Categorie: geschiedenis

Kerk in de steigers

Onze kerk, de Oosterparkkerk in Amsterdam, staat sinds vorige week vrijdag letterlijk in de steigers. Nu in de kerkzaal de schilders vrijwel klaar zijn, is de buitenkant aan de beurt. Maandag en dinsdag waren de schilders al flink aan het schuren, ondanks het miezerige weer. Inmiddels is het eerste mahoniebruin op de raamkozijnen gestreken. Langzaamaan is  de renovatie behoorlijk op streek. Zondag kunnen we weer met z’n dertigen naar de kerk en mogen dan op de nieuwe stoelen zitten. De toiletten moeten nog wel worden betegeld en ook de hal en de voordeur moeten nog aangepakt, maar het schiet dus op.

Ergens in januari wilde ik een blog schrijven over ‘klassiek gereformeerd’. Dat idee kwam voort uit een discussie die in het ND en in verschillende kerkelijke bladen werd gevoerd. Het overkoepelende thema was steeds de kritiek op de koers van onze kerk (de GKv). De synode van deze kerken heeft bijvoorbeeld definitief besloten dat vrouwen ook predikant kunnen zijn binnen onze kerken, vrouwelijke ouderlingen waren al iets eerder toegestaan. Ondertussen is er nog wel een behoorlijke groep ‘vrijgemaakte’ kerkleden die deze verandering ronduit niet-bijbels vinden. Zij willen ‘klassiek gereformeerd’ zijn en blijven.  Mijn vermoeden is, met de kleur van onze  kerkramen, dat dit de komende jaren een reden voor sommige broeders en zusters zal zijn om de GKv te verlaten. Ze vinden dat hun/onze kerk niet meer ‘klassiek gereformeerd’ is. Volgens mij is er bij deze broeders en zusters een diep verlangen naar de kerk van de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Nadat eind jaren zestig de ‘ruimdenkenden’, de ‘kritische denkers’, ‘de niet doorsnee-vrijgemaakten’, buiten verband waren komen te staan, was de GKv flink opgeschoond. Interne discussies waren niet meer aan de orde, de binnenverbanders konden in alle rust verder bouwen aan een gezamenlijke bubbel. De steigers werden in rap tempo afgebroken, de rust was weergekeerd. De blog over ‘klassiek gereformeerd’ komt er denk ik voorlopig niet. Een kerk mag zich best gereformeerd noemen, maar eigenlijk is het een raar etiket. Eigenlijk wil toch elke kerk gewoon Jezus Christus volgen?

Een beetje filosoferend hierover denk ik dat men toen in de jaren 60, de steigers beter had kunnen laten staan. Het gebouw ‘gereformeerde kerk’ was in die tijd helemaal niet af, eerder zwaar beschadigd. Men had alles in het werk moeten stellen om de scheuren te herstellen, zeg ik met de blik van vandaag. Zoals in onze kerkzaal waar forse scheuren zaten, ontstaan door roestend ijzer, de aannemer de scheuren moest uithakken, waarna de stukadoor alles weer netjes vlak kon trekken. In de jaren zestig had men de scheuren ook moeten uithakken, tot op het bot. Vooroordelen hadden moeten worden uitgewisseld en bevraagd moeten worden. Maar nee, het leek wel of barsten en scheuren groter werden gemaakt. Broeders en zusters liepen wanneer de moeilijkheden in de kerken in een preek werden genoemd, kwaad de kerk uit. Ik maakte mee dat tijdens het ‘grote gebed’ een heel gezin op bevel van de vader naar buiten stiefelde. Vriendschappen die al jaren bestonden, van de een op de andere dag keek men elkaar niet meer aan.  Geen goede voorbeelden; men had ook tot na de dienst kunnen wachten en dan nog een mijl meegaan. Proberen toch samen verder te bouwen, en een kerkscheuring niet de aanleiding laten zijn tot het opbreken van een jarenlange vriendschap. De scheuren werden echter zo definitief dat herstel onmogelijk leek, en opeens waren er twee soorten vrijgemaakten. Vijftig jaar later is het haast niet meer uit te leggen. Gelukkig is er nu een proces op gang gezet voor heling en eenwording. Ook bij dat proces zijn steigers, trappen, troffels en kwasten nodig. Een kerk moet eigenlijk constant aan het verbouwen zijn, in beweging en open voor mensen, die op zoek zijn naar rust, naar genade en aandacht.

Vandaag heeft de orgelbouwer de grote balg losgekoppeld van het orgel. Een flink karwei en halverwege de middag hebben we met zes man sterk het 150 kilo zware gevaarte uit het orgelhok getild. Ook een reguleerbalg is door de orgelmaker meegenomen. Wanneer de balgen zijn hersteld zal op de orgelverdieping alles schoongemaakt worden. Alle meer dan 1000 orgelpijpen zullen schoongemaakt worden. Daarna kan het orgel er weer jaren tegenaan. In diensten en hopelijk ook op andere momenten, concerten, middagpauzeconcerten en hopelijk als studieorgel voor orgelleerlingen.

Zie ook; steundeopk.nl 

Verdwijnen de verhalen…?

Deze week is de vloerenman bezig. Op de galerij had hij zijn kunsten al vertoond, maar nu mocht hij los op de kerkvloer. Wanneer je vandaag of morgen even binnenloopt en dan de geur opsnuift, zou je willen dat je het in een potje kunt stoppen en dat op een zondagmorgen kunt rondstrooien, zo heerlijk ruikt het. Het prachtige Amerikaans grenen was in bijna 120 jaar natuurlijk behoorlijk aangetast en voor zover ik weet nog nooit flink opgeschuurd. In 1980 lagen er in de twee gangpaden kokosmatten en ook voor het podium lagen matten. Jaren later, toen de tand des tijds had toegeslagen werden ze naar de vuilstort gebracht. Nieuwe matten kwamen niet terug, iedereen vond het zonder matten mooier. Er werden, toen in de ‘beheerderswoning’ nog een kostersechtpaar woonde, de naam van de familie Dijkstra zij met ere genoemd, jaarlijks schoonmaakdagen georganiseerd. Lampen werden met behulp van een lange ladder schoongemaakt en zelfs de gordijnen werden gewassen. Met een grote schrobmachine werd de kerkvloer schoongemaakt (met water en groene zeep). De vloer lag er dan weer voor een aantal maanden prachtig bij. Maar inmiddels was er echt groot onderhoud nodig. Het prachtige hout, wat natuurlijk nog veel ouder is dan 120 jaar heeft dus al heel wat kerkvolk over zich heen gehad. Van 1904 tot 1976 een heleboel Doopsgezinde broeders en zusters en vanaf begin jaren 70 dus ook de vrijgemaakten, die het gebouw uiteindelijk in 1976 kochten.

Prachtig stilleven op de galerij.

Amerikaans grenen is uitermate geschikt om er vloerplanken van te zagen.  Doordat de stammen tot wel 30 meter lang zijn zijn er geen noesten in het hout. Dat hebben de bouwers en architect Salm aan het begin van de 20e eeuw goed bedacht. Daarnaast is het niet de meest dure houtsoort, de kerk mocht niet te veel kosten. De kozijnen werden ook van grenen gemaakt en later geverfd en gehout, ook zo’n zuinigheidsmaatregel. Dat op zich is natuurlijk al een mooi verhaal, maar afgelopen zondag toen we nog op de stucloper zaten, dwaalden mijn gedachten naar de vloer. Ik heb iets met vloeren en door de jaren heen bij de dochters, bij vrienden en ook collega’s kaal beton belegd met mooie houten planken, prachtig laminaat en een enkele keer zelfs met namaakhout. Dat laatste weiger ik nu principieel, geen kunststof. Niet een paar dagen op de knieën met als resultaat een vloer met namaak uitstraling. De kerkvloer zal straks één of op sommige plekken wel twee millimeter kwijtraken, zat ik te bedenken.

