woonde, over de politiek, maar ook over het gewone leven en zijn twee jongens die opgroeiden in Moskou en daar wortel schoten. Maar je voelde steeds vaker, eerst tussen de regels door, dat de sfeer veranderde. Totdat ze met z’n allen moesten vertrekken. Vrije pers niet meer welkom in Poetins rijk. Hij zorgde ervoor dat de gevluchte journalisten werden ondergebracht in Amsterdam en van daaruit nog steeds hun krant, The Moscow Times, kunnen maken.
Helaas overleed deze bijzondere journalist het afgelopen jaar na een ongelukkige val op zijn boot. In Het Parool geen strakke analyses meer van hem over wat er gebeurt in het Kremlin en ook over de afschuwelijke strijd tegen het zogenaamde fascistische Oekraïne. Sauer was jarenlang ook de bestuursvoorzitter van de IDFA, het jaarlijkse documentaire festival  in Amsterdam. Een functie die hij met veel passie vervulde. Ongetwijfeld zal er nog wel eens een documentaire over Derk Sauer gemaakt worden.

On my watch
Secretaris-generaal van de NAVO in oorlogstijd 2014-2024

Iemand die zich ook veel heeft bezig gehouden met Oekraïne was de vorige secretaris-generaal van de NAVO, Jens Stoltenberg. Onze oud-premier Rutte, de man met een nogal selectief geheugen, volgde hem op. Den Haag blij, maar wanneer je de bijna twee uur durende documentaire (ook op NPO-start) over het laatste jaar van Stoltenberg bij de NAVO hebt gekeken, begrijp ik niet hoe men Rutte tot opvolger heeft kunnen benoemen. Wat een integere en hardwerkende politicus zien we daar aan het werk. Gedoe met de VS, gedoe met een niet eensgezind Europa en dan toch proberen aan alle kanten Zelensky te steunen. Een staatsman met een groot statuur, die rustig met pensioen had kunnen gaan na jaren van hoogspanning. Maar nee, inmiddels is Stoltenberg gewoon minister van Financiën in Noorwegen. Je zult er maar zin in hebben. Het zou goed zijn wanneer er meer van dit soort bevolgen vrouwen en mannen op belangrijke posities te werk zouden gaan als Stoltenberg. Zijn biografie ligt in de boekhandel, hopenlijk lag het onder de kerstboom bij Jetten, Bontebal en Yeşilgöz, zodat ze eens flink hebben kunnen nadenken over hoe ze Nederland op het rechte pad willen krijgen en leerden ze daarbij van de wijze levenslessen van Jens Stoltenberg.

Op 17 juni j.l. sprak in de Waalse kerk, Samuel Wells voorganger in de Church of England en sinds 2012 de vicaris van St Martin-in-the-Fields in Londen. Hij kwam spreken over Geloven In De Publieke Ruimte. Een citaat uit zijn boeiende verhaal, waarin hij schets hoe we als christenen samen moeten leven in onze gemeenschappen; “Het gaat over een samenleving waar iedereen bij hoort. Het gaat over gedeelde zaken van blijvende waarde, wat Augustinus ‘gemeenschappelijke liefdesobjecten’ noemt. Het gaat over het opbouwen van vertrouwen. Het gaat over het worden van een samenleving waar anderen zich bij willen aansluiten. En het gaat over het zien van de dynamiek van het geven van een tweede kans.”
De afgelopen jaren mocht ik wel eens een ‘preek lezen’. Wat graag haalde ik dan een hoofdstuk uit ‘Wees Niet Bang’. Wells laat in zijn uitleg van bijbelverhalen steeds weer zien hoe genadig God is en hoe diezelfde God omziet naar de verschoppelingen in deze wereld en dat de kerk daartoe ook geroepen is. Een uitdagend en bevrijdend evangelie!
Ik hoop dat zijn onderwijs de kerken in Nederland blijvend zal inspireren. Wie zijn hele verhaal wil bestuderen, kan mij een mailtje sturen.

Mijn verhaal zou nog veel langer kunnen zijn, maar misschien moet ik de komende week toch een deel 2 schrijven. In mijn favoriete krant stond gisteren een boeiend interview met Jezuïet Nikolaas Sintobin. Onze vorige dominee liet ons met hem kennismaken in een boeiende cursus over ‘bidden’.  Het artikel eindigt prachtig. “Het nieuwe jaar aan God toevertrouwen, Sintobin vat het samen in één woord: proficiat. ‘We kennen die uitdrukking als ‘gefeliciteerd’, maar dat is niet de oorspronkelijke betekenis’, legt hij uit. ‘Het komt uit de katholieke liturgie. Als aan het einde van de eucharistie de priester met de misdienaars naar de sacristie gaat, zeggen ze tegen elkaar: proficiat. Het is een gebedswens, die betekent: moge het goed worden, moge het baten. Je hebt de communie ontvangen, de gemeenschap met de levende Heer. Moge die gemeenschap vruchten opleveren, zeggen ze tegen elkaar.”

Proficiat 2026, ik sluit me daar graag bij aan.

Tweede Boerhaavestraat

In 1980 kwam ik, net voor ons trouwen, in Amsterdam-Oost wonen. In de Transvaalbuurt, met straatnamen zo weggelopen uit de boeken van L. Penning. Pas later ontdekte ik dat de Transvaalbuurt in en voor de Tweede Wereldoorlog een Joodse buurt was geweest. Mijn schoonvader ruimde boeken op en nam voor ons de twee delen van Pressers ‘Ondergang’ mee. Al bladerend en lezend ontdekte ik dat uit onze buurt duizenden Joodse Nederlanders waren verdwenen in de Duitse vernietigingskampen. Een foto van Duitse overvalwagens op het Krugerplein, tussen foto’s van alle andere wreedheden van de fascistische bezetter. In die tijd was er weinig terug te vinden van de vernietiging van zoveel Transbuurtbewoners. Aan de Tugelaweg was een gedenkteken als nagedachtenis van een represaille-fusillade, maar dat waren Nederlandse verzetsstrijders. De tijd van ‘struikelstenen’ moest nog komen.

Pas rond de eeuwwisseling kwam er langzaam veel meer aandacht voor het wegvoeren van Joodse Amsterdammers. Met verschillende schoolklassen had ik al een paar keer de voormalige Hollandse Schouwburg bezocht. Boven de entree was een kleine tentoonstelling over de Holocaust, inmiddels is die collectie opgenomen in het indrukwekkende Holocaust Museum aan de overkant van de Plantage Middenlaan. Op één van de wanden hing een grote kaart van Amsterdam, met daarop precies aangegeven waar Joodse Amsterdammers woonden. Een kaart gemaakt door ambtenaren van de gemeente, in opdracht van de bezetters. De Transvaalbuurt is op die kaart bijkans zwart, elke stip, staat in de legenda, betekent 10 Joden. De kaart dateert van mei 1941, stap voor stap bereidde de bezetter zijn verschrikkelijke wandaden voor. De kaart komt natuurlijk ook voor in ‘Atlas van een Bezette Stad’ van Bianca Stigter op pagina 43. Op pagina 45 staat een kaart met een voorstel voor een ‘Joodsche Stadswijk’. De Transvaalbuurt hoorde daar natuurlijk ook bij, maar ook een groot gedeelte van de Oosterparkbuurt, tot aan de Amstel. De ‘Joodsche Stadwijk’ is er nooit gekomen, immers de eventuele bewoners werden ‘ausradiert’.

