Categorie: geschiedenis

In quarantaine II

Ons stapeltje boeken. In ons appartementje stonden ook boeken, maar helaas allemaal Noors. Als we hadden moeten blijven, dan waren we misschien een cursus Noors begonnen.

Zondagmiddag, een strakblauwe hemel en mijn hoofd tolt nog steeds een beetje van het boek dat ik las op de terugvlucht van onze vakantie. Gelukkig was het onze normale terugvlucht en verliep het eigenlijk heel normaal. Op het vliegveld van Las Palmas, de hoofdstad van Gran Canaria waren alle winkels dan wel gesloten, maar we konden nog water uit een automaat laten rollen. De Global bus bus 91 had ons keurig afgezet, na een toch wat vreemde rit van een uur. We hoefden niet te betalen, de bussen hebben geen betaalautomaten en contant geld was not done.  Amadores, Puerto Rico, Patalavaca en Arguineguin, anders één al bruin van zonaanbidders, nu verlaten stranden met stapels zonnebedden en hier en daar nog een enkeling op een balkon van een appartement of hotel.
Twintig graden kouder stonden we zondagmorgen heel veel vroeg te kleumen op een toch niet eens uitgestorven Schiphol. En zondagmorgen waren daar gelukkig weer de vertrouwde stemmen van OPK broeders en zusters uit de computer. Een online-kerkdienst heeft toch ook zo zijn eigen charme. Het verhaal van de ‘De bekeerlinge’ bleef gisteren maar door mijn hoofd spoken. Wat een geweldig goed boek, had een paar jaar geleden de eerste hoofdstukken gelezen, maar toen sloeg het niet aan. Maar nu opnieuw begonnen, eerst op het dakterras en ’s avonds ook in bed, het verhaal bleef trekken. Mijn oudste dochter had gelijk; “Je moet het lezen, pap!” De vier uur durende vliegreis vloog voorbij, omdat ik zo gegrepen was door de belevenissen van Sara Hamoutal Vigdis Adelaïs. De roman van Stefan Hertmans neemt ons mee naar het eind van de 11e eeuw, wanneer de wereld ‘in brand’ komt te staan door de oproep van Franse paus Urbanus II, om het Heilige Land te bevrijden. Ook toen waarden besmettelijke ziektes en antisemitisme door Europa. Tegen die achtergrond wordt een Normandisch meisje in Rouen verliefd op een Joodse rabbi-leerling. Wat een geweldige en heerlijke leeservaring! In quarantaine zitten was wat dat betreft dus niet zo erg… En van veel Franse plaatsnamen weet je, ooh ja, daar zijn we ook geweest. Monieux in de Provence hebben we wel eens op wegwijzers zien staan en zoveel andere plaatsen die Hertmans noemt hebben we wel eens verkend.

Een helemaal leeg strand, strakblauwe lucht, gemiddeld 25 graden, maar geen zonaanbidders. Alle restaurants van de één op andere dag dicht. Weg voorjaarsseizoen voor de middenstanders. Geen aanvoer van voorraden meer, en de bediening zonder werk. Een Italiaans restaurant heeft nog een dag bezorgd, maar toen was het ook ook over. Toeristen kwamen niet meer aan en de dakterrassen werden dag na dag stiller. De schoonmaakster was erg bezorgd, geen werk; geen inkomen, hooguit een hele kleine steun van de overheid.

De Guardia Civil of de Policía Local kwamen elke dag wel een keer voorbij om iedereen op te roepen binnen te blijven. Dat ging natuurlijk in rap Spaans, met een korte samenvatting in het Engels en Duits. Het enige wat we opvingen was: “Stay at home!”. Je mocht alleen de straat op voor bezoek aan apotheek of supermarkt. De supermarkt werd gaande de week strenger. Niet meer met z’n tweeën naar binnen, maar eentje per familie. En, wat ons opviel, geen gehamster! Nu was het dan ook een SPAR en geen AH die van hamsteren een reclamestunt maakt. Het was uitgestorven op straat. Donderdagmiddag hadden we een rondje haven gedaan en zaten bij te komen op een bankje maar werden we door de groene agenten naar binnen gebonjourd; of we geen televisie keken?!