Zullen dan ook al die verhalen die zich op de vloer hebben afgespeeld daarmee verdwijnen? Ik moest opeens denken aan al die kerkgangers die niet in onze ledenlijst terechtkwamen. Zoals broeder S. die zich op de voorste rij nestelde in het gezelschap van een grote zwarte hond. Hij luisterde aandachtig en mompelde zo nu en dan wat door de preek, zijn hond bleef gelukkig rustig. Later beweerde hij dat hij ook een preek had geschreven en die ook wilde houden. Dat ging de kerkeraad, toen nog zonder n, toch wel te ver. S. was ontstemd en keerde niet meer terug. En niet te vergeten broeder L., die zo nu en dan op de achterste rij ging zitten en later regelmatig op bezoek kwam bij de evangelisatieprojecten in het Bijlmerpark. Een woord of een zin riep bij L. allerlei associaties op en dan was er geen touw meer aan vast te knopen. Het ging werkelijk van Feike Asma tot allerlei theologen. Tijdens een maaltijd in het Bijlmerpark werd een Bijbelgedeelte gelezen waarin het monument Eben Haëzer voor kwam (1 Samuël 7). L. vroeg wat dat betekende en hij kreeg als antwoord: ‘Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen’. ‘Oh’, zei L., ‘dan snap ik waarom bij het Gein dat fietspad op houdt’. Later kwamen we er achter dat een boerderij daar de naam ‘Eben Haëzer’ droeg. ‘Eben Haëzer’ betekent trouwens gewoon ‘steen van de hulp’ (God die hielp in de strijd), het ‘tot hiertoe’ wekt dus nogal verwarring. Op en zondagmorgen zat broeder L. weer achter in de kerk en was behoorlijk onrustig. De irritatie liep hoog op en enkele broeders hebben hem toen de kerk uitgezet. Een verdrietige gebeurtenis, want buiten zette broeder L. het op een schreeuwen.
Broeder Westerneng, die stond later wel in de ledenlijst, kwam in mijn gedachten. Een kleurrijk figuur die veel door de stad had gezworven met zijn accordeon. Bij het evangelisatieproject begeleidde hij wel eens de samenzang. Toen hij officieel lid zou worden, zat hij op een zondag behoorlijk dronken op de galerij. De dominee nam, op aandrang van de koster, voor de dienst maar eens poolshoogte, maar rapporteerde dat hij niets had geroken… Nu was deze voorganger geen gebruiker van alcoholische dranken, dus misschien had hij niet het verschil ontdekt tussen ranja en alcohol. Deze broeder had altijd mooie verhalen, luisterde vaak hele dagen naar radio Parousia waar hij ook inbelde. Helaas had hij het niet in zich om zijn huis schoon te houden. Ging een ouderling op bezoek dan nam deze in de binnenzak een schone beker mee. Broeder Westerneng is na zijn sterven in het OLVG, vanuit de kerk begraven. Als eerbetoon had men op de kist zijn accordeon een plek gegeven. ‘Helaas’ schoot er tijdens de overdenking een riempje los en klonk er nog een prachtig klagend geluid vanaf de kist, een soort eresaluut!
Ik hoop maar dat met het verdwijnen van de bovenste laag, niet de verhalen verdwijnen. Trouwens op deze opgeschuurde vloer zullen ook weer nieuwe verhalen ontstaan.

NB www.steundeopk.nl

De dienst begint om kwart over negen…

Jammer van het tuintje, maar wanneer er genoeg geld is, komt er een prachtige keuken!
Nu nog een oplossing voor het lelijke kippengaas aan de buitenkant.

Het was een heftige discussie op de kerkenraad. Er lag een brief van een oudere broeder met de vraag of de broeders de begintijd van de ochtenddienst wilden aanpassen. De bewuste broeder had daarvoor een paar argumenten. Maar één argument was erg sterk. Kwart over negen klinkt een uur vroeger dan half tien. Het was een doordenker natuurlijk, maar deze broeder bracht een fraai psychologisch argument in. Voor hem voelde het gewoon veel later, half tien, dan is die negen weg. De voorzitter, in die tijd was dat gewoon de dominee, moest hier niets van weten. Een kwartiertje verschil, wat een onzin! Probleem wat op de achtergrond speelde was dat de dominee vrijwel elke zondagochtend ook elders preekte. Dat laatste deed hij met toewijding en liefde, regelmatig preekte hij vier keer op een zondag! Wanneer de Oosterparkkerk om kwart over negen startte, dan kon de dominee om ongeveer tien uur buiten staan. (Wanneer de preek dreigde uit te lopen, dan kuchte zijn vrouw nadrukkelijk en wist hij dat er een eind aan gebreid moest worden.)  Voor de kerk stond dan een chauffeur met auto klaar om de dominee zo snel mogelijk te vervoeren naar een zusterkerk. Die zusterkerk startte om half elf. De kleine gemeentes in Krommenie en Halfweg-Zwanenburg hadden een prachtige voorziening op deze manier, keurig op elkaar afgestemd.
Maar ja, toen lag daar de vraag op tafel van een oudere broeder die al veel last had van slapeloosheid.  Na een heftige discussie moest er toch maar over gestemd worden. Sommige broeders, die ook wel een kwartiertje wilden uitslapen, hadden stiekem al koppen zitten tellen. De voorzitter wist de vraag echter zo te stellen dat je eigenlijk niet wist of je nu voor of tegen moest stemmen. De eerste die aan de beurt kwam, links van de voorzitter, onderving dat door breeduit te vertellen dat hij voor handhaving van de begintijd was. En dat ging goed totdat één van de broeders zich vergiste. De vraagstelling was hem te veel  geworden en hij stemde precies anders dan hij in de discussie beweerd had. Consternatie alom toen bleek dat het geen half tien werd. Eén van de diakenen vertelde later dat hij al heel lang vond dat de dominee beter advocaat had kunnen worden. Achteraf gezien denk je bij jezelf, waar hebben al die discussies toe geleid? Dertig jaar later kun je je nauwelijks voorstellen dat we ons daar toen zo druk over maakten. Vergaderingen van vier uur waren geen uitzondering en dan werd er  ook nog flink gerookt. Wanneer we eerstdaags het plafond van de kerkenraadskamer open trekken, zullen we vast en zeker nog rooksporen aan treffen. De koster, die boven de consistorie zijn huiskamer had kon bijna ruiken van welk merk sigaren er werd genoten. “Verbrand uw afgoden”, was een geliefde uitdrukking van onze dominee.
Een paar vergaderingen later werd alsnog de aanvangstijd veranderd naar half tien. En jaren later werd het tien uur en verdween de tweede dienst, iets wat niet in ons hoofd op kwam toen we discussieerden over een kwartiertje later. De kleine kerkjes van Halfweg-Zwanenburg en Krommenie bestaan niet meer, het aantal leden nam zo af, dat deze kerken vonden dat ze geen bestaansrecht meer hadden. De broeders die onze toenmalige dominee ophaalden, hij had geen rijbewijs,  leven niet meer.
Tot voor kort zag het kerkgebouw er nog net zo uit als veertig jaar geleden. De mannenbroeders die in 1980 de kerk bestuurden zouden echter verbaasd zijn geweest. Een piano, regelmatig een muziekband die een keur aan liederen speelt, elke zondag een viering van het Heilig Avondmaal en een brandende kaars voor in de kerk…. Ik hoop dat ze onder de indruk zijn zouden zijn van een serie preken over Goede Gewoonten en beseffen dat aanvangstijden en gewoonten blijkbaar kunnen veranderen, maar dat gelukkig het evangelie nog elke zondag voluit klinkt.
En mocht u het nog niet gedaan hebben, neus eens rond op steundeopk.nl.

Teun en tijd

Ooit kreeg ik van Gerard Lubbers een leesplankje cadeau. Achterop zit een nog nauwelijks leesbare sticker: ‘HOOGEVEEN’S VERBETERD LEESPLANKJE’ en met kleinere kapitalen dat het gaat om een ‘uitgave van J.B. Wolters te Groningen’. Op internet zijn foto’s te vinden en ik ontdek dat het een om een exemplaar gaat wat uitgegeven werd tussen 1909 en 1916. Het plankje is dus ruim 100 jaar oud. Misschien heeft ooit Gerard  zelf met zo’n plankje leren lezen. Ergens moet nog een doosje zwerven met de kartonnen letters. Gerard schonk het vanwege mijn werk als onderwijzer. Nu onze derde kleinzoon is geboren, heb ik hem weer tevoorschijn gehaald. Zijn naam staat er op! Kleizoon Teun zal echter nog even moeten oefenen voordat hij de tweeklank eu kan verbinden met een t en een n. En we zouden schoolmeester Mattheus Bernhard Hoogeveen (1862-1941) willen vragen waarom déze tekening van Jetses nu zo kenmerkend is voor t eu n.  Deze Teun ziet er uit als een oudere boerenknecht, verweerd, een open kiel en met een stok in de hand; een man van het buitenleven. Het hele leesplankje had trouwens nogal een landelijk karakter. Geen grachtenpand, geen kerktoren, maar veel groen en ook nog een Mies, Gijs, Jet, Wim en Kees. De laatste is trouwens een hond, maar Femmie heeft dus nog meer keus. Op de ‘Vertelselplaat’ die bij het leesplankje hoorde staat Teun ook afgebeeld. Hij heeft een lang touw in zijn handen met daaraan een aap, die in de dakgoot van een huis zit. Op zijn hoed is nog beter te zien dat Teun er een veer op heeft gestoken en uit zijn jaszak hang een slordige doek. Hij doet denken aan Vitalis uit ‘Alleen op de wereld’. Vitalis had ook een aapje. Misschien had Hoogeveen de Nederlandse vertaling gelezen die in 1880 verscheen. Als onderwijzer heeft hij het ongetwijfeld gekend en werd op die manier Vitalis verbasterd tot Teun? Alhoewel, Hoogeveen moest op zijn plankje die letters een plek geven, die nodig waren voor het eerste leesonderwijs.  Het leesplankje dat ik heb is behoorlijk versleten, maar dat maakt hem ook aantrekkelijk, de tijd heeft zijn sporen achtergelaten. Restaureren is hier geen optie, goed conserveren wel. Dat laatste zal er op neerkomen, gewoon weer goed opbergen en wanneer Teun een beetje kan lezen, hem voorzichtig te voorschijn halen, en de letters gaan benoemen; aap, noot mies,… wim, zus, jet,… teun…  Wel opmerkelijk dat pedagoog Hoogeveen het leesonderwijs ooit liet beginnen met aap, en Veilig Leren Lezen (waar 80% van de basisscholen mee werkt) op zeker moment begon met: ik (de plaat die erbij hoorde was een spiegel). Zit hier een evolutionaire gedachte achter?