Rogier bij de presentatie van zijn 18e boek over Joden in Oost

Afgelopen maandag werd in de voormalige ‘Talmud Tora’ school aan de Tweede Boerhaavestraat (nummer 7) weer een monument toegevoegd aan de monumenten die er in de afgelopen jaren zijn ontstaan en opgericht als herinnering aan verdwenen Amsterdammers. Rogier Schravendeel, een verwoed amateur-historicus hield zijn 18e boek over verdwenen Amsterdammers ten doop. Deel 15 had Rogier op een Open Ochtend in de Oosterparkkerk  gepresenteerd en uitgedeeld, 2 mei dit voorjaar. Rogier heeft zich tot doel gesteld om van verschillende straten in Oost uit te zoeken welke Joodse bewoners zijn weggevoerd in de oorlog. Uit verschillende bronnen haalt hij zijn informatie. Het gaat om een korte levensbeschrijving, foto’s en de precieze data van geboorte en overlijden. Het deel over de ‘Tweede Boerhaavestraat’ bevat ruim 350 bewoners. Eén straat, meer dan driehonderdvijftig mensen. Er zijn 80 huisnummers, met vaak vier etages, dus naar schatting 280 tot 300 woningen. Na wat achtergrondinformatie over het ontstaan van de Tweede Boerhaavestraat en de verschillende scholen in deze straat, worden in het tweede hoofdstuk alle bewoners beschreven die verdwenen zijn. Op bladzijde 16 is Sientje Cohen-Herz de eerste. Geboren 1 mei 1869 en gestorven 5 oktober 1942 in Auschwitz. Zij woonde met haar dochter en schoonzoon op nummer 3-1, haar man was in 1934 overleden. Ook haar dochter en schoonzoon stierven in Auschwitz.
En zo gaat het, het hele boek door. 142 pagina’s. De opsomming eindigt bij nummer 78-huis. De laatste die genoemd wordt is Rosa Fanni Packer-Goldstein, zij stierf op 27 jarige leeftijd in Auschwitz. Haar huis staat naast het huidige gebouw van het Passantenhotel van HVO Querido, wat weer grenst aan ons kerkgebouw. Aan de even kant eindigt het op nummer 77 en daar verdwenen de bewoners op huis, van de eerste en ook de derde verdieping. En al is het dan meer dan 80 jaar geleden, je wordt er toch ongemakkelijk van. Rogier Schravendeel gaf in april al aan dat dit werk hem soms onpasselijk maakte, al die namen en persoonlijke geschiedenissen van mensen… Het is goed dat huidige bewoners van de Tweede Boerhaavestraat nu kunnen terug lezen wie er ooit in hun huis woonde, maar laat het ook een waarschuwing zijn voor vandaag en morgen.

Over de Talmud Tora school is op verschillende sites veel te vinden. Het is nu geen school meer, de lokalen zijn appartementen geworden. In 1982 werd het gekraakt en er schijnen nog steeds een paar ex-krakers te wonen. Enkel glas, slecht te verwarmen, maar de bewoners zijn blij met hin voormalige lokalen. Aan de buitenkant staat door stenen een beetje te laten uitspringen in het Hebreeuws ‘Talmud Tora’, wat betekent: School voor godsdienstonderwijs. Op het mooi smeedijzerhek stond het in gewone letters, maar die zijn verdwenen. Op verschillende sites is veel informatie terug te vinden. Op de site van het ‘Joods Cultureel kwartier’, maar ook van ‘Amsterdam op de kaart’. Op de website van ‘Joods Amsterdam’ is te lezen over de eerste steenlegging.

PS Onze kerk heeft als adres Oosterpark 5. Ooit was het de ’s Gravezandestraat. Maar de zijkant staat aan de Tweede Boerhaavestraat. Op dit moment is het er slecht parkeren, want een flink gedeelte staat in de steigers en wordt volledig gerenoveerd. De huurders zullen daarna flink in de buidel moeten tasten. Ooit waren ze bedoeld voor de arbeidende klasse….

 

Eerherstel voor Leendert Valstar

Eergisteren kreeg ik een mail van de initiatiefnemers van “Geef Straten Een Gezicht”. Het was gelukt! Het bord dat op de Leendert Valstarhof stond is vervangen. Half april schreef ik er al over (Leendert Valstar een ‘vroege verzetsstrijder’). Tot voor kort stond er een verhaal over een andere Valstar, een verzetsstrijder uit het Westland, die in 1944 werd gefusilleerd in kamp Vught. De straat was echter niet naar hem genoemd. Na wat heen en weer gemail is nu de juiste informatie te lezen. GSHG heeft een nieuw bord laten maken, wat keurig is gemonteerd door twee werknemers van het Stadsdeel. Goed werk!
Geen idee wie het gaat opvallen, maar voor de familie van Leendert Valstar is het toch een soort eerherstel.
Amsterdam-Slotermeer heeft tientallen straten met namen van mannen en vrouwen die in de oorlog zich verzetten tegen de Duitse overheersing. Sommigen hadden een ondergeschikte rol, anderen namen de rol van leider op zich. Met gevaar voor eigen leven hielden ze zich bezig met zaken die door de bezetters waren verboden. Achter de namen van al die mannen en vrouwen zien we ook al die mensen die met hen meededen en de oorlog wel overleefden. Die er vaak nauwelijks nog over wilden praten, maar het had wel degelijk zijn sporen nagelaten. Ook voor hen waren de verzetsstrijders die werden geëerd met een straatnaam, tekens van erkenning.

Buurman A. suggereerde via de app, dat ik maar moest bloggen over het politieke gedoe in Frankrijk. Omdat we al bijna twee weken in Frankrijk zijn, zouden we toch wel iets mee hebben moeten krijgen van alweer een nieuwe minister-president. Maar nee, hier in de Provence gaat alles gewoon zijn gang. Hier en daar een weg half opgebroken en mannen in oranje hesjes druk bezig, de lavendelvelden zijn geschoren en in de Bourgogne is de wijnoogst in volle gang. Hier in de Luberon zullen we eerstdaags ook wel de oogstmachines door de wijngaarden zien trekken. Gisteren (woensdag) maar eens voor het eerst het Franse Journaal aangezet. Her en der in grote steden relletjes en op grote wegen waren blokkades opgeworpen. Wij hebben het niet gemerkt, alleen dat er misschien minder kraampjes op de markt in Viens waren in vergelijking met vorig jaar. Het schijnt dat rechts, het midden en links in de politiek, fundamenteel met elkaar verschillen. De verschillen lijken onoverbrugbaar en men wil niet met elkaar in gesprek en al zeker niet polderen. Polarisatie alom, het is al net als in ons eigen verwarrende politieke landschap. Na wat doorzappen waren er zeker op vier verschillende zenders heftige discussies over de ‘waan van de dag’. Veel langs elkaar heen en weer gepraat zo leek het. Ook op tv ging het leven gewoon door, in een bizar lang reclameblok kwamen bijna alle automerken langs.
Het is misschien met oogkleppen op, maar we genieten toch ook volop van het fietsen hier in de heuvels en de prachtige uitzichten.
Trouwens ook hier heeft men aandacht voor wat er gebeurde in de Tweede Wereldoorlog. In elk dorp vindt je wel een standbeeld dat herinnert aan de beide wereldoorlogen. Op plaquettes vind je dan de namen van gesneuvelde dorpsgenoten. Eerst die uit de Eerste Wereldoorlog en daaronder een recentere plaat met hen die vielen in de Tweede Wereldoorlog. Opdat de mensheid niet vergete…. Maar het lijkt zo vaak tevergeefs.