Het was verbazingwekkend om vandaag zomaar weer naar de Middenweg te kunnen fietsen. De slager aan de Pretoriusstraat was gewoon open, niet meer dan drie klanten tegelijk in de winkel. Ook onze hofleverancier nootjes aan de Hogeweg hoopt maar dat ze tot de essentiële levensbehoeften blijven behoren en dus open mogen blijven. Maar bij de supermarkt met het blauwe logo lopen toch wel erg veel mensen die zich niet storen aan 1,5 meter afstand en verbaasd kijken als je steeds opzij springt. Een week in quarantaine maakte ons nederig, bang waren we niet. Ik denk dat het thuisfront zich meer zorgen maakte of we terug konden komen. Het was jammer dat we niets konden ondernemen en dat past niet bij onze Nederlandse aard. Op een avond, het is in Mogan vroeg donker, liepen we nog even langs de haven. Her en daar zaten mensen op hun zeilschepen met een glas wijn nog lekker buiten. Opeens hoorden we Nederlands achter ons praten en ik zei: “Toch weer die Nederlanders hè, die zich niet aan de regels houden… ” We kwamen in gesprek en al snel ging het over de corona-crisis en de erbij horende maatregelen van de Spaanse overheid.  Wij vonden het in ieder geval moeilijk om opgesloten te zitten. Het oudere Noorse echtpaar dat naast ons in een appartement zat liep regelmatig de trappen op en neer om in beweging te blijven, ze durfden niet de straat op. Opvallend was ook dat zo’n Spaanse koning zijn volk anders toespreekt, hij deed het woensdag al trouwens. Staand voor een vlag van Spanje en Europa. Onze koning deed het vrijdag pas, zat rustig achter zijn bureau in zijn werkkamer, geen vlag te zien. De medewerkers op het verhuurkantoor waren ook echt van slag en angstig.

Het voorjaar was op Gran Canaria al duidelijk gestart en ook hier is er al meer groen te zien. Nieuw leven is op komst en we hopen maar dat we ons volgende kleinkind over enkele maanden niet alleen maar door het raam mogen bekijken. Gelukkig beseffen we ook dat er een God is die zorgt en troost en hoop geeft . Naar mijn idee zitten we niet ergens midden in de zeven plagen zoals sommige mensen beweren, maar mogen we eenvoudig leven uit genade. In de tijd van Hamoutal stierf soms een derde van de bevolking aan de pest, wij mogen dankbaar zijn voor een zeer geavanceerde gezondheidszorg. Daarnaast is er ook een zeer goed werkend systeem van voedselvoorziening met ook heel veel hardwerkende mensen. Zo is er dus veel om dankbaar te zijn! Vervolgens mogen niet vergeten dat het ‘Kyrie eleison’ nu hard nodig is.

“De geheugenlozen”, wat de geschiedenis leert

Afgelopen week een voorpagina van Het Parool. Een verontrustend verhaal, het wordt gewoon om ‘Jood’ als scheldwoord te gebruiken. Het is één van de symptomen van een verruwing en verrechtsing in de wereld om ons heen. En bij de start van de veertigdagentijd is er alom verontwaardiging over een carnavalsoptocht in het Belgische Aalst, waar zogenaamd de draak wordt gestoken met ‘antisemitisme’. Hoe kan het toch dat mensen niet geleerd hebben van de afschuwelijke gebeurtenissen van voor en in de Tweede Wereldoorlog? Waarom kijken ook zoveel mensen de andere kant op? Waarom nemen grote partijen in het politieke landschap als VVD en CDA niet op een heel duidelijke manier afstand van de politieke partij van Baudet? Terwijl de laatste duidelijk aanschurkt tegen extreem rechtse denkers en schrijvers en trouwens ook in zijn uitlatingen niet schuwt om bepaalde bevolkingsgroepen als minderwaardig weg te zetten.