Optocht op Bevrijdingsdag, waarschijnlijk 1965. Met z’n allen naar het sportveld. Deze foto stuurde de inmiddels ‘bejaarde’ juf mee; ze denkt dat ik er op sta. Links vooraan?

Teuns geboorte leverde nog een duik in de tijd op. We waren zo vrijmoedig geweest om zijn geboorte wereldkundig te maken via een annonce in het Nederlands Dagblad. Dat laatste levert altijd wel bijzondere reacties op. Zo kreeg onze jongste een prachtige Dick Bruna kaart van een oude schooljuf van mij. Juf Bieny had de advertentie gelezen en ook onze namen daarbij en deed dus bij de kaart een brief voor opa (en oma). Ze had nog een tekening die ik had gemaakt voor haar trouwdag in 1965. Ik kan me nog herinneren hoe spannend dat was. Juf Bieny (mocht ik van mijn moeder niet zeggen) trouwde met Gert in Assen. Ik denk dat ouders ons gereden hebben en ik kan mij nog herinneren dat we naar de Kandelaarkerk zijn geweest. Juf Bieny was een geliefde juf, met aandacht voor de kinderen. Ze vond terug op die bewuste tekening dat ik mijzelf Roelke noemde. Logisch, want ik werd thuis zo genoemd, Henk was Henkie en mijn oudere broer Bernhard; Bennie. Juf Achterhof, de opvolgster van juf Bieny, heeft er denk ik voor gezorgd dat Roelke Roel werd.
Juf Bieny was mijn eerste juf. Omdat we buiten Hoogeveen op een boerderij, annex houthandel woonden (een soort voorloper van de Gamma), was er blijkbaar geen reden om de kinderen Wimmenhove naar een kleuterschool te sturen. Wij leerden in de ‘praktijk’ en aangezien ik een oktober leerling ben, was ik dus bijna zeven jaar toen ik naar school ging.  Waarschijnlijk speelde ook mee dat er geen gereformeerde kleuterschool was en de leerplicht begon bij het seizoen waarin je zeven werd.  Achteraf bleek het allemaal mee te vallen, ik had alleen het knippen en plakken niet onder de knie, maar dat was snel genoeg ingehaald. Juf Bieny gaf les in het laatste lokaal rechts aan het eind van de gang. De school aan de Alteveerstraat was oud , met hoge lokalen en de kachels hadden een soort scherm. We leerden schrijven met een kroontjespen en oh wee als je daar te zwaar op drukte; dan gingen de pootjes uit elkaar staan… Zo nu en dan ging de juf met de inktfles de bankjes langs om de inktpotjes te vullen. Later verhuisde de school naar een nieuw gebouw aan de Beukemastraat en kreeg de naam van Johannes Calvijn.

De ‘Hermle’ pendule die vroeger bij mijn ouders op de schoorsteenmantel stond.

Een van de leukste programma’s op de BBC is op dit moment “The Repair Shop“. Kijkers brengen een voorwerp dat totaal versleten en kapot is en hopen dat een specialist het voorwerp weer kan laten ‘schijnen’. Eenmaal opgeknapt levert het vaak mooie en ontroerende momenten op. Mijn leesplankje zou ik er heen kunnen brengen, maar ik ben bang dat de charme er dan ook een beetje afgaat. Alhoewel je ook opgeplakt papier kunt schoonmaken, weet ik sinds de aflevering van afgelopen woensdag. Een paar maanden geleden heb ik wel onze oude pendule naar een Nederlandse ‘repair shop’ gebracht. Vorig seizoen was er een Nederlandse versie met Umberto Tan, maar dat haalde het niet bij de Britse versie.  Die pendule heb ik geërfd van mijn ouders en helaas hield hij er opeens mee op. Een korte krak en dat was het. Gelukkig is er in Duivendrecht is nog een echte klokkenmaker en hij zag er wel wat in. Onze ‘Hermle’ had wel een forse schoonmaakbeurt nodig en waarschijnlijk een reparatie. Keurig schoon en opgepoetst kon ik hem weken later weer ophalen. Zo tikt de tijd weer, zoals hij dat vroeger bij ons thuis ook deed en ook de uren slaat hij weer met een prachtig en en niet te zwaar geluid. Mijn ouders hadden hem al sinds hun trouwen voor zover ik weet. Geen idee of ze hem tweedehands of nieuw aangeschaft hebben. Maar hij klinkt zo vertrouwd; de tijd tikt door en met ons mee. Het is wel gebeurd dat wanneer ik een broer aan de lijn had, ze opeens zeiden; “Hee, de olde klokke van de schörstienmaantel..”. Op een dag zal misschien ook Teun vragen over de klok. Ik zal hem dan uitleggen dat een pendule een slinger is en het deurtje aan de achterkant van de ‘pendule’ openen om de slinger ook te laten zien. Dat de pendule ooit bij zijn overgrootouders in de kamer stond, vlak boven de kachel en dat alleen mijn vader of moeder hem mochten opwinden. De slinger laat door de kracht van de veer de tijd wegtikken, dat deed hij al vele jaren voordat ik er was en zoals hij nu tikt, zal hij dat ook nog wel doen als Teun zo oud is als wij nu zijn…

Hoe Humboldt de rassenonlusten ‘voorspelde’, en dat voor 15 €

De ‘plaatselijke’ boekhandel’ heeft  het zwaar. Inmiddels wel weer wat meer open, maar toch nog steeds beperkt en waarschijnlijk minder klanten dan voor de crisis. Hopelijk gaan de klanten gemiddeld met meer aankopen naar huis, maar daar heb ik geen onderzoek naar gedaan.  Toen ik een aantal weken geleden een besteld boek ophaalde (Stanly Hauerwas over de deugden) voelde ik me vrij genoeg om toch even rond te snuffelen, ondanks een rij wachtenden op het trottoir van de Middenweg. Bij de kleine afdeling biografieën zag ik opeens een stapel boeken met een grote groene sticker liggen, verleidelijk lag het me aan te ‘staren’. Advies; altijd even rondsnuffelen, ook al kom je gewoon iets afhalen!

Bij de OBA duurde het weken voordat ik het boek een keer kon afhalen. Op het congres over christelijke pers, oktober vorig jaar, had Robert mij geattendeerd op de biografie over Alexander von Humboldt. “Moet je lezen, een indrukwekkend verhaal!”, zei hij. Thuis moest ik eerst even graven in mijn geheugen hoe die man nu ook al weer heette, maar gelukkig had ik het in de kantlijn van mijn aantekeningen toch ergens neergekrabbeld. Na wat zoeken bleek de centrale bibliotheek een exemplaar in huis te hebben. Helaas kwam ik maar tot hoofdstuk 3 en toen moest ik hem alweer inleveren en bleek iemand anders hem al gereserveerd te hebben; verlengen was er dus niet bij. Ik werd dus blij van de rode sticker schuin boven het hoofd van Alexander von Humboldt. Want ik moet achteraf eerlijk bekennen, voor die Apeldoornse ontmoeting had ik nog nooit van deze bijzondere man gehoord. Misschien ooit eens in een noot of bij 2 voor 12, maar inmiddels stond en staat Humboldt in mijn geheugen gegrift.

Friedrich Heinrich Alexander Freiherr von Humboldt (Berlijn, 14 september 1769 – aldaar, 6 mei 1859) was een Pruisische natuurvorser en ontdekkingsreiziger. Humboldt deed onderzoek in Midden- en Zuid-Amerika en gaf een uitvoerige beschrijving van het fysische heelal. Hij was de jongere broer van Wilhelm von Humboldt. Volgens de Britse natuuronderzoeker Charles Darwin (1809-1882) was Humboldt de belangrijkste wetenschappelijke reiziger aller tijden.”