Viens (Vaucluse) – 11 september

geboortegrond… afscheid

vergadering van keukenstoelen

Mijn vorige geboortegrond-blog dateert van 20 december. Ruim vijf maanden later hebben we afscheid genomen. Het was voor oudste broer niet meer vertrouwd om nog in zijn eentje het ouderlijke huis te bewonen. Gelukkig was er geen instortingsgevaar, maar eerder het gevaar van zijn  ziekte dat besloten moest worden dat het zo niet langer kon. Gelukkig hebben zijn kinderen een mooie plek voor hem gevonden in een verpleegtehuis, waar hij inmiddels al aardig gewend is. Al met al houdt dat wel in, dat oudste broer menselijkerwijs gesproken de laatste Wimmenhove is die woonde aan de Langedijk in Hollandscheveld. Ooit nummer 6, maar al heel lang nummer 24. Het boek gaat dicht; het huis met alle schuren en werkplaats zijn verkocht. Ongetwijfeld zal een en ander worden gesloopt, in ieder geval het woonhuis, want dat heeft echt zijn beste tijd gehad, oudste broer had de laatste jaren geen zin meer in renovaties.

Nog één keer hebben we over het terrein gewandeld, genoten van de uitzichten, door de schuren gesjouwd en gesnuffeld in de werkplaats. De oudste dochter had het goed geregeld, koffie en thee op de plek waar eens de ‘zwarte schuur’ stond. Ooit voor de varkens, later voor tweedehands meubels en uiteindelijk rommelschuur en onderkomen voor broers die er hun hobby’s konden botvieren. De ooit, volgens zeggen, verstopte geheime krantjes uit de Tweede Wereldoorlog zijn niet meer teruggevonden. Het haalde veel herinneringen boven. Onze eerste wc was er nog, maar op de plek waar ik ooit mijn eigen studeer-slaapkamer had was inmiddels een modernere toiletgelegenheid gemaakt en een keurige badkamer. Ook de zolder was niet meer wat het was. Kleine kamertjes hadden we, waar net een of twee twijfelaars in pasten, waar we dan met z’n tweeën in sliepen. Zelfs de opkamer was kleiner gemaakt. Ooit sliepen we er met z’n tweeën en konden soms niet in slaap komen als ernaast in de woonkamer een verjaardag werd gevierd met veel sigaren en sigaretten.
Na een laatste kop koffie hebben we de kinderen van oudste broer het beste gewenst bij het opruimen van het laatste losse spul, dat kost ze nog wel een paar zaterdagen.

Va zijn eerste handboor

Jongste broer, de orgelbouwer, zorgde voor de nadronk. Soep met broodjes en ondertussen herinneringen ophalen over onze jeugd aan de Langedijk. Mijn ouders zullen het de eerste jaren niet gemakkelijk hebben gehad, getrouwd midden in de oorlog en ze trokken in bij een druk huishouden. Na de oorlog was het inkomen van de kleine boerderij nauwelijks nog toereikend. Op allerlei manieren probeerde mijn vader voor meer inkomen te zorgen. Hij schafte als een van de eerste boeren in de omgeving een paard aan en de daarbij horende landbouwwerktuigen; een maaimachine, een schudder en ook een ploeg. Zo werd hij loonwerker, want bij andere keuterboeren was er werk te over. Omdat hij een gedegen opleiding had gehad op de landbouwschool kon hij dat op die manier mooi te gelde maken, hij zal zeker her en der advies hebben gegeven. Ook begon hij bijgebouwen te plaatsen voor de kippen en de aangeschafte werktuigen. Anderen zagen dat en op die manier kreeg hij ook timmerwerk, wat uiteindelijk uitgroeide tot een bedrijf voor hout en bouwmaterialen. Daarom kon ik het ook niet laten om een van de eerste gereedschappen voor zijn timmerwerk mee te nemen. Mijn vader heeft er waarschijnlijk heel veel gaten mee geboord.
Eensluidend waren we over het feit dat we best met veel vrijheid en ruimte zijn opgevoed en opgegroeid. Omdat ik zevende was in de rij van negen, heb je natuurlijk andere herinneringen dan de ouderen uit ons gezin. Eind jaren zestig en begin jaren zeventig was er veel werk en werd er flink gehandeld. De kleine bedoeninkjes rond Hollandscheveld kregen stromend water en riolering. Keukens deden hun intrede en Wimmenhove wist daar wel raad op. Oude dressoirs werden op het Waterlooplein ingeslagen en kregen een heus granito aanrechtblad, gemaakt door een Italiaanse firma uit Zuidlaren. Een gat in het midden van het dressoir en een likje verf, Bruynzeel kon het niet beter. Later konden ze in de zaak terecht voor nieuwe kozijnen en deuren en alles wat maar nodig was om huizen te renoveren. Een enkele knecht deed zijn intrede en ook een vrachtwagen was nodig om alle bestellingen rond te brengen.
Het betekende ook dat ons gezin het breder had dan toen de oudsten opgroeiden, de schnitzel deed zijn intrede en op zaterdag gingen we niet alleen naar de bibliotheek maar ook de hofleverancier van kruidenierswaren werd bezocht en Hoogeveen had gelukkig in die tijd wel drie boekhandelaren.
Ach, vervlogen tijden, maar we kijken in liefde om. En wanneer we weer eens langs de Langedijk rijden kunnen we meezingen met Daniël Lohues: “Hier kom ik weg.”

Leendert Valstar, een ‘vroege’ verzetsstrijder

Leendert Valstar 1896 – 1942

De medewerker aan de balie van het NIOD[1] had toch geen gelijk. In juni 1952 had de Amsterdamse gemeenteraad echt besloten om in Tuinstad-Slotermeer een groot aantal straten te vernoemen naar overleden verzetslieden[2] en nummer 20, van de 27, werd de Leendert Valstarhof[3]. Zo staat het in de analen van de gemeenteraad. Dat er vandaag de dag in deze straat een speciaal bord staat met een grote foto en tekst van de verkeerde Valstar, zette de NIOD-medewerker even op het verkeerde been. Die ‘verkeerde’ Valstar kende hij uit de archieven; een bekende verzetsstrijder, misschien had de gemeente zich wel vergist. Maar nee, de gemeente had zich niet vergist; ‘Stichting Geef Straten Een Gezicht’[4] had zich vergist.
Zij hebben de ‘Leendert Valstarhof’ opgesierd met een uiterst informatief bord over Leendert Marinus Valstar (1908 – 1944)[5], een Westlandse verzetsstrijder. Deze laatste is na de oorlog her en der vernoemd, omdat hij hoorde bij het gewapende verzet (LO/KP) en uiteindelijk op een wrede manier in september 1944 is gefusilleerd in kamp Vught, omdat de bevrijders in aantocht waren. Een min of meer begrijpelijke persoonsverwisseling, alhoewel als je in de straat gaat kijken zie je een blauw straatnaambord met de juiste Valstar en juiste info en enkele meters daarvandaan een bord met een pijprokende Valstar en hele andere geboorte en sterfdata. Niet het ‘gezicht’ van deze straat.