In de plaatselijke boekhandel, waar ik ‘uit principe’ geen boeken koop (omdat ik de echte boekhandel wil steunen), snuffel ik regelmatig toch even tussen de pas verschenen boeken. De collectie van deze keten is echter wel beperkt en dat is ook terug te zien in de wekelijkse top 10 die gepresenteerd wordt. Anderhalve week geleden stonden er op de nummers één, twee en drie, boeken over het leven in de Duitse vernietigingskampen. Wel gek dat afgelopen zaterdag Rutger Bregman weer op één stond, maar dat terzijde. Ik vond het nogal ironisch, op één het boek van Eddy de Wind waar pas na 75 jaar echt belangstelling voor is. In 1946 verscheen het in een kleine oplage en was er geen belangstelling voor dit soort verhalen. En voor het boek op twee, geldt ongeveer hetzelfde, Selma van de Perre heeft pas op hoge leeftijd haar belevenissen opgetekend. Na al die concentratiekampliteratuur is het nog ironischer dat op de vierde plaats “De meeste mensen deugen” staat. Het rijmt niet met elkaar, als echt de meeste mensen zouden deugen, dan had toch niet kunnen gebeuren wat er in Auschwitz-Birkenau, Ravensbrück, Dachau, Buchenwald, Theresienstadt en in nog vele andere kampen is gebeurd. Na 75 jaar is er wel een bibliotheek volgeschreven over de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en nog zijn niet alle vragen beantwoord en zullen er ook de komende jaren nog meer boeken verschijnen.

De voorpagina van Het Parool en de non-fictie top 10, kwamen voorbij toen ik “De geheugenlozen” (Die Gedächtnislosen / Les amnésiques)  aan het lezen was. Ik kreeg het mee van mijn Amersfoortse zus, die geeft wel vaker goede tips. Na wat zoeken op internet kwam ik het volgende tegen, in het Duits, maar goed te volgen:
“SPIEGEL ONLINE: Frau Schwarz, in Ihrem Buch rekonstruieren Sie den Krieg und die Nachkriegszeit anhand Ihrer deutsch-französischen Familiengeschichte. Warum ist Ihnen so wichtig, Schuld individuell zu verhandeln? 
Schwarz: Ich denke, dass man Geschichte und Erinnerung nicht trennen kann. Über die “kleine Geschichte”, die Art, wie sich ein einzelner Mensch im “Dritten Reich” und nach dem Krieg verhalten hat, lässt sich die “große Geschichte” besser verstehen, und umgekehrt. Weil man sich identifizieren kann, vor allem, wenn dieser Mensch ein Mitläufer war, wie mein deutscher Großvater, und keine große Nummer – kein Göring, kein Mengele. Mit denen kann sich niemand identifizieren. Aber aus Konformismus oder Opportunismus in die NSDAP eingetreten zu sein, sich ein bisschen bereichert zu haben, eine Firma arisiert zu haben und so allmählich zum Komplizen eines verbrecherischen Staates geworden zu sein – das kann man sich vorstellen. Auch dass sich ein solches Verhalten in einem anderen Kontext heute wiederholen könnte.”

Aan de hand van haar familiegeschiedenis schets de Frans-Duitse schrijfster Géraldine Schwartz de opkomst van  Adolf Hitler en het nazisme en hoe na de Tweede Wereldoorlog in verschillende landen werd gereageerd op alle afschuwelijke misdaden die uit naam van het Derde Rijk waren geleegd. En steeds weer komt de vraag om de hoek, waarom werden zoveel mensen meelopers? Doordat de schrijfster de verhalen over haar Duitse en Franse grootouders onderdeel van het verhaal laat worden, wordt je als vanzelf meegezogen in het grotere verhaal. Schwarz vraagt zich af waarom haar opa voor de oorlog in Mannheim een bedrijf kocht van Joodse eigenaren. Het was in de tijd dat Hitler, met zijn regering, de hele Duitse samenleving liet arisieren. Zo kwamen veel Duisters op een spotgoedkope manier in het bezit van Joodse winkels, bedrijven en later ook allerlei persoonlijke bezittingen.
Eind 2019 las ik het boeiende verhaal van Hella en Sandra Rottenberg over hun opa Isay. Deze ondernemende Amsterdammer kocht in 1932 een sigarenfabriek in de buurt van Dresden. In de jaren erna wordt van alle kanten geprobeerd om de Jood Rottenberg weg te werken, uiteindelijk belandt hij zelfs in de gevangenis en wordt zijn sigarenfabriek geariseerd, platweg afgepakt.
Bij de opa van Géraldine Schwartz ging het dus net andersom, na de oorlog werd hij dan ook gedwongen om de enige overgebleven eigenaar die uiteindelijk in de VS terecht was gekomen, alsnog schadeloos te stellen. Schwartz probeert vanuit dat verhaal te weten te komen waarom de Duitsers ‘meelopers’ werden. En wat haar boek zo aantrekkelijk maakt is dat ze ook naar het grotere politieke verhaal kijkt. Hoe reageerde de politiek nadat Duitsland tot op de rand van de afgrond was vernietigd door de geallieerden. Ze maakt op een heldere manier inzichtelijk dat het een geleidelijk proces is geweest en dat het ongelooflijk veel pijn en moeite kostte aan de leiders van het naoorlogse Duitsland om in het reine te komen met het verleden.
Vervolgens beschrijft Schwarz ook hoe het in Frankrijk is verlopen nadat de Duitsers daar het hele noorden in bezit hadden genomen en toestonden dat vanuit Vichy het zuiden werd bestuurd onder leiding van maarschalk Pétain. Ook hier weet ze op een heldere manier de lijnen door te trekken naar vandaag. Ze laat niet na aan te wijzen waar de populisten van vandaag hun oorsprong hebben, waar ze zich op beroepen en waar de ideeën van rechts-nationalisten toe leiden.