Selbstporträt im Spiegel (1814)

Zo begint de Nederlandse Wikipediapagina over Humboldt, waarna een zeer uitgebreide verhandeling over zijn leven volgt. Wanneer je de veel uitgebreidere Duitse Wikipediapagina vervolgens bezoekt, bevat die 8 forse hoofdstukken, onderverdeeld in vele paragrafen. Een goede inleiding trouwens op de prachtige biografie die Andrea Wulf heeft geschreven (in haar boek laat ze het von ook weg). In een goed te volgen interview op de ARD vertelt ze waarom ze deze biografie over Humboldt heeft geschreven. In Zuid en ook Noord-Amerika is Humboldt nog steeds bekend als een groot geleerde, ontdekkingsreiziger en natuuronderzoeker. Al lezend val je van de ene verbazing in de andere. Wulf start het verhaal over Humboldt bij de beklimming van een dode vulkaan in het Andesgebergte, de Chimborazo in het huidige Ecuador. Een adembenemende samen met de Franse geleerde Aimé Bonpland in 1802, zonder allerlei hulpmiddelen die bergbeklimmers tegenwoordig tot hun beschikking hebben. Na die boeiende proloog vertelt de schrijfster over de jeugd van Alexander en zijn eerste stappen in de wetenschap, zijn ontmoetingen en lange gesprekken met Goethe en zijn verlangen om de wereld te gaan bereizen en zoveel mogelijk verbanden te ontdekken. In die tijd, eind 18e eeuw was Europa heel wat anders dan in het jaar 2020. Reizen moest te voet, per paard of met de koets en met zeilschepen. Oorlogen, onlusten, besmettelijke ziekten; gevaar lag overal op de loer. Toch vertrekt Humboldt na verschillende vergeefse pogingen, met een flink gevolg vanuit Spanje op expeditie naar Zuid-Amerika.
Na die reis, die een paar jaar in beslag had genomen, gaat hij terug naar Europa, maar met een flinke omweg. In Noord-Amerika wil hij de president van de Noordelijke Staten ontmoeten, Thomas Jefferson. De ontmoeting met ‘founding father’ Jefferson wordt een groot succes en levert veel contacten en vriendschappen op. Eenmaal terug in Europa, gaat hij lezingen geven over zijn ontdekkingsreis en publiceert verschillende boeken.

De spectaculaire 60 bij 90 centimeter grote afbeelding van von Humboldts ‘Naturgemälde’, die deel uitmaakte van zijn ‘Ideen zu einer Geographie der Pflanzen’. Met de volgende link kun je deze kaart prachtig uit vergroten.

Mijn blog zou veel te lang worden om ook maar een beetje een beeld te geven van deze bijzondere geleerde. Maar één van de dingen die mij opvielen was zijn verzet tegen de slavernij. Hij zag in Zuid-Amerika de uitwassen daarvan door de Spanjaarden. In zijn publicaties over zijn reis steekt hij dan ook niet onder stoelen of banken dat hij tegen het toenmalige kolonialisme is. Voor die tijd heel ongewoon, alhoewel er in Engeland al verschillende protesten tegen slavernij waren geweest. Humboldt nam het zelf waar; uitbuiting en ook de foute houding van de kerk (hij ontmoette veel missionarissen op zijn reis). Wanneer hij bij president Jefferson op bezoek is, zegt hij duidelijk dat hij tegen slavernij is. Voor Humboldt zijn alle mensen gelijk. Hij wil niet weten van ‘wilden’. Volgens hem zijn de bewoners van de regenwouden of de steppes net zo bijzonder als ieder ander en hebben ze zoveel kennis over de natuur en de wereld waarin ze wonen, dat we dat moeten waarderen en ze als gelijken moeten behandelen. In zijn boeken legt hij uit dat uitbuiting van de aarde en van mensen, ontzettend contraproductief werkt. Ver voordat de slavernij overal werd afgeschaft verzette hij zich tegen deze onmenselijke uitwassen. Vaak werd hem dat niet in dank afgenomen, maar door zijn vernieuwende inzichten op zoveel wetenschappelijke gebieden kon hij het zich permitteren om niet zijn mond te houden.
Verschillende keren heeft Humboldt geprobeerd om een reis naar India te maken, hij wilde zo graag de Himalaya zien en onderzoeken en vergelijken met de bergen in Europa en met de Andes. De machtige Engelse Oost-Indische Compagnie hield het echter tegen, bang als ze waarschijnlijk waren dat Humboldt zich dan zou uitlaten over koloniale uitbuiting.
Al lezend bedenk je bij jezelf; wat zou er gebeurd zijn wanneer de Spaanse koning en ook president Jefferson werkelijk geluisterd hadden? Dat had waarschijnlijk vele duizenden scheepsladingen slaven vanuit Afrika naar Amerika gescheeld. Wat zou de wereld er dan anders uitgezien hebben. Op zijn reis naar het noorden deed hij Cuba aan en schreef  een politiek essay en zegt daar onder andere: “Slavernij is ongetwijfeld het grootste kwaad dat de mensheid heeft gekweld, of je nu de slaaf ziet als hij thuis uit zijn land en familie wordt weggevoerd en in het ruim van een schip wordt gegooid, een voertuig dat is ontworpen voor de negerhandel….” 
Men weigerde dit essay in eerste instantie uit te geven. In latere geschriften komt hij er weer op terug en zegt luid en duidelijk dat de Europese landen door hun houding haat gezaaid hebben tussen bevolkingsgroepen en dat dat gevolgen heeft voor de vrijheidsstrijd in de verschillende koloniën. Opmerkelijk is dat op de Nederlandse Wikipediapagina over Humboldt helemaal niets over zijn verzet tegen de slavernij wordt verteld. Op de Duitse pagina zijn er een paar duidelijke paragrafen over geschreven. Ook heb ik mijn  encyclopedie uit  1866 er maar even op nageslagen. [Algemene Nederlandsche Encyclopedie voor den beschaafden stand, 8e deel, pg 84/85; ik denk dat mijn vader hem ooit heeft gekocht (inclusief kast) op de Waterlooplein-markt.] In deze encyclopedie geen woord over Humboldts kritiek op de slavernij en uitbuitend kolonialisme.

verzameld werk

Ruim 200 jaar geleden signaleerde deze geleerde dus al de verschrikkelijke misstanden van slavernij en onderdrukking van inheemse volken.  Ook de geschiedenis van ons land is wat dat betreft donker en duister. Het Nederlandse kolonialisme op de eilanden die nu Indonesië heten, heeft onnoemelijk veel ellende veroorzaakt. En tot op de dag van vandaag is de Molukse kwestie en alles wat daar bij hoort niet goed opgelost, evenals de kwestie Irian Jaya. En de huidige toestand in Suriname is feitelijk terug te leiden op het feit dat dit land is gekolonialiseerd door onze voorouders. Maar ook het racisme wat er vandaag in onze samenleving is, in wat voor vorm ook, mee ontstaan door ons koloniale verleden.
De actualiteit van vandaag, de coronacrisis, onlusten in de VS en ook de klimaatcrisis door de opwarming van de aarde; je kunt het zien aankomen als je leest over het leven en werk van Humboldt, hij waarschuwde er voor. In deze biografie, die leest als een trein trouwens, leer je veel over deze bijzondere en erudiete geleerde. Hij schreef veel, praatte blijkbaar ontzettend snel, gaf colleges en vergaarde kennis bij vele collega’s en maakte daar weer een geheel van. Hij probeerde verbanden tussen alles te zien. In Parijs had hij Simon Bolivar leren kennen en zette deze er mee toe aan om in zijn vaderland op te komen voor de vrijheid. Bolivar las later met grote instemming Humboldts boeken en correspondeerde met hem. Ook Charles Darwin voelde zich geïnspireerd door Humboldt en spelde zijn boeken toen hij mee mocht op de Beagle-expeditie. Humboldt stierf op bijna 90-jarige leeftijd, wat voor die tijd uitzonderlijk is. De titel van het boek is dan ook uitstekend getroffen: ‘De uitvinder van de natuur’. En voor die vijftien euro hoef je het niet te laten.

Toen ik het OBA-exemplaar weer moest inleveren zocht ik in mijn boekenkast op de plank ‘ongelezen’ naar iets anders. Vorig jaar had ik van mijn oudste dochter voor Vaderdag de autobiografie van Michelle Obama gekregen. En soms zijn er van die boeken, die gewoon even blijven liggen. Maar eenmaal begonnen, liet het mij niet meer los. Zij laat in haar verhaal zo goed zien wat het betekent om van slaven af te stammen en echt van jongs af aan op te groeien in een blanke wereld. Tegelijkertijd laat ze ook zien wat je in zo’n situatie kunt doen. Haar man, oud-president Barack Obama, heeft inmiddels een paar keer van zich laten horen. Hij roept op tot hervormingen bij de politieorganisatie, iets waarvoor hij ook tijdens zijn presidentschap hard voor heeft gevochten.
De voorkant van het boek ziet er misschien wat soft uit, maar de inhoud is bepaald niet soft. De voormalig ‘first lady’ vertelt op een eerlijke manier over de ups en downs in haar leven en de ongelooflijk bizarre druk van het wonen in het Witte Huis. ‘Black lives matter’; Humboldt zei het in wat andere bewoordingen, Michelle Obama zegt het hem ruim twee honderd jaar na. En gisteren, vandaag en morgen staan de pleinen vol met mensen die het hardop mee zeggen. ‘Mijn verhaal’ is een verhaal van hoop en van doorzetten. Het is een hart onder de riem van mensen die zich vernederd en aan de kant gezet voelen en voor hen die dat gevoel niet kennen geeft het een mooie inkijk in een prachtige zwarte ziel! Je zou wensen dat Michelle op een dag een roeping krijgt om zich kandidaat te stellen voor het presidentschap.