Leendert Valstar, van de Leendert Valstarhof, trad op 1 april 1917[6] in dienst van de gemeente Amsterdam afdeling Militaire Zaken, daarvoor was hij werkzaam op de secretarie van de gemeente Delft waar hij ook geboren was. In 1926 trouwt Leendert met Huibertje Hollaar, samen krijgen ze acht kinderen. In januari 1935 krijgen ze een tweeling, jongens, maar de ene sterft na twee maanden en de ander wordt net een jaar. In de zomer van 1936 wordt er nog een meisje geboren, maar deze zal haar moeder waarschijnlijk niet gekend hebben, want Huibertje overlijdt in oktober 1938. Vader blijft dus achter met zes kinderen, variërend in leeftijd van twee tot elf jaar, een zware opgaaf. Volgens een aantekening in het dossier van Stichting 1940-1945, versleet Valstar zeven huishoudsters, totdat zijn ongetrouwde jongere zus Dirkje, net tweeëndertig geworden, in januari 1941 orde op zaken komt stellen. Leendert en Huibertje hebben op verschillende adressen gewoond en volgens het bevolkingsregister vanaf mei 1934 op  Latherusstraat 17-huis. De huizen in deze straat dateren van rond 1930. Leendert werkte op het gemeentehuis en zal op die manier met vrouw en een paar jonge kinderen wel in de nieuwbouw in Noord terecht te zijn gekomen.

Wanneer in mei 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbreekt is Leendert al gauw betrokken bij het verzet. Hij was inmiddels bevordert op het stadhuis tot commies[7]. Al snel na de capitulatie kwamen in het geheim ‘voormalige’ militairen (LOF[8]) bij elkaar om plannen te smeden voor de dag dat de Duitse bezetter verdreven zou zijn. Ze dachten na over arrestaties van NSB-ers, het herstellen van de orde en ook het beschermen van essentiële bedrijven. In Amsterdam-Noord was veel industrie, vooral scheepsbouw en Leendert zal waarschijnlijk een aantal zaken in kaart hebben gebracht. En als ambtenaar had hij ook nog het voordeel dat hij op het gemeentehuis allerlei gegevens bij elkaar kon sprokkelen. Chris Bührmann (werkzaam op het gemeentehuis van Diemen) schreef een boek over de organisatie waar hij bij betrokken was en waarvan ook Valstar deel uitmaakte[9]. “Als Commandant van Wijk II Groep Noord, was bij het oprichten van de organisatie opgetreden de reserve-Kapitein der Infanterie, L. Valstar. In December 1941[10] was Valstar door verraad gearresteerd. Bij zijn verhoor had hij steeds voorgewend op eigen gezag te handelen. Door deze wijze van optreden heeft hij Groepscommandant Noord en de hogere leiding veilig gesteld. Valstar is nimmer veroordeeld, doch men heeft hem niettemin naar Duitsland overgebracht, waar hij op 2 september 1942, in de leeftijd van 46 jaar, is overleden. (foto no. 18  L. Valstar)[11]

Waarvoor Valstar precies is opgepakt blijft onduidelijk. Bij het NIOD en ook het Stadsarchief zijn daarover geen dossiers. Wel vond ik, dat ook ene Henricus Rempe dezelfde dag werd gearresteerd, deze was ook betrokken bij het LOF dat in 1941 was samengegaan met de OD, de Ordedienst. Getuigenissen in het archief van St. 40-45 vertellen dat het werk bestond uit ‘het vormen van groepen en afdelingen om later als het nodig was alle grooten Gebouwen en Fabrieken te kunnen bezetten. (getuige Jansen, maart ‘48) K. Rempe (familie van H. Rempe, deze kwam ook om in een kamp) zegt in een getuigenis: “Wijlen de heer Valstar was niets te veel, zijn woorden waren altijd “alles wat ik tegen kan werken zal ik niet laten”. Volgens mij heeft hij dit ook trouw gedaan. Ik ben persoonlijk bij hem geweest dat hij onder moest duiken.”
J. Walsema schrijft een brief aan St. 40-45 en meldt dat Valstar is verraden door ene van der Star. “Veldhoen moest in het huis van bewaring verschijnen (Weteringschans, waar Valster was vastgezet) maar ontkende Valstar te kennen… wierp deze aan Veldhoen een blik van grote dankbaarheid toe.” “van der Star later WA en landwachter of SS. Hij wordt nog gezocht!”[12]
Tot medio april heeft Valstar in de gevangenis aan de Weteringschans vast gezeten en is daarna weggevoerd naar Kamp Amersfoort en twee weken later naar Kamp Weimar-Buchenwald. Buchenwald was een werkkamp en volgens de documenten werden de gevangenen zelfs betaald. Als “Verdacht illigaler Betätigung” was hij op 2 april 1942 als nummer 1000 ingeschreven, met S.D. Amsterdam als afzender.  De overlijdensakte van Leendert Valstar vermeld dat hij is gestorven op 2 september 1942, “Todesursache akute Colitis (Dickdarmentzündüng)[13]”. Op de Latherusstraat werden eind september een paar lage schoenen en een stel bretels bezorgd, de nalatenschap van vader Leendert. Of de 12,58 RM[14], wat overgebleven was van het werk van Leendert Valstar, ook werden afgegeven is onduidelijk
Op 10 september stond er al een overlijdensbericht in de Delftse Courant van de vader van Leendert. En een dag later had de Standaard (het gereformeerde dagblad) een overlijdensbericht van de Gereformeerde Mannenvereniging waarvan Valstar waarschijnlijk lid was. Men was dus best snel op de hoogte van zijn dood.

De zes kinderen Valstar waren nu wees. Tante Dirkje werd hun voogd en heeft de rest van de oorlog en ook daarna nog een aantal jaren, voor hen gezorgd. Toen een Rotterdamse vriendin haar om hulp vroeg om een Joodse man te verbergen, aarzelde ze niet. Ze schijnt gezegd te hebben, er wonen hier toch al zoveel mensen, die kan er ook nog wel bij. Zo kwam de bijna dertigjarige diamantslijper Tobias Leendert Bamberg in de Latherusstraat terecht. Theo was opgegroeid in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost, zijn ouders, vijf zussen en een broer zijn allemaal weggevoerd en nooit meer teruggekomen. Eén nichtje van hem heeft het overleefd en werd na de oorlog opgenomen in het gezin Bamberg-Valstar. Dirkje nam de onderduiker na de oorlog mee naar de gereformeerde kerk, hij volgde catechisatie en in februari 1948 trouwden Dirkje en Theo. Ze kregen samen twee dochters, waarvan de oudste nog steeds in haar geboortehuis aan de Latherusstraat woont.

‘De erelijst van gevallenen’ in de Statenpassage van de Tweede Kamer vermeldt op pagina 723 de naam van Leendert Valstar[15]. Een onbekende verzetsstrijder, maar wel één die vanaf het begin van de oorlog begreep dat je je moest verzetten waar je kon. Door te zwijgen tegenover zijn ondervragers redde hij anderen het leven. Het lijkt maar een klein verhaal en doordat hij al in begin 1942 werd opgepakt, bleef zijn verzetswerk onbekend. Pas aan het eind van 1942 en in de loop van 1943 werd het verzet in ons land heftiger. In die zin was Leendert Valstar een voorloper. Daarom is het goed als in Slotermeer de Leendert Valstarhof zijn ‘gezicht’ krijgt.