Niet mis te verstaan is het, voor de Nederlandse vertaling toegevoegde hoofdstuk over de opstelling van Nederlanders in de oorlog. Ook in dit hoofdstuk neemt ze weer scherp waar en heeft ze zich uitstekend verdiept in hoe ons land omging met de wegvoering van meer dan 100.000 Joodse landgenoten. Haar constatering dat Nederland tot op heden nog nooit officieel excuses heeft gemaakt voor wat de staat heeft verzuimd in die tijd, is inmiddels door de excuses van premier Rutte, gelukkig achterhaald. Maar haar constateringen over het wegkijken en ook meelopen zijn helder en uitermate relevant. Verschillende keren heb ik in het museum van de ‘Hollandse Schouwburg’ uitleg gegeven bij de plattegrond van Amsterdam, waarop is aangegeven waar Joden woonden. Een kaart met veel overgave gemaakt, door gewone ambtenaren op het stadhuis, voor de Duitse bezetter. En de constatering van Schwartz klopt; er wordt geen uitvoerige uitleg bij gegeven; hoe gek dit is en waarom ambtenaren gewoon deden wat hun werd opgedragen. Het confronteert de lezer met de vraag, wat hij zelf zou hebben gedaan; meelopen, wegkijken, saboteren of je baan opgeven? En waarom kwam er vanuit Londen niet een duidelijke richtlijn? Waarom niet opgeroepen om waar mogelijk Joden te helpen? Het zijn terechte vragen, juist waar ze gesteld worden door een buitenstaander met een ongelooflijke hoeveelheid kennis van zaken.
“De geheugenlozen” is een boeiend relaas. Wanneer je wel eens nadenkt over politieke standpunten van PVV en FvD, als je geïnteresseerd bent in de geschiedenis van Nederland en Europa in en na de Tweede Wereldoorlog, pak dit boek en lees.

 Enkele citaten

“(…) en toen de bezittende klasse doorkreeg dat Hitler de sociale orde niet omver zou werpen, steunde ze hem zonder aarzelen. Wat toegang tot (hoger) onderwijs betreft ondernam het regime niets om de sociale reproductie te doorbreken, en in de bedrijven bevoorrechtte het de werkgevers ten nadele van de werknemers: cao-regelingen, contractvrijheid en stakingsrecht werden afgeschaft, terwijl de vakbonden kapotgemaakt, hun bezittingen in beslag genomen en hun leiders gevangengenomen werden, (…) .” (113-114).

“Door te geloven dat toegeven bij kleine dingen geen gevolgen heeft. Uiteindelijk wordt het een opeenstapeling, kleinigheid op kleinigheid, compromis op compromis. Je komt op een kruising tussen goed en kwaad te staan. Je aanvaardt, je aanvaardt. Je wijkt voor jezelf. Je vergeet de mens die je bent geweest, de mens die je zou moeten zijn. Je houdt jezelf voor een toeschouwer te zijn, terwijl je allang hoofdrolspeler bent. En als vanzelf aanvaard je het onherstelbare.” (282).