PS    Al surfend kom ik erachter dat ik op SAIL Amsterdam langs de Alexander von Humboldt II ben gelopen. Wat zegt dat over mijn geheugen…? Het was in 2015 denk ik, maar dat ga ik nazoeken. Een prachtig schip met groene zeilen, nummer I doet tegenwoordig dienst in de haven van Bremen als restaurant en hotel. Nummer II is een opleidingsschip, met dus een eerbiedwaardige naam.

2 X Holland

Er zijn van die momenten dat ik voor het slapen gaan een nieuwe blog bedenk. Mijn boek heb ik dan weggelegd, het bedlampje uitgeknipt en mijn wederhelft sluimert weg. Prachtige zinnen borrelen op en blijven voor dat moment ronddwalen in mijn hoofd. Helaas zijn ze de volgende morgen het raam uitgedreven of ze zijn ten onder gegaan in een warrige droom.  Vandaar dat ik ze nu niet meer weet en het moet doen met goedbedoelde nieuwe zinnen. Deze week heb ik opnieuw CORONACRISIS in de kantlijn van mijn agenda gezet. Ik wil voor jaren later toch vast leggen in wat voor vreemde en bijzondere tijd we op dit moment leven. Mocht de lezer denken dat ik een week abuis ben, dat klopt. Maar in de eerste coronacrisis-week zaten we in quarantaine en kwam dat in de kantlijn terecht.
In eerste instantie kreeg deze blog als titel: ‘Laat het nog maar een tijdje duren’. Er hoeft opeens heel veel niet, vergaderen gaat lekker snel en de lucht boven Amsterdam en Diemen is vrijwel volledig verstoken van vliegverkeer. Vorige week moest Coos midden in de nacht naar een bevalling in de Jordaan. Tegen drieën, dus midden in de nacht, reden we door een compleet uitgestorven stad; heel vreemd en zelfs een beetje beangstigend. Dan merk je opeens de keerzijde van deze crisis. Geen enkele toerist meer, vrijwel alle hotels donker, de horeca weet niet hoe ze deze periode gaat overleven. Op zaterdag gaan grote bossen tulpen voor een prikkie van de hand, dat kan niet normaal zijn. Het zijn dus werkelijk vreemde tijden.
Afgelopen vrijdag moest ik in het centrum van Amsterdam zijn,  ik kon overdag gewoon fietsen door de Kalverstraat. Probeer dat in “normale” tijden op een zonnige dag te doen; volstrekt onmogelijk. En helaas was de mooiste boekhandel van Amsterdam aan het Rokin op slot. Toen maar via de Nieuwe Hoogstraat richting de Antoniebreestraat, daar was gelukkig de boekhandel wel open. Je moet wel weten wat je wilt hebben, want je mag de winkel niet in. Gelukkig hadden ze ‘Heerschappij’ liggen en ik kreeg het van veilige afstand aangereikt. In de etalage zag ik nog een ‘Holland’ boek liggen. Pasen werd zo een Hollands feest. Tom Holland, een Engelse wetenschapper, schreef een bijzonder boek over de invloed van het christendom op onze westerse cultuur. Bijzonder boeiend en gelukkig heb ik het nog lang niet uit. Wie weet leert het mij ook iets over de rol van religie in tijden van een pandemie.
Rodaan Al Galidi schreef zijn tweede roman. Ruim twee jaar geleden schreef ik over zijn eerste boek. ‘Hoe ik talent kreeg voor het leven’ is een prachtig hilarisch boek van en over een asielzoeker uit Irak. Haarscherp wist Rodaan daarin zijn kennismaking met Nederland neer te zetten. In zijn boek ‘Holland’ beschrijft Rodaan hoe het Semmmier vergaat als hij na ruim negen jaar het AZC mag verlaten. Inmiddels is Rodaans taal nog rijker geworden en het lijkt er op dat doordat hij zich nog beter kan uitdrukken, nog dieper inzicht in onze cultuur heeft gekregen. Semmiers tocht van het ene goedkope adres naar het andere lijkt haast ongeloofwaardig, maar uit ervaring weet ik inmiddels dat het voor veel asielzoekers een vaak harde en bittere werkelijkheid is. ‘Holland’ is een fantastisch boek, dat je doet schamen en blozen, maar ook laat lachen en relativeren van veel aangeleerde Hollandse gekkigheden.

Het maakt nieuwsgierig naar Rodaans mening over hoe onze overheid maatregelen neemt vanwege een rondwarend virus. In de verschillende talkshows heb ik zijn visie nog niet gehoord, maar wel die van de zoveelste viroloog en econoom. Waarschijnlijk zal Rodaan met humor en gevoel voor understatement zijn visie geven op alle maatregelen en hoe de bevolking van Holland daar op reageert. Waarschijnlijk zou hij wel blij worden van de prachtige papegaaien die inmiddels de groene zuil onder de A10 sieren. Ook vandaag was de schilderes weer druk bezig. Vanaf de andere kant van de Weespertrekvaart heb ik poosje toe staan kijken hoe fietsers reageren op de schilderingen. Sommigen kijken niet op of om, terwijl anderen afstappen en bewonderend blijven kijken. Een prachtige eyecatcher in deze bijzondere tijd. Nu maar hopen, dat wanneer de hekken weg zijn, iedereen er met zijn graffitivingers vanaf blijft.

In quarantaine II

Ons stapeltje boeken. In ons appartementje stonden ook boeken, maar helaas allemaal Noors. Als we hadden moeten blijven, dan waren we misschien een cursus Noors begonnen.

Zondagmiddag, een strakblauwe hemel en mijn hoofd tolt nog steeds een beetje van het boek dat ik las op de terugvlucht van onze vakantie. Gelukkig was het onze normale terugvlucht en verliep het eigenlijk heel normaal. Op het vliegveld van Las Palmas, de hoofdstad van Gran Canaria waren alle winkels dan wel gesloten, maar we konden nog water uit een automaat laten rollen. De Global bus bus 91 had ons keurig afgezet, na een toch wat vreemde rit van een uur. We hoefden niet te betalen, de bussen hebben geen betaalautomaten en contant geld was not done.  Amadores, Puerto Rico, Patalavaca en Arguineguin, anders één al bruin van zonaanbidders, nu verlaten stranden met stapels zonnebedden en hier en daar nog een enkeling op een balkon van een appartement of hotel.
Twintig graden kouder stonden we zondagmorgen heel veel vroeg te kleumen op een toch niet eens uitgestorven Schiphol. En zondagmorgen waren daar gelukkig weer de vertrouwde stemmen van OPK broeders en zusters uit de computer. Een online-kerkdienst heeft toch ook zo zijn eigen charme. Het verhaal van de ‘De bekeerlinge’ bleef gisteren maar door mijn hoofd spoken. Wat een geweldig goed boek, had een paar jaar geleden de eerste hoofdstukken gelezen, maar toen sloeg het niet aan. Maar nu opnieuw begonnen, eerst op het dakterras en ’s avonds ook in bed, het verhaal bleef trekken. Mijn oudste dochter had gelijk; “Je moet het lezen, pap!” De vier uur durende vliegreis vloog voorbij, omdat ik zo gegrepen was door de belevenissen van Sara Hamoutal Vigdis Adelaïs. De roman van Stefan Hertmans neemt ons mee naar het eind van de 11e eeuw, wanneer de wereld ‘in brand’ komt te staan door de oproep van Franse paus Urbanus II, om het Heilige Land te bevrijden. Ook toen waarden besmettelijke ziektes en antisemitisme door Europa. Tegen die achtergrond wordt een Normandisch meisje in Rouen verliefd op een Joodse rabbi-leerling. Wat een geweldige en heerlijke leeservaring! In quarantaine zitten was wat dat betreft dus niet zo erg… En van veel Franse plaatsnamen weet je, ooh ja, daar zijn we ook geweest. Monieux in de Provence hebben we wel eens op wegwijzers zien staan en zoveel andere plaatsen die Hertmans noemt hebben we wel eens verkend.