Dan nog de vraag of Leendert en Leendert Marinus familie van elkaar waren. Gelukkig is er tegenwoordig van veel families een stamboom te vinden op internet, daarom toch maar eens zoeken. De gezamenlijke voorvader zit in de 18e eeuw. Claas Willemsz Valstar leefde van 1707 tot en met 1780, werd dus 73 jaar. Valstar is wel bij uitstek een Naaldwijkse familie. Jacob Valstar, de vader van Leendert was geboren in Naaldwijk en zijn hele voorgeslacht, waaronder veel tuinders, tot en met de betovergrootvader van Leendert, allen geboortig in Naaldwijk. Leendert Marinus Valstar was ook geboren in Naaldwijk evenals al zijn voorvaders. Alleen bij de gezamenlijke voorouder Claas Willemsz staat dat deze geboren is in de Oranjepolder. De Oranjepolder is een polder en voormalig waterschap in de gemeenten Maassluis en Naaldwijk.

De vergissing uit het begin van dit verhaal, is niet de enige. Wanneer je op Wikipedia[16] gaat zoeken naar Leendert Marinus Valstar, is er een goed verhaal over hem te vinden. Bij het verhaal staat geen foto van deze Leendert Marinus, maar een mooie foto van twee gemeentearbeiders met straatnaamborden, bestemd voor de nieuwe straten in Slotermeer. Maar ja, die straat is genoemd naar Leendert Valstar, niet die van het verhaal. Er staat zelfs aan het eind, dat er in Slotermeer een straat is vernoemd naar de verzetsstrijder in het artikel. Maar nee dus.

 

[1]  Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies

[2] “De behoefte aan namen voor overige de overige straten van Tuinstad-Slotermeer biedt de mogelijkheid, de bij ons reeds lang bestaande wens te vervullen, overleden verzetslieden in straatnamen te gedenken. De namen dergenen die wij U voor het eerste gedeelte van Tuinstad-Slotermeer daartoe voorstellen te kiezen, zijn ontleend aan opgave van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.” Citaat uit het Gemeenteblad van 20 juni 1952. Op 27 juni werd aldus besloten, 27 gesneuvelde verzetslieden krijgen een straatnaam.

[3] Leendert Valstar, geboren te Delft 11 juni 1896, overleden in kamp Buchenwald 2 september 1942

[4] De Stichting heeft toegezegd dat het wordt aangepast, wanneer er een juiste foto beschikbaar is.

[5] Over hem is op Wikipedia meer te vinden. Zie noot 16.

[6] Gemeente Amsterdam meldt dit op de vraag van Stichting 1940 -1945. Deze Stichting kende na de Tweede Wereldoorlog uitkeringen toe aan weduwen en wezen waarvan de man of vader was omgekomen in het verzet tegen de Duitse overheersers.

[7] Commies is een voormalige ambtelijke rang in Nederland. Het gaat om een administratieve ambtenaar van middelbare rang, lager dan een referendaris, maar hoger dan een klerk (bron: Wikipedia).

[8] LOF = Legioen Oud-Frontsoldaten

[9] “Het Algemeen Hoofdkwartier maakt bekend……” In het archief van NIOD bevindt zich een afschrift van het niet gepubliceerde manuscript.

[10] Moet zijn 9 januari 1942

[11] Foto niet aanwezig in het archief van NIOD

[12] Dossier over Leendert Valstar van Stichting 1940-1945, in het Nationaal Archief te Den Haag

[13] Doodsoorzaak: acute colitis (ontsteking van de dikke darm)

[14] Reichsmark (R.M.)

[15] Op pagina 724 staat Leendert Marinus Valstar vermeld.

[16] https://nl.wikipedia.org/wiki/Leendert_Valstar

opa Fake, opoe Liebigje en AI

Kunstmatige intelligentie of artificiële intelligentie (AI) begint steeds gewoner te worden. Terzijde opgemerkt dat de meeste mensen spreken over AI en niet de hele term uitspreken vanwege zijn onuitspreekbaarheid en de afkoring KI is nooit echt ingeburgerd voor kunstmatige intelligentie. Ik ben er trouwens wel voorstander van om alleen de Nederlandse term te gebruiken. In het praatprogramma ‘Eva’ zat Alexander Klöpping weer eens aan tafel. Hij weet alles, nou ja, bijna alles, over kunstmatige intelligentie en liet zien hoe hij na een lezing op een school feedback kreeg van ‘AI-programma’, dat via een microfoontje meegeluisterd had. Indrukwekkend en zeker hier en daar zeer goed ter zake. Klöpping liet bijvoorbeeld ook zien hoe kunstmatige intelligentie inmiddels op een slimme manier psychologische hulp kan geven. Word ik er bang van of verontrust het? Moeten we er ons tegen verzetten? Soms zijn simpele antwoorden niet zomaar te geven.

Ooit vond ik het overdreven dat het hoofd van onze school iets begon met computers. Bij het katholieke administratiekantoor volgden we (min of meer verplicht) onze eerste cursussen op een computer. We gebruikten in die tijd nog van die slappe floppy’s. Later werden ze kleiner, met een schuin hoekje. Op de rommelkamer heb ik her en der nog stapeltjes liggen. Geen idee of er nog wat op staat en hoe ik het er af zou moeten krijgen… ‘Error’, dat was voor ons in die begintijd wel een heel belangrijke term en we hebben zeker veel fouten gemaakt. Uiteindelijk wende het, kochten we ook voor thuis een computer en nu in 2025 weten we niet beter. De grote kasten en beeldschermen werden een simpele laptop, waarop ik nu mijn blog kan invoeren. Verandering, het is blijkbaar niet tegen te houden en we raken er snel aan gewend. Waar we in het begin nog morele en ethische bezwaren zagen, maken we er nu volop gebruik van. Onze grootouders zouden er niet veel van begrijpen, dat is zeker.

Gezin Fake Wimmenhove in 1928 (ws)