“(…) Thierry Baudet maakt gebruik van de klassieke retoriek van de populisten van vroeger en vandaag: hij zwaait met de dreiging van de ondergang van het land, jut de kiezers op tegen de journalisten, de academici, de traditionele politici, de Europese Unie en de klassieke zondebokken: de immigranten. (…) Achter de façade is de toon chagrijnig, vrouwenhatend, racistisch.” (420-421).  [In dit verband had ze er ook nog op kunnen wijzen dat de Baudet inmiddels zijn pijlen ook richt op de rechterlijke macht.]

PS Het blijft wel bijzonder; een poosje rondstruinen op het internet en je vindt dit boek in het Duits en het Frans. Waarom is de voorkant veranderd voor de Nederlandse editie? Het lijkt er echt op dat aan die andere edities veel meer aandacht is besteed aan de cover.

archief opruimen

Deze gekalligrafeerde tekst hing jarenlang naast de orgelbank, samen met het getekende portret van de Amsterdamse organist en componist Jan Pieterszoon Sweelinck

In de eerste week van het nieuwe jaar hebben we geen nieuwjaarsduik gemaakt, maar een duik in het ‘archief’ van onze kerk. Samen met twee leden van de commissie van beheer (CVAB) hebben we flink huisgehouden in de grote verzameling spullen die in het kleine kamertje naast de werkkamer van onze predikant lagen opgeslagen. Heel veel papier hebben we opgeruimd. We vonden bijvoorbeeld een flinke stapel kasboeken op folioformaat, waarin precies was bijgehouden wat de leden van de OPK in de jaren 80 van de vorige eeuw via de gemeentegiro of de bank hadden overgemaakt. Namen en bedragen stonden keurig vermeld; de toenmalige penningmeester broeder de Boer was een zeer nauwgezet man. Waren kerkleden vergeten hun maandelijkse VVB (een typisch gereformeerde afkorting volgens mij voor: Vaste Vrijwillige Bijdrage), dan sprak de penningmeester je daar openlijk over aan op de stoep van de kerk. Broeder de Boer was ook degene die in het kerkblaadje eens een stukje schreef onder de titel: “De dienst des Heeren is geen stuiver waard”. Hij uitte daarin zijn ongenoegen over het vele kleingeld (dubbeltjes, stuivers en centen) in de zondagse collectezak.  Een financieel expert had waarschijnlijk gesmuld van alle gegevens en er een prachtige verhandeling over kunnen schrijven, maar we hebben alles toch maar verwezen naar de papiervernietiger. Ook mappen met daarin rekeningen, stapels bonnetjes en bankafschriften, het ging dezelfde weg.
Ook hele stapels ‘Waarheid en Recht’ zijn de weg naar de recycling gegaan. Die katernen bevatten elk vier preken van GKv predikanten en werden gebruikt als er een leesdienst moest worden gehouden. Er zaten ook hele oude jaargangen tussen met preken van onder andere professor K. Schilder, één van de voormannen in 1944 van de Vrijmaking. Wijlen broeder Daan van Driel (1925-1992) las wel eens zo’n preek en dat werd dan een eindeloze zit, ook omdat hij er nog eigen toevoegingen in de preek zette. De kerkenraad nam toen maar het besluit om alleen preken te lezen van nog in leven zijnde predikanten.