Een helemaal leeg strand, strakblauwe lucht, gemiddeld 25 graden, maar geen zonaanbidders. Alle restaurants van de één op andere dag dicht. Weg voorjaarsseizoen voor de middenstanders. Geen aanvoer van voorraden meer, en de bediening zonder werk. Een Italiaans restaurant heeft nog een dag bezorgd, maar toen was het ook ook over. Toeristen kwamen niet meer aan en de dakterrassen werden dag na dag stiller. De schoonmaakster was erg bezorgd, geen werk; geen inkomen, hooguit een hele kleine steun van de overheid.

De Guardia Civil of de Policía Local kwamen elke dag wel een keer voorbij om iedereen op te roepen binnen te blijven. Dat ging natuurlijk in rap Spaans, met een korte samenvatting in het Engels en Duits. Het enige wat we opvingen was: “Stay at home!”. Je mocht alleen de straat op voor bezoek aan apotheek of supermarkt. De supermarkt werd gaande de week strenger. Niet meer met z’n tweeën naar binnen, maar eentje per familie. En, wat ons opviel, geen gehamster! Nu was het dan ook een SPAR en geen AH die van hamsteren een reclamestunt maakt. Het was uitgestorven op straat. Donderdagmiddag hadden we een rondje haven gedaan en zaten bij te komen op een bankje maar werden we door de groene agenten naar binnen gebonjourd; of we geen televisie keken?!

Het was verbazingwekkend om vandaag zomaar weer naar de Middenweg te kunnen fietsen. De slager aan de Pretoriusstraat was gewoon open, niet meer dan drie klanten tegelijk in de winkel. Ook onze hofleverancier nootjes aan de Hogeweg hoopt maar dat ze tot de essentiële levensbehoeften blijven behoren en dus open mogen blijven. Maar bij de supermarkt met het blauwe logo lopen toch wel erg veel mensen die zich niet storen aan 1,5 meter afstand en verbaasd kijken als je steeds opzij springt. Een week in quarantaine maakte ons nederig, bang waren we niet. Ik denk dat het thuisfront zich meer zorgen maakte of we terug konden komen. Het was jammer dat we niets konden ondernemen en dat past niet bij onze Nederlandse aard. Op een avond, het is in Mogan vroeg donker, liepen we nog even langs de haven. Her en daar zaten mensen op hun zeilschepen met een glas wijn nog lekker buiten. Opeens hoorden we Nederlands achter ons praten en ik zei: “Toch weer die Nederlanders hè, die zich niet aan de regels houden… ” We kwamen in gesprek en al snel ging het over de corona-crisis en de erbij horende maatregelen van de Spaanse overheid.  Wij vonden het in ieder geval moeilijk om opgesloten te zitten. Het oudere Noorse echtpaar dat naast ons in een appartement zat liep regelmatig de trappen op en neer om in beweging te blijven, ze durfden niet de straat op. Opvallend was ook dat zo’n Spaanse koning zijn volk anders toespreekt, hij deed het woensdag al trouwens. Staand voor een vlag van Spanje en Europa. Onze koning deed het vrijdag pas, zat rustig achter zijn bureau in zijn werkkamer, geen vlag te zien. De medewerkers op het verhuurkantoor waren ook echt van slag en angstig.

Het voorjaar was op Gran Canaria al duidelijk gestart en ook hier is er al meer groen te zien. Nieuw leven is op komst en we hopen maar dat we ons volgende kleinkind over enkele maanden niet alleen maar door het raam mogen bekijken. Gelukkig beseffen we ook dat er een God is die zorgt en troost en hoop geeft . Naar mijn idee zitten we niet ergens midden in de zeven plagen zoals sommige mensen beweren, maar mogen we eenvoudig leven uit genade. In de tijd van Hamoutal stierf soms een derde van de bevolking aan de pest, wij mogen dankbaar zijn voor een zeer geavanceerde gezondheidszorg. Daarnaast is er ook een zeer goed werkend systeem van voedselvoorziening met ook heel veel hardwerkende mensen. Zo is er dus veel om dankbaar te zijn! Vervolgens mogen we niet vergeten dat het ‘Kyrie eleison’ nu hard nodig is.

“De geheugenlozen”, wat de geschiedenis leert

Afgelopen week een voorpagina van Het Parool. Een verontrustend verhaal, het wordt gewoon om ‘Jood’ als scheldwoord te gebruiken. Het is één van de symptomen van een verruwing en verrechtsing in de wereld om ons heen. En bij de start van de veertigdagentijd is er alom verontwaardiging over een carnavalsoptocht in het Belgische Aalst, waar zogenaamd de draak wordt gestoken met ‘antisemitisme’. Hoe kan het toch dat mensen niet geleerd hebben van de afschuwelijke gebeurtenissen van voor en in de Tweede Wereldoorlog? Waarom kijken ook zoveel mensen de andere kant op? Waarom nemen grote partijen in het politieke landschap als VVD en CDA niet op een heel duidelijke manier afstand van de politieke partij van Baudet? Terwijl de laatste duidelijk aanschurkt tegen extreem rechtse denkers en schrijvers en trouwens ook in zijn uitlatingen niet schuwt om bepaalde bevolkingsgroepen als minderwaardig weg te zetten.

In de plaatselijke boekhandel, waar ik ‘uit principe’ geen boeken koop (omdat ik de echte boekhandel wil steunen), snuffel ik regelmatig toch even tussen de pas verschenen boeken. De collectie van deze keten is echter wel beperkt en dat is ook terug te zien in de wekelijkse top 10 die gepresenteerd wordt. Anderhalve week geleden stonden er op de nummers één, twee en drie, boeken over het leven in de Duitse vernietigingskampen. Wel gek dat afgelopen zaterdag Rutger Bregman weer op één stond, maar dat terzijde. Ik vond het nogal ironisch, op één het boek van Eddy de Wind waar pas na 75 jaar echt belangstelling voor is. In 1946 verscheen het in een kleine oplage en was er geen belangstelling voor dit soort verhalen. En voor het boek op twee, geldt ongeveer hetzelfde, Selma van de Perre heeft pas op hoge leeftijd haar belevenissen opgetekend. Na al die concentratiekampliteratuur is het nog ironischer dat op de vierde plaats “De meeste mensen deugen” staat. Het rijmt niet met elkaar, als echt de meeste mensen zouden deugen, dan had toch niet kunnen gebeuren wat er in Auschwitz-Birkenau, Ravensbrück, Dachau, Buchenwald, Theresienstadt en in nog vele andere kampen is gebeurd. Na 75 jaar is er wel een bibliotheek volgeschreven over de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en nog zijn niet alle vragen beantwoord en zullen er ook de komende jaren nog meer boeken verschijnen.

De voorpagina van Het Parool en de non-fictie top 10, kwamen voorbij toen ik “De geheugenlozen” (Die Gedächtnislosen / Les amnésiques)  aan het lezen was. Ik kreeg het mee van mijn Amersfoortse zus, die geeft wel vaker goede tips. Na wat zoeken op internet kwam ik het volgende tegen, in het Duits, maar goed te volgen:
“SPIEGEL ONLINE: Frau Schwarz, in Ihrem Buch rekonstruieren Sie den Krieg und die Nachkriegszeit anhand Ihrer deutsch-französischen Familiengeschichte. Warum ist Ihnen so wichtig, Schuld individuell zu verhandeln? 
Schwarz: Ich denke, dass man Geschichte und Erinnerung nicht trennen kann. Über die “kleine Geschichte”, die Art, wie sich ein einzelner Mensch im “Dritten Reich” und nach dem Krieg verhalten hat, lässt sich die “große Geschichte” besser verstehen, und umgekehrt. Weil man sich identifizieren kann, vor allem, wenn dieser Mensch ein Mitläufer war, wie mein deutscher Großvater, und keine große Nummer – kein Göring, kein Mengele. Mit denen kann sich niemand identifizieren. Aber aus Konformismus oder Opportunismus in die NSDAP eingetreten zu sein, sich ein bisschen bereichert zu haben, eine Firma arisiert zu haben und so allmählich zum Komplizen eines verbrecherischen Staates geworden zu sein – das kann man sich vorstellen. Auch dass sich ein solches Verhalten in einem anderen Kontext heute wiederholen könnte.”