Het zijn van die gedachten die bij mij opkwamen toen mijn broer de foto van opa Fake en opoe Liebigje ‘door AI had gehaald’. Waar het dus al niet goed voor is. Afgelopen weekend waren we namelijk met broer, zus en schoonzus op het Drentse platteland. Broer had twee oude fotoalbums meegenomen, die ooit door onze moeder zijn volgeplakt met foto’s uit de ‘blikken doos’. Die doos was best bijzonder, die kwam zo nu en dan op tafel en dan moest va of moe vertellen wie het allemaal waren op die foto’s. Trouwfoto’s van ooms en tantes, oude schoolfoto’s, foto’s van onderduikers Frans en Gijs, enzovoort. Intrigerend en de verhalen erbij maakten indruk. Eén van de mooiste foto’s uit die doos, is er één met onze grootouders en hun gezin. Voor zover we konden achterhalen is de foto gemaakt bij het 25-jarig huwelijksjubileum van onze grootouders. Thuis spraken we trouwens altijd over opa en opoe. Opa Fake woonde toen we klein waren bij ons in, maar je kunt het ook omkeren, wij als gezin woonden bij hem in. Toen onze ouders trouwden in oktober 1942, gingen ze bij de ouders van onze vader inwonen. Zijn oudere broer Harm woonde er ook nog , dus dat werd toen een heel huishouden. Mijn oudste zus en broer werden in de oorlog geboren, allemaal in dezelfde woning. Kort na de oorlog overleed opoe Liebigje, ze had waarschijnlijk Parkinson (de ‘bibberziekte’ zegt mijn zus). Op de trouwakte van mijn ouders zet ze dan ook niet haar handtekening, ze kan het niet meer; vanwege hevig beven. Op een oudere akte is haar naam wel te vinden en is te zien dat de k’s van Kikkert (haar familienaam) alle kanten opgaan.
Als de foto echt in 1928 is genomen (fotograaf met een driepoot, die onder een zwarte doek kroop), dan zijn opa en opoe allebei 53 jaar, ze waren beide geboren in 1874. Van links naar rechts: ‘kleine’ oom Harm (14), tante Hennie (19), onze vader Roelof (11), ‘grote’ oom Harm (23), tante Manna (17) en tante Marie (zittend, 21). Als zwart-wit foto is hij al heel bijzonder, maar nu in kleur geeft het meer leven. Ze kijken allemaal behoorlijk streng op deze foto, maar misschien was dat vanwege de lange sluitertijd, je moest natuurlijk wel strak naar de fotograaf blijven kijken.

Opa Fake woonde dus bij ons in. Een bed, een stoel en een kachel met daarnaast op de grond het spuugbakje. Met een mooie boog kwam daar het bruine drap van zijn pruimtabak in. Eind 1964 is hij gevallen en brak zijn heup. Omdat mijn moeder hem niet kon verzorgen, is hij de laatste weken door tante Marie verzorgd. Op zondagmorgen na kerktijd gingen we dan bij hem op bezoek. “Ooh, bin ie der ientie van Roelef…” Een eigenzinnige man moet het geweest zijn, hij joeg een keer Duitse soldaten van het erf die op zoek waren naar onderduikers. Als mijn moeder druk was en hij niet snel genoeg zijn eten kreeg, dan sloeg hij met zijn lepel op de rand van zijn bord en riep: “Jantie, eet’n…”

NB Op radio Klassiek kwam een item voorbij over ‘de Boom van het Jaar-verkiezing 2025’. Nu onze oudste broer niet meer thuis kan wonen vanwege zijn ziekte, heb ik de ‘beroemde es’ waar hij altijd liefdevol over sprak genomineerd. Ik kon alleen niet uitvinden op wiens grondgebied deze boom staat. Maar er is vast een bloglezer die mij verder kan helpen. (zie blog: Geboortegrond)

Trump, Mankes en Grote Zwartrok

Het zijn aan de ene kant zeker verwarrende tijden. De Amerikaanse president die samen met zijn vicepresident Europa de gordijnen injaagt en steeds meer rechtse partijen die groter worden in ons werelddeel. Het voelt hier en daar best angstaanjagend. Wat zal er met ons land gebeuren? Moeten we vrezen voor verschrikkelijke puinhopen als in Oekraïne of Gaza? Met kramp in mijn lijf heb ik zitten kijken naar het geraaskal van Trump en zijn vicekompaan tegen Zelensky. Sommige commentatoren duiden het als een puberale ruzie, maar dat was het niet. Het was niet de president van Oekraïne die ruzie maakte, hij bleef zo rustig mogelijk, terwijl hij als een klein jongetje werd afgeblaft. Wat een tenenkrommende, walgelijke en schofferende vertoning. Dat doet terugverlangen naar een weldenkende president als Obama. Het slappe gepraat aan talkshowtafels voegt ook al niets toe. Had ie maar een tolk mee moeten nemen…, had ie maar Trump een vetleren medaille opgespeld…, had ie maar naar Mark Rutte moeten luisteren. Gelukkig is er nog Derk Sauer die stevige taal weet te spreken in Het Parool.  Europa, gedwongen om nu eindelijk toch  maar eens samen te werken, roept om extra bewapening, honderden miljarden moeten er geïnvesteerd worden volgens mevrouw Von der Leyen.

Mankes laatste zelfportret

Vorige week waren we in Museum Arnhem, waar deze maanden een prachtige overzichtstentoonstelling is van de veel te jong gestorven schilder Jan Mankes (1989 – 1920). Tegen alle zogenaamde moderne stromingen in, schilderde Mankes in zijn tijd gewoon figuratief. Het leverde prachtige verstilde schilderijen en grafiek op. Mankes trouwde in 1915 met Anne Zernike, de eerste vrouwelijke dominee van Nederland. Ze hadden elkaar gevonden in hun afkeer van uitbuiting, geweld en de liefde voor de natuur. Ooit op de PA maakte kunstgeschiedenisdocent Willem Meijer ons enthousiast voor de voorlopers van Henk Helmantel en Mankes behoorde daar zeker toe.
Op één van de wanden in Museum Arnhem staat een uitspraak van Jan Mankes uit 1914. “Alleen als het Christendom nog eens waarlijk ontdekt mag worden [….] zullen we als vanzelf de wapenen niet kunnen grijpen.” Een uitspraak om over na te denken en op te kauwen, zeker in het kader van de huidige onrustige politieke tijden. Wat zou het bijzonder zijn wanneer Poetin, Trump en ook de leiders van Europa, zich werkelijk iets gelegen zouden laten liggen aan een evangelie van vrede, verzoening en vergeving. Jan Mankes en zijn vrouw leefden in een tijd dat Europa volop in brand stond. Tijdens de eerste Wereldoorlog sneuvelden miljoenen onschuldige mensen. Nederland was neutraal, maar werd wel overspoeld door vluchtelingen. Mankes wist dus van oorlog en wat voor verschrikkingen dat met zich meebracht. Een andere tijd was het ruim honderd jaar geleden en Nederland hield zich zogenaamd neutraal; ondertussen verdiende het wel miljoenen door zowel met Duitsland als met de geallieerden stiekem handel te drijven. Vandaag verdringen de lobbyisten van de  wapenfabrikanten zich bij de voordeur van Defensie. Maar moeten we dit willen?  Heeft de boodschap van de Gekruisigde niet een veel sterkere boodschap? Gisteren haalden we een askruisje; “Stof ben je en tot stof zul je weerkeren.” Waarvan akte.

Hoe moeten christenen vandaag reageren op de nu weer ontstane wapenwedloop? Moet ons land perse het defensiebudget op hogen? Moeten we weer munitiefabrieken gaan bouwen? Dringende vragen en ik weet ook niet zomaar het antwoord. Maar de zachtaardige schilder Mankes zet wel aan het denken en ondanks het feit dat hij maar dertig werd, liet hij een schitterend oeuvre na. In Oranjewoud is trouwens een ander deel van zijn ouvre te bewonderen.

Nog een paar kanttekeningen bij de houding van de VS en zijn president. Sommige kranten wezen terecht op de geschiedenis in dezen. De houding van de VS voor WOII was al niet anders. Omdat Japan de VS aanviel en Hitler samenspande met Japan, ging men in de Verenigde Staten overstag. Maar een land als Polen trof toen hetzelfde lot als Oekraïne nu. Polen werd gewoon weggegeven aan Stalin, met alle gevolgen van dien. De Europese landen waren nog aan het bijkomen van WOII en konden dus niet veel betekenen. Laten we dus niet verbaasd zijn.