Wat we niet hebben weggegooid zijn natuurlijk notulen en oude kerkbladen. Ik heb nog geen idee of het compleet is, maar gezien de vele stapels ziet het er goed uit. Een vooruitziende scriba heeft in de jaren 1967 en 1968 van elk nummer meerdere exemplaren bewaard. Helaas wel dubbelgevouwen, voor het ‘mooie’ bewaren niet echt fraai. Eén stapeltje heb ik mee naar huis genomen en doorgebladerd. Het geeft een mooi inzicht in wat de toenmalige kerkenraad belangrijk vond om door te geven aan hun leden. In 1967 was een groep gemeenteleden apart gaan vergaderen, omdat men het met de koers van de overige Amsterdamse gereformeerde kerken niet eens was. Aanleiding was een ‘Open Brief’ aan alle gereformeerd-vrijgemaakte kerkleden. Ook Amsterdamse predikanten hadden daar hun naam onder gezet en dat leidde tot grote onenigheid in de Amsterdamse gemeenten. Zo ontstond de ‘dolerende’ kerk van Amsterdam-Centrum die ging vergaderen in het gebouw “Reigersburg” aan de Bakhuys Roozeboomstraat (in de Watergraafsmeer tussen park Frankendael en de Nieuwe Ooster, de wijk wordt in de volksmond nog steeds ‘Jeruzalem’ genoemd). De broeders Visscher en Kleine Deters waren respectievelijk voorzitter en scriba en ook de leiders van de ‘doleantie’. Het is boeiend om te lezen hoe het apart vergaderen wordt verwoord en afgezet wordt tegen hen die bleven onder de prediking van predikanten die onder andere open stonden voor samenwerking met de ‘synodalen’. De strijd om wie echt gereformeerde kerk wilde heten en zijn, werd op een felle manier gevoerd. In een aantal afleveringen van de 1e jaargang worden hele artikelen uit de kerkelijke pers overgenomen. In die tijd betekende dat de maker van het kerkblad hele artikelen overtypte, waarschijnlijk op speciaal stencilpapier. Men had er wat voor over om de gemeente goed voor te lichten!
Hoe bijzonder is het dan om te weten dat op de synode die deze en komende maanden bij elkaar komt, wordt gewerkt aan éénwording met de Nederlands Gereformeerde kerken. De laatste werden nadat de scheuring in de GKv definitief was, buiten het verband van gezet en daarom ‘buitenverbanders’ genoemd. In Amsterdam werden de meeste vrijgemaakten ‘buitenverband’, maar landelijk gezien waren ze een minderheid. Veel leden van onze gemeente hebben geen idee van de twisten in de jaren zestig van de vorige eeuw, maar het is wel een deel van onze geschiedenis en daarom waard om herinnerd te worden en er ook van te leren. Vandaag vinden we het heel gewoon wanneer dominee Jan van Helden (NGK) bij ons op het podium staat, maar nog niet zo lang geleden was dat onbestaanbaar.

15 december 1944 – 15 december 2019, evolutie van een monument

Afgelopen zaterdag in Het Parool, de suggestie dat de lijken een paar dagen op straat hebben gelegen is niet juist, naar mijn idee. De begrafenisondernemer ging n.l. op de 16e december naar Overveen.

Alhoewel het weerbericht redelijk was, hielden we het niet droog. Ach, misschien paste het ook gewoon bij de gelegenheid, zoals Bart Wallet van het comité Haarlemmerweg suggereerde. Gelukkig was het bij de kranslegging, de taptoe, de twee minuten stilte en het zingen van ons volkslied bijkans droog.   (Het jongetje voor mij dacht trouwens dat de taptoe betekende ‘dat de soldaten dan moesten aanvallen’.) Een indrukwekkende bijeenkomst werd het, de Haarlemmerweg (N200) was tussen afslag Sloterdijk en Slotermeer afgesloten, in alle rust kon het nieuwe monument worden ‘onthuld’. Toespraken van familieleden en ook van de gemeentebesturen en de politie.

Over ‘het monument’ heb ik al eerder gepubliceerd, zie mijn blog ‘Dodenherdenking‘. Sinds 1985 is het monument geadopteerd door de dr. M.B. van ’t Veerschool / Veerkracht. In die tijd wisten we op school nauwelijks iets over het monument en de achtergrond er van. Meester Wietsma wist dat er een straat in Badhoevedorp was vernoemd; de ‘Pa Verkuijllaan’ naar één van de gefusilleerden. De eerste jaren gingen groep 7 en 8 trouwens overdag naar de Haarlemmerweg, omdat de officiële Dodenherdenking natuurlijk ’s avonds op 8 uur op 4 mei was. Op een gegeven moment zijn we het als school toch op het officiële moment gaan doen. En toen het op een zondag was, is er breed gediscussieerd of we dat wel mocht. Door de jaren heen kwamen er steeds meer mensen op 4 mei, buurtbewoners, nabestaanden en geïnteresseerden.