Aan de hand van haar familiegeschiedenis schets de Frans-Duitse schrijfster Géraldine Schwartz de opkomst van  Adolf Hitler en het nazisme en hoe na de Tweede Wereldoorlog in verschillende landen werd gereageerd op alle afschuwelijke misdaden die uit naam van het Derde Rijk waren geleegd. En steeds weer komt de vraag om de hoek, waarom werden zoveel mensen meelopers? Doordat de schrijfster de verhalen over haar Duitse en Franse grootouders onderdeel van het verhaal laat worden, wordt je als vanzelf meegezogen in het grotere verhaal. Schwarz vraagt zich af waarom haar opa voor de oorlog in Mannheim een bedrijf kocht van Joodse eigenaren. Het was in de tijd dat Hitler, met zijn regering, de hele Duitse samenleving liet arisieren. Zo kwamen veel Duisters op een spotgoedkope manier in het bezit van Joodse winkels, bedrijven en later ook allerlei persoonlijke bezittingen.
Eind 2019 las ik het boeiende verhaal van Hella en Sandra Rottenberg over hun opa Isay. Deze ondernemende Amsterdammer kocht in 1932 een sigarenfabriek in de buurt van Dresden. In de jaren erna wordt van alle kanten geprobeerd om de Jood Rottenberg weg te werken, uiteindelijk belandt hij zelfs in de gevangenis en wordt zijn sigarenfabriek geariseerd, platweg afgepakt.
Bij de opa van Géraldine Schwartz ging het dus net andersom, na de oorlog werd hij dan ook gedwongen om de enige overgebleven eigenaar die uiteindelijk in de VS terecht was gekomen, alsnog schadeloos te stellen. Schwartz probeert vanuit dat verhaal te weten te komen waarom de Duitsers ‘meelopers’ werden. En wat haar boek zo aantrekkelijk maakt is dat ze ook naar het grotere politieke verhaal kijkt. Hoe reageerde de politiek nadat Duitsland tot op de rand van de afgrond was vernietigd door de geallieerden. Ze maakt op een heldere manier inzichtelijk dat het een geleidelijk proces is geweest en dat het ongelooflijk veel pijn en moeite kostte aan de leiders van het naoorlogse Duitsland om in het reine te komen met het verleden.
Vervolgens beschrijft Schwarz ook hoe het in Frankrijk is verlopen nadat de Duitsers daar het hele noorden in bezit hadden genomen en toestonden dat vanuit Vichy het zuiden werd bestuurd onder leiding van maarschalk Pétain. Ook hier weet ze op een heldere manier de lijnen door te trekken naar vandaag. Ze laat niet na aan te wijzen waar de populisten van vandaag hun oorsprong hebben, waar ze zich op beroepen en waar de ideeën van rechts-nationalisten toe leiden.

Niet mis te verstaan is het, voor de Nederlandse vertaling toegevoegde hoofdstuk over de opstelling van Nederlanders in de oorlog. Ook in dit hoofdstuk neemt ze weer scherp waar en heeft ze zich uitstekend verdiept in hoe ons land omging met de wegvoering van meer dan 100.000 Joodse landgenoten. Haar constatering dat Nederland tot op heden nog nooit officieel excuses heeft gemaakt voor wat de staat heeft verzuimd in die tijd, is inmiddels door de excuses van premier Rutte, gelukkig achterhaald. Maar haar constateringen over het wegkijken en ook meelopen zijn helder en uitermate relevant. Verschillende keren heb ik in het museum van de ‘Hollandse Schouwburg’ uitleg gegeven bij de plattegrond van Amsterdam, waarop is aangegeven waar Joden woonden. Een kaart met veel overgave gemaakt, door gewone ambtenaren op het stadhuis, voor de Duitse bezetter. En de constatering van Schwartz klopt; er wordt geen uitvoerige uitleg bij gegeven; hoe gek dit is en waarom ambtenaren gewoon deden wat hun werd opgedragen. Het confronteert de lezer met de vraag, wat hij zelf zou hebben gedaan; meelopen, wegkijken, saboteren of je baan opgeven? En waarom kwam er vanuit Londen niet een duidelijke richtlijn? Waarom niet opgeroepen om waar mogelijk Joden te helpen? Het zijn terechte vragen, juist waar ze gesteld worden door een buitenstaander met een ongelooflijke hoeveelheid kennis van zaken.
“De geheugenlozen” is een boeiend relaas. Wanneer je wel eens nadenkt over politieke standpunten van PVV en FvD, als je geïnteresseerd bent in de geschiedenis van Nederland en Europa in en na de Tweede Wereldoorlog, pak dit boek en lees.

 Enkele citaten

“(…) en toen de bezittende klasse doorkreeg dat Hitler de sociale orde niet omver zou werpen, steunde ze hem zonder aarzelen. Wat toegang tot (hoger) onderwijs betreft ondernam het regime niets om de sociale reproductie te doorbreken, en in de bedrijven bevoorrechtte het de werkgevers ten nadele van de werknemers: cao-regelingen, contractvrijheid en stakingsrecht werden afgeschaft, terwijl de vakbonden kapotgemaakt, hun bezittingen in beslag genomen en hun leiders gevangengenomen werden, (…) .” (113-114).

“Door te geloven dat toegeven bij kleine dingen geen gevolgen heeft. Uiteindelijk wordt het een opeenstapeling, kleinigheid op kleinigheid, compromis op compromis. Je komt op een kruising tussen goed en kwaad te staan. Je aanvaardt, je aanvaardt. Je wijkt voor jezelf. Je vergeet de mens die je bent geweest, de mens die je zou moeten zijn. Je houdt jezelf voor een toeschouwer te zijn, terwijl je allang hoofdrolspeler bent. En als vanzelf aanvaard je het onherstelbare.” (282).

“(…) Thierry Baudet maakt gebruik van de klassieke retoriek van de populisten van vroeger en vandaag: hij zwaait met de dreiging van de ondergang van het land, jut de kiezers op tegen de journalisten, de academici, de traditionele politici, de Europese Unie en de klassieke zondebokken: de immigranten. (…) Achter de façade is de toon chagrijnig, vrouwenhatend, racistisch.” (420-421).  [In dit verband had ze er ook nog op kunnen wijzen dat de Baudet inmiddels zijn pijlen ook richt op de rechterlijke macht.]

PS Het blijft wel bijzonder; een poosje rondstruinen op het internet en je vindt dit boek in het Duits en het Frans. Waarom is de voorkant veranderd voor de Nederlandse editie? Het lijkt er echt op dat aan die andere edities veel meer aandacht is besteed aan de cover.

archief opruimen

Deze gekalligrafeerde tekst hing jarenlang naast de orgelbank, samen met het getekende portret van de Amsterdamse organist en componist Jan Pieterszoon Sweelinck

In de eerste week van het nieuwe jaar hebben we geen nieuwjaarsduik gemaakt, maar een duik in het ‘archief’ van onze kerk. Samen met twee leden van de commissie van beheer (CVAB) hebben we flink huisgehouden in de grote verzameling spullen die in het kleine kamertje naast de werkkamer van onze predikant lagen opgeslagen. Heel veel papier hebben we opgeruimd. We vonden bijvoorbeeld een flinke stapel kasboeken op folioformaat, waarin precies was bijgehouden wat de leden van de OPK in de jaren 80 van de vorige eeuw via de gemeentegiro of de bank hadden overgemaakt. Namen en bedragen stonden keurig vermeld; de toenmalige penningmeester broeder de Boer was een zeer nauwgezet man. Waren kerkleden vergeten hun maandelijkse VVB (een typisch gereformeerde afkorting volgens mij voor: Vaste Vrijwillige Bijdrage), dan sprak de penningmeester je daar openlijk over aan op de stoep van de kerk. Broeder de Boer was ook degene die in het kerkblaadje eens een stukje schreef onder de titel: “De dienst des Heeren is geen stuiver waard”. Hij uitte daarin zijn ongenoegen over het vele kleingeld (dubbeltjes, stuivers en centen) in de zondagse collectezak.  Een financieel expert had waarschijnlijk gesmuld van alle gegevens en er een prachtige verhandeling over kunnen schrijven, maar we hebben alles toch maar verwezen naar de papiervernietiger. Ook mappen met daarin rekeningen, stapels bonnetjes en bankafschriften, het ging dezelfde weg.
Ook hele stapels ‘Waarheid en Recht’ zijn de weg naar de recycling gegaan. Die katernen bevatten elk vier preken van GKv predikanten en werden gebruikt als er een leesdienst moest worden gehouden. Er zaten ook hele oude jaargangen tussen met preken van onder andere professor K. Schilder, één van de voormannen in 1944 van de Vrijmaking. Wijlen broeder Daan van Driel (1925-1992) las wel eens zo’n preek en dat werd dan een eindeloze zit, ook omdat hij er nog eigen toevoegingen in de preek zette. De kerkenraad nam toen maar het besluit om alleen preken te lezen van nog in leven zijnde predikanten.