Pater De Smet tussen zijn vrienden, de Plathoofdindianen.

De volgende kanttekening komt uit een documentaireserie van Arnold Hauben. In ‘De Helden van Arnout’ reisde hij onder andere de Vlaamse missionaris Pieter-Jan De Smet, bekend als Grote Zwartrok, na. Via de ‘Oregon trail’, een eeuwenoud pad richting de Rocky Mountains, gaat De Smet naar de Plathoofdindianen. Hauben reisde hem, tweehonderd jaar later, na en ontmoet in een reservaat (te gek om over na te denken) een achterkleinzoon van het stamhoofd dat indertijd vriendschap sloot met pater De Smet. Zittend aan de rivier praten ze samen over het verleden. Op de vraag van Arnout Hauben wat de voorouders van het huidige stamhoofd anders hadden moeten doen, zegt het stamhoofd: “Ze hadden een ander immigratiebeleid moeten voeren!”
Voor wie weinig van de geschiedenis van de oorspronkelijke geschiedenis van de Indianen weet, kan op internet veel vinden. Lees het boeiende artikel op “De Katholieke Contrareformatie in de 21ste eeuw” over pater De Smet. Huiveringwekkend hoe men toen medemensen uitroeide  en marginaliseerde, er is onder Trump niet veel veranderd lijkt het.

Dacia

Op 20 december schreef ik een blog onder de titel: ‘geboortegrond’. We sloten ons reisje door het noorden van het land af met een bezoek aan het Drents Museum. Jazaker, hetzelfde museum dat afgelopen weekend zo in het nieuws was. De reden was de boeiende tentoonstelling over de Hoogeveense kunstenaar en schrijver Albert Steenbergen. Broer Henk had mij geattendeerd op het boek dat bij de tentoonstelling hoorde en wees mij er op dat het bij ‘De Slegte’ al in de aanbieding was. Een boeiend boek, met een goed overzicht van het leven en werk van de Hoogeveense kunstenaar.
Omdat we eerst de kunstwerken van Steenbergen hadden bekeken kwamen we min of meer aan het  eind terecht van de vaste tentoonstelling ‘Labyrinthia’. De zalen over de turfwinning waren mooi vormgegeven en maakten duidelijk wat voor impact de turfwinning in ZO-Drenthe heeft gehad. Een volgende keer gaan we de hele tentoonstelling nog eens bekijken.
Na de lunch zijn we afgedaald in ‘Dacia – Rijk van goud en zilver’. Bij Dacia had ik alleen maar een beeld van een goedkope Roemeense auto. De tentoonstelling krikte ons kennisniveau gelukkig flink op. Omdat we niet zoveel tijd hadden, zijn we er vrij snel door heen gegaan. Gelukkig heb ik wel een foto gemaakt van de beroemde gouden helm van Coțofenești uit circa 450 voor Christus. Achteraf gezien dus best bijzonder, want inmiddels hebben de dieven deze helm laten onderduiken of zelfs omgesmolten. De topstukken waren best bijzonder, maar we hadden wel indrukwekkender tentoonstellingen in de ondergrondse zaal gezien. Er was heel veel schriftelijke info en ook werden jonge bezoekers gestimuleerd om zelf sieraden te maken. Wel mooi om een vergeten volk op deze manier weer voor het licht te brengen. Dacia (of Dacië) was een groot rijk in het huidige Roemenië.  (500 v.Chr. tot ongeveer 250 n.Chr.) Omdat de Romeinse keizers zich belaagd voelden door dit rijk en ook uit was op hun grondstoffen (goud) ging keizer Trajanus de strijd aan. Hoofdstad Sarmizegetusa werd met de grond gelijkgemaakt en de bewoners werden of gedood of tot slaaf gemaakt. Trajanus maakte zijn werk af door Dacia volledig te romaniseren. Daarmee verdween Dacia  min of meer in de nevelen van de geschiedenis.
In die zin is het verhaal over Dacia, waar dus ook die prachtige helm een onderdeel van is, een waarschuwing. Kijk naar wat er op dit moment gebeurd in Congo. Rebellen trekkend moordend vanuit Rwanda het land binnen, met als uiteindelijk doel; de grondstoffen. En hoe vaak was het in onze eigen vaderlandse geschiedenis de zoveelste zwarte bladzijde; grondstoffen uit Suriname, uit Indonesië en zoveel andere landen. Vaak ging dat gepaard met bloedvergieten, onderdrukking van de oorspronkelijke bevolking en het uitbuiten door slavernij. Het verhaal van de Daciërs is dus een spiegel voor ons vandaag. Waarbij ook moet worden aangetekend dat de koningen van Dacia ook geen lieverdjes waren.

NB Het laatste nieuws is dat er verdachten zijn opgepakt, maar dat de helm nog niet gevonden is. (29-1-2025  :  22.42)

Nog één keer: de kerk

“We moeten erkennen dat reformatie niet ergert, maar nodig is”. Eén van de reacties die ik kreeg op mijn vorige blog, ik pleitte daarin voor veel meer eenheid tussen kerken. Ikzelf ben niet meer zo van ‘zoek de verschillen’ en als het er te veel zijn, gaan we uit elkaar. Dat kan natuurlijk aan mij liggen, misschien een beetje conflict mijdend? Maar goed, in mijn vorige verhaal heb ik redelijk duidelijk uitgelegd wat er voor mij aan schort. En natuurlijk gun ik iedereen wel zijn eigen kerkje, als je daar gelukkig van wordt, wie ben ik om het een ander te ontzeggen. Maar geef dan niet af op anderen, zij die volgens jou gedoemd zijn en op duidelijk aanwijsbare punten een weg bewandelen die ten kwade is. Je bestaansrecht ligt er toch niet in dat je bij anderen aanwijst wat daar fout is en dan concludeert; zo niet bij ons?! Wij bestaan, omdat anderen het allemaal bij het verkeerde eind hebben…

Zo nu en dan beluister ik de podcast van het Nederlands Dagblad; ‘Dick & Daniël Geloven het Wel‘. Nr. 180 is een uitermate boeiend gesprek met twee broeders uit de Gereformeerde Gemeenten. Ds. Willem Visscher en ouderling Ton van der Schans gaan op een zeer plezierige manier in gesprek met de twee ND-redacteuren (beide afkomstig uit de Gereformeerde Gemeenten). Als buitenstaander heb ik natuurlijk maar een beperkt beeld van dit kerkverband. In mijn begintijd als schoolmeester hadden we leerlingen uit de Gereformeerde Gemeenten op school. Ze wisten veel over de Bijbel en er was een leerling die mij ondervroeg over mijn staat van bekering. Ik had namelijk verteld dat ik, wanneer het Heilig Avondmaal werd gevierd bij ons in de kerk, ik daar ook aan mee deed. Ik wist mij uit genade een kind van Christus. Ik zag de sceptische blik van de vierdeklasser. Later op ouderbezoek leverde dat een boeiend gesprek op, maar zeker ook veel herkenning. Oh ja, op zaterdag kom ik ook broeders en zusters tegen van de GerGem, zij verkopen groenten en kaas op het Diemerplein. We herkennen elkaar als gereformeerden en wisselen wel eens wat uit, dat is mooi.