Het houten kruis aan de drukke Haarlemmerweg had toen we het als school adopteerden al een behoorlijke geschiedenis achter de rug. In 1947 kwam er voor het eerst een monument, de bewoners van boerderij Vredelust hebben daar voor gezorgd. Een eenvoudig wit houten monument met daarop de tekst: “Zij brachten voor de vrijheid het grootste offer“. Onduidelijk is wanneer het gedenkteken in de berm is komen te staan van de Haarlemmerweg, maar waarschijnlijk is dat gebeurd toen boerderij Vredelust is afgebroken. Begin jaren 50 moest Amsterdam uitbreiden en ontstond tuinstad Slotermeer. (zie blog over de architect van Heesteren). Het stond er wat verloren bij, in het gras en daarachter schuin aflopend een vijver. Geen mooi perk er om heen en niemand die zich verantwoordelijk voelde. In Het Parool van 12 december 1964 staat een trieste foto. Gelukkig kan men melden dat er een nieuw kruis is gemaakt, twintig jaar na de fusillade zal het worden onthuld. Enkele dagen later staat er een ingezonden van ene Jan Rot in Het Parool. Schijnbaar is er gesuggereerd een inzameling te houden voor een meer duurzamere oplossing. Maar ook toen was er een bulderende storm en striemende regen en Rot zegt, dat hij waarschijnlijk door de verslaggeefster niet goed verstaan is. “Ik heb gezegd (mag het even?): „De drie mannen verdienden een monument van duurzamer materiaal en van meer allure. Zouden de vriendinnen en vrienden, indien zulks gewenst wordt met ons afdelingsbestuur, de koppen niet eens bij elkaar kunnen steken om, in dit verband een initiatief te nemen?”.Wij willen dus géén inzameling”, onze plannen gaan een heel andere richting uit.”  Ma Verkuijl en mevrouw Elias, de beide weduwes waren er bij die dag. Toch is zijn oproep door de storm verwaaid.

Het is november 1976, nog lang voordat de school het monument adopteert. In het Parool heeft Evert Werkman (werkte in de oorlog al voor Het Parool en schreef er later vele boeken over) een ‘Amsterdams Logboek’. Er heeft zich iemand bij hem gemeld met de naam Abercromby, deze verzocht het gemeentebestuur in april, het kruis op te knappen. Logisch, want het staat er dan al twaalf jaar. Toch is het later nog een keer vernieuwd, op een middelbare school is een leraar houtbewerken met een klas aan de slag gegaan en heeft het compleet gekopieerd. Heel lang heeft ook het tweede kruis gewoon in het gras gestaan, totdat toch de gemeente er een keurig perk omheen maakte, wat bielzen en wat planten en struikjes, op een gegeven moment zag je het kruis bijna niet meer.

Hannie Elias afgelopen zondag bij het nieuwe monument. (AT5)

Nu de N200 op de schop moest vanwege groot onderhoud en herprofilering, heeft het ‘comité Haarlemmerweg’, onder leiding van Hélène de Bruine, er voor gezorgd dat er eindelijk een nieuw, eigentijds monument is verrezen. Een plek waar je zelfs kunt zitten en waar alleen nog een informatiebord over de gefusilleerden ontbreekt. Toen ik een week geleden op de Erebegraafplaats in Bloemendaal was, vond ik daar uitgebreide info over de drie doodgeschoten verzetshelden. Vader en zoon Verkuijl liggen met Elias begraven in vak 5. Die dinsdag was het er stil en rustig. Tijd genoeg om hun namen en de bijschriften uitgebreid te bestuderen. Een indrukwekkende plek, waar bijna 400 verzetsstrijders ‘herbegraven’ zijn. Al die namen van mensen die hun leven gaven. Eigenlijk is het beter te zeggen; die hun leven werd afgenomen. Vaak zonder proces werden ze doodgeschoten. Gedreven, vaak jonge mensen, die opkwamen tegen onrecht. In vak 5 is de gemiddelde leeftijd 34, waarvan Henk Verkuijl als 22-jarige, de jongste. Je zou ze nog eens willen spreken, over hoe spannend het was, hun angsten en ook hun moed. Het is goed dat er langs een drukke weg, nu drie kruisen staan. Niemand kan meer denken dat het een ‘bermmonument’ is, dat er een auto met drie mensen is verongelukt of iets dergelijks.