Wat we niet hebben weggegooid zijn natuurlijk notulen en oude kerkbladen. Ik heb nog geen idee of het compleet is, maar gezien de vele stapels ziet het er goed uit. Een vooruitziende scriba heeft in de jaren 1967 en 1968 van elk nummer meerdere exemplaren bewaard. Helaas wel dubbelgevouwen, voor het ‘mooie’ bewaren niet echt fraai. Eén stapeltje heb ik mee naar huis genomen en doorgebladerd. Het geeft een mooi inzicht in wat de toenmalige kerkenraad belangrijk vond om door te geven aan hun leden. In 1967 was een groep gemeenteleden apart gaan vergaderen, omdat men het met de koers van de overige Amsterdamse gereformeerde kerken niet eens was. Aanleiding was een ‘Open Brief’ aan alle gereformeerd-vrijgemaakte kerkleden. Ook Amsterdamse predikanten hadden daar hun naam onder gezet en dat leidde tot grote onenigheid in de Amsterdamse gemeenten. Zo ontstond de ‘dolerende’ kerk van Amsterdam-Centrum die ging vergaderen in het gebouw “Reigersburg” aan de Bakhuys Roozeboomstraat (in de Watergraafsmeer tussen park Frankendael en de Nieuwe Ooster, de wijk wordt in de volksmond nog steeds ‘Jeruzalem’ genoemd). De broeders Visscher en Kleine Deters waren respectievelijk voorzitter en scriba en ook de leiders van de ‘doleantie’. Het is boeiend om te lezen hoe het apart vergaderen wordt verwoord en afgezet wordt tegen hen die bleven onder de prediking van predikanten die onder andere open stonden voor samenwerking met de ‘synodalen’. De strijd om wie echt gereformeerde kerk wilde heten en zijn, werd op een felle manier gevoerd. In een aantal afleveringen van de 1e jaargang worden hele artikelen uit de kerkelijke pers overgenomen. In die tijd betekende dat de maker van het kerkblad hele artikelen overtypte, waarschijnlijk op speciaal stencilpapier. Men had er wat voor over om de gemeente goed voor te lichten!
Hoe bijzonder is het dan om te weten dat op de synode die deze en komende maanden bij elkaar komt, wordt gewerkt aan éénwording met de Nederlands Gereformeerde kerken. De laatste werden nadat de scheuring in de GKv definitief was, buiten het verband van gezet en daarom ‘buitenverbanders’ genoemd. In Amsterdam werden de meeste vrijgemaakten ‘buitenverband’, maar landelijk gezien waren ze een minderheid. Veel leden van onze gemeente hebben geen idee van de twisten in de jaren zestig van de vorige eeuw, maar het is wel een deel van onze geschiedenis en daarom waard om herinnerd te worden en er ook van te leren. Vandaag vinden we het heel gewoon wanneer dominee Jan van Helden (NGK) bij ons op het podium staat, maar nog niet zo lang geleden was dat onbestaanbaar.

15 december 1944 – 15 december 2019, evolutie van een monument

Afgelopen zaterdag in Het Parool, de suggestie dat de lijken een paar dagen op straat hebben gelegen is niet juist, naar mijn idee. De begrafenisondernemer ging n.l. op de 16e december naar Overveen.

Alhoewel het weerbericht redelijk was, hielden we het niet droog. Ach, misschien paste het ook gewoon bij de gelegenheid, zoals Bart Wallet van het comité Haarlemmerweg suggereerde. Gelukkig was het bij de kranslegging, de taptoe, de twee minuten stilte en het zingen van ons volkslied bijkans droog.   (Het jongetje voor mij dacht trouwens dat de taptoe betekende ‘dat de soldaten dan moesten aanvallen’.) Een indrukwekkende bijeenkomst werd het, de Haarlemmerweg (N200) was tussen afslag Sloterdijk en Slotermeer afgesloten, in alle rust kon het nieuwe monument worden ‘onthuld’. Toespraken van familieleden en ook van de gemeentebesturen en de politie.

Over ‘het monument’ heb ik al eerder gepubliceerd, zie mijn blog ‘Dodenherdenking‘. Sinds 1985 is het monument geadopteerd door de dr. M.B. van ’t Veerschool / Veerkracht. In die tijd wisten we op school nauwelijks iets over het monument en de achtergrond er van. Meester Wietsma wist dat er een straat in Badhoevedorp was vernoemd; de ‘Pa Verkuijllaan’ naar één van de gefusilleerden. De eerste jaren gingen groep 7 en 8 trouwens overdag naar de Haarlemmerweg, omdat de officiële Dodenherdenking natuurlijk ’s avonds op 8 uur op 4 mei was. Op een gegeven moment zijn we het als school toch op het officiële moment gaan doen. En toen het op een zondag was, is er breed gediscussieerd of we dat wel mocht. Door de jaren heen kwamen er steeds meer mensen op 4 mei, buurtbewoners, nabestaanden en geïnteresseerden.

Het houten kruis aan de drukke Haarlemmerweg had toen we het als school adopteerden al een behoorlijke geschiedenis achter de rug. In 1947 kwam er voor het eerst een monument, de bewoners van boerderij Vredelust hebben daar voor gezorgd. Een eenvoudig wit houten monument met daarop de tekst: “Zij brachten voor de vrijheid het grootste offer“. Onduidelijk is wanneer het gedenkteken in de berm is komen te staan van de Haarlemmerweg, maar waarschijnlijk is dat gebeurd toen boerderij Vredelust is afgebroken. Begin jaren 50 moest Amsterdam uitbreiden en ontstond tuinstad Slotermeer. (zie blog over de architect van Heesteren). Het stond er wat verloren bij, in het gras en daarachter schuin aflopend een vijver. Geen mooi perk er om heen en niemand die zich verantwoordelijk voelde. In Het Parool van 12 december 1964 staat een trieste foto. Gelukkig kan men melden dat er een nieuw kruis is gemaakt, twintig jaar na de fusillade zal het worden onthuld. Enkele dagen later staat er een ingezonden van ene Jan Rot in Het Parool. Schijnbaar is er gesuggereerd een inzameling te houden voor een meer duurzamere oplossing. Maar ook toen was er een bulderende storm en striemende regen en Rot zegt, dat hij waarschijnlijk door de verslaggeefster niet goed verstaan is. “Ik heb gezegd (mag het even?): „De drie mannen verdienden een monument van duurzamer materiaal en van meer allure. Zouden de vriendinnen en vrienden, indien zulks gewenst wordt met ons afdelingsbestuur, de koppen niet eens bij elkaar kunnen steken om, in dit verband een initiatief te nemen?”.Wij willen dus géén inzameling”, onze plannen gaan een heel andere richting uit.”  Ma Verkuijl en mevrouw Elias, de beide weduwes waren er bij die dag. Toch is zijn oproep door de storm verwaaid.

Het is november 1976, nog lang voordat de school het monument adopteert. In het Parool heeft Evert Werkman (werkte in de oorlog al voor Het Parool en schreef er later vele boeken over) een ‘Amsterdams Logboek’. Er heeft zich iemand bij hem gemeld met de naam Abercromby, deze verzocht het gemeentebestuur in april, het kruis op te knappen. Logisch, want het staat er dan al twaalf jaar. Toch is het later nog een keer vernieuwd, op een middelbare school is een leraar houtbewerken met een klas aan de slag gegaan en heeft het compleet gekopieerd. Heel lang heeft ook het tweede kruis gewoon in het gras gestaan, totdat toch de gemeente er een keurig perk omheen maakte, wat bielzen en wat planten en struikjes, op een gegeven moment zag je het kruis bijna niet meer.

Hannie Elias afgelopen zondag bij het nieuwe monument. (AT5)

Nu de N200 op de schop moest vanwege groot onderhoud en herprofilering, heeft het ‘comité Haarlemmerweg’, onder leiding van Hélène de Bruine, er voor gezorgd dat er eindelijk een nieuw, eigentijds monument is verrezen. Een plek waar je zelfs kunt zitten en waar alleen nog een informatiebord over de gefusilleerden ontbreekt. Toen ik een week geleden op de Erebegraafplaats in Bloemendaal was, vond ik daar uitgebreide info over de drie doodgeschoten verzetshelden. Vader en zoon Verkuijl liggen met Elias begraven in vak 5. Die dinsdag was het er stil en rustig. Tijd genoeg om hun namen en de bijschriften uitgebreid te bestuderen. Een indrukwekkende plek, waar bijna 400 verzetsstrijders ‘herbegraven’ zijn. Al die namen van mensen die hun leven gaven. Eigenlijk is het beter te zeggen; die hun leven werd afgenomen. Vaak zonder proces werden ze doodgeschoten. Gedreven, vaak jonge mensen, die opkwamen tegen onrecht. In vak 5 is de gemiddelde leeftijd 34, waarvan Henk Verkuijl als 22-jarige, de jongste. Je zou ze nog eens willen spreken, over hoe spannend het was, hun angsten en ook hun moed. Het is goed dat er langs een drukke weg, nu drie kruisen staan. Niemand kan meer denken dat het een ‘bermmonument’ is, dat er een auto met drie mensen is verongelukt of iets dergelijks.

Na de plechtigheid werd ik aangesproken door Maurice de Hond. Hij bleek in zijn jeugd heel vaak op 4 mei bij het monument te zijn geweest. Zijn vader Sam de Hond werkte veel samen, tot zijn gevangenneming, met rechercheur Piet Elias en Anton Japin.  Wie geïnteresseerd is moet op de website van de opiniepeiler het boek opzoeken over vader Sam de Hond.