Augustinus van Hippo

De beide geïnterviewde broeders in de ND-podcast hielden de luisteraar voor, toen het over de kerk ging; lees Augustinus (354 – 430). En bij dat laatste dacht ik, ja dan vallen veel verschillen weg. Geen idee in welke kerk Augustinus vandaag zou hebben gezeten, maar hij kende de worsteling met het geloof tot in zijn tenen, maar hij wist ook wat ons samen bindt! In zijn tijd nog geen GerGem, geen NGK of PKN, maar zeker discussies en verschillende groepen in de kerk. Ds. Visscher vatte aan het eind van het gesprek het nog eens een keer goed samen: “Het gaat om Christus en zijn gerechtigheid, dat is de kern”. Ik kon alleen maar ‘amen’ zeggen. De conclusie van het interview is voor mij, de kerk van Visscher en van der Schans is schriftuurlijk en bevindelijk. Laat onze kerk nu ook schriftuurlijk en bevindelijk zijn, we hebben de G in ieder geval gemeenschappelijk. En gelukkig zijn er honderden en honderden kerken in ons land die dat ook zijn, er naar leven en het elke zondag ook uitzingen en hardop zeggen.

Afgelopen week draaide in onze dorpsbioscoop een bijzondere film. Met z’n vijven gingen we naar de film ‘Conclave’. Jaren terug had ik al eens de bestseller van Robert Harris gelezen. Een uitermate spannend en boeiend boek. Voor wie van de roomse liturgie houdt is het een zeer onderhoudende film en met alle intriges erbij is het interessant en spannend. Er gebeurt van alles, maar uiteindelijk loopt het toch net weer anders dan je gedacht had. Heel mooi is aan het eind een toespraak van outsider kardinaal Benitez tegen een kardinaal die zichzelf uiterst geschikt vindt om de nieuwe paus te worden: “Wat weet jij van oorlog? Ik heb in Kaboel de rijen met doden en gewonden gezien, christenen en moslims. Als je zegt dat we moeten vechten, waar denk je dat we tegen vechten? Waar je tegen vecht is hier, in je hart, in elk van ons. We moeten niet toegeven aan haat, als we spreken van ‘kanten’, in plaats van te spreken voor elke man en vrouw. We lijken alleen maar bezig met onszelf, met Rome, met deze verkiezingen, met macht, maar deze dingen zijn niet de kerk. De kerk is niet de traditie. De kerk is niet het verleden. De kerk is wat we nu gaan doen.” Toen ik dat hoorde moest ik weer denken aan mijn blog. “De kerk is niet de traditie. De kerk is niet het verleden. De kerk is wat we nu gaan doen.” Wat een prachtige uitspraak. De kerk is een verzameling zondige en gebrekkige mensen, maar al die mensen mogen  wel samen het lichaam van Christus vormen. Juist in zo’n kerk horen hoeren en tollenaars thuis, homo’s en lesbiennes, bajesklanten en verslaafden. In zo’n kerk voeren ook zusters het woord en staat de deur voor iedereen open.

Vorige week kwam ik na een interessante bijeenkomst over het archief van George Puchinger, in de VU-bibliotheek een (oud)ouder van Veerkracht tegen. Voorganger geweest, maar inmiddels met emeritaat. Tja, voegde hij mij toe, ook bij de gereformeerden gaat het bergafwaarts, hij noemde verschillende voorbeelden. Gelukkig sloten we het gesprek goed af. De emeritus eindigde namelijk met een boeiende parabel.

Komt een man bij de hemelpoort. Hij vraagt aan Petrus: “Zijn er ook gereformeerden binnen?”
“Nee”, zegt Petrus, “er zijn geen gereformeerden”.
“Maar zijn er dan Lutheranen binnen?” “Nee, geen Lutheranen”.
“Maar dan zijn er toch wel broeders en zusters van het Leger des Heils binnen? Zij deden zo veel voor de armen en verslaafden?” Opnieuw moet Petrus ontkennend antwoorden.
“Maar ik hoor wel mensen, het lijkt wel of er feest is…?”
“Ja”, zegt Petrus, “dat zijn zij, waarvan hun kleren zijn gewassen in het bloed van Christus!”   (Hebreeën 9:14 )

PS op irritatie-top 2024

Eén van de waarschijnlijk blijvende ergernissen, ook in 2025, is wel de kerkelijke verdeeldheid. Gelukkig kwamen er in 2024 twee heel kleine gereformeerde kerkgenootschappen weer bij elkaar. De DGK en de GKN, beide afsplitsingen van de voormalige GKv. In beide zit gelukkig een G. Maar uiteindelijk, en dat klinkt misschien negatief, blijft het gerommel in de marge. Waarom zijn er geen acties, ook vanuit deze twee kleine kerkgenootschappen, om zich te voegen bij de NGK of de HHK of de CGK? En waarom is het streven om een samengaan van NGK en CGK inmiddels volledig van de baan? Waarom sluiten we ons toch steeds op in ons eigen gelijk? Het samengaan van GKv en NGK was immers een mooie stap op weg…. Natuurlijk zie ik alle tegenwerpingen al voor me, maar de gemiddelde leden van deze kerken hebben vaak geen idee wat nu echt de verschillen zijn.
Wanneer ik tijdens een ‘Open Ochtend’ in de kerk met willekeurige bezoekers in gesprek kom, is het best lastig uit te leggen van welke ‘denominatie’ de Oosterparkkerk is. Hoog op de gevel staat nog steeds dat het gebouw van de ‘Doopsgezinde Gemeente’ is. “En wat zijn jullie dan, als je dat dus niet bent?”, is vaak een vervolgvraag. Uiteindelijk leg ik maar gewoon uit dat we een kerk zijn waar we geloven in de opgestane Christus, Jezus Gods Zoon. Dat zijn levensreddende boodschap centraal staat in vieringen en in het leven van hen die Hem willen volgen en in Hem geloven. “Ja, dan zijn jullie gewoon een PKN!?”, is soms een vervolgopmerking.  Nog maar eens uitleggen dat er kleine verschillen zijn en dat daar een geschiedenis van veel kerkstrijd aan vast zit… Een tijdje terug kwamen bij een kop koffie, de jaartallen nog weer een keer voorbij; 1517, 1648, 1814, 1834, 1869, 1886, 1892, 1944, 1967….. Een nogal verdrietig makend rijtje, maar de gesprekspartner vond het best  interessant.
Fred van Lieburg, directeur van het Historisch Documentatie Centrum van de VU maakte in 2023 een vernieuwde kerkenstamboom. Voor de liefhebber geweldig natuurlijk. Maar ook ergerniswekkend, dat christenen het niet voor elkaar krijgen om op één lijn te komen. Moeten we maar blijven verzuchten dat het een vrome wens zal blijven tot Jezus wederkomst? Zou het voor de buitenstaander iets uitmaken of er nu één soort kerk is of honderd verschillende?

In het besef dat onze goede God ook in 2025 met ons meegaat, of we nu wel of niet een noodrantsoen in huis hebben, laten we als kerken maar zoveel mogelijk eenheid uitstralen. En wat zou het geweldig zijn als eens het begin van het schema, aan het eind gewoon terugkeert.

Het ga u goed!