Na de plechtigheid werd ik aangesproken door Maurice de Hond. Hij bleek in zijn jeugd heel vaak op 4 mei bij het monument te zijn geweest. Zijn vader Sam de Hond werkte veel samen, tot zijn gevangenneming, met rechercheur Piet Elias en Anton Japin.  Wie geïnteresseerd is moet op de website van de opiniepeiler het boek opzoeken over vader Sam de Hond.

Waarom IDFA? “verhalen die een daarvoor en een daarna geven”

Na 218 minuten (ruim 3,5 uur) geeft de maker Thoma Heise een boeiend en ontspannen interview. In de film leest hij documenten uit zijn familie voor tegen de achtergrond van het ‘schuldige’ Duitse landschap. Ook dat is het boeiende van de IDFA!

Elke jaar is het weer een feest, de IDFA in verschillende bioscoopzalen in Amsterdam. Meer dan 300 documentaires van over de hele wereld draaien deze 10 dagen op het mooiste Amsterdamse filmfestival. Wanneer de IDFA-krant bij ons op de deurmat valt ga ik hem napluizen en kijken wat ik wel zou willen zien. Ik omcirkel en kruis aan en ga kijken of er een schemaatje van te maken is. Sommige dagen vallen bij voorbaat af, zoals afgelopen zaterdag toen we het feest van de Goedheiligman vierden in Vriezenveen. Deze keer ga ik de lezer niet vermoeien met mijn keuzes en korte samenvattingen. Op NPO 2 is dagelijks een fantastische samenvatting en worden bijzondere films uitgelicht en ook kranten besteden uitgebreide aandacht aan bijzondere documentaires.
Ergens in een van de reclamespotjes aan het begin van elke voorstelling klinkt er een zin die blijft hangen. Een documentaire verandert je, erna ben je niet meer hetzelfde. Het is net als met een goed boek, het verhaal blijft je bij, speelt nog door je hoofd… En documentaires zijn misschien nog wel indringender. Gelukkig komen er op de reguliere tv-uitzendingen van de NPO ook regelmatig documentaires, maar in een grote zaal is het toch net weer anders, indringender! Bij een documentaire weet je ook gelijk dat het over een ‘werkelijkheid’ gaat. Niets geen fictie of drama, nee een documentaire is een door een filmer vastgelegd echt verhaal. Als het goed is, is er niet gemanipuleerd en zijn er geen acteurs ingezet. Natuurlijk kiest de maker zijn eigen invalshoek. Ik was vrijdag bij de première van ‘Rotjochies (Punks)’, een Nederlandse film over jongeren in de jeugdzorg. Een prachtige inkijk en heel erg boeiend. (Was maandavond op NPO2, dus zo terug te zien.) Tegelijkertijd weet ik ook dat een andere filmmaker een totaal andere film had gemaakt, ook al was het onderwerp en de groep jongeren exact hetzelfde. Dat maken documentaires ook zo interessant! Bij de film over Lea Tsemel, een Israëlische mensenrechtenadvocaat, zie je weer een heel andere insteek. Hier worden beelden uit het verleden, journaalbeelden en ook interviews met de man van de Advocategebruikt om een beeld te geven van het haast onmogelijke werk van deze bijzondere 75-jarige vrouw. De ‘Advocate’ is zo’n film die je een heel ander beeld geeft van de huidige situatie in het zogenaamde ‘Beloofde Land’. Hier wil de filmmaker een beeld geven van iemand die tegen de stroom in blijft vechten voor de onderdrukten. Tegelijkertijd is het geen politieke film, omdat het onderwerp van verschillende kanten belicht wordt. Het meest bizarre was trouwens, maar dit is eigenlijk terzijde, dat op een gegeven moment advocate Tsemel met haar helper de rechtbank uit loopt op weg naar haar auto, nog bijkomend van de uitspraak tegen een jonge Palestijnse vrouw die een zelfmoordaanslag wilde plegen. Op dat zelfde moment komt een grote groep groep toeristen voorbij die achter een gids aan sjokken op weg naar een volgende ‘heilige plaats’. Zij zien, de docu geeft in ieder geval die indruk, geen filmploeg en geen advocate en een justitieel gebouw…..

AANRADERS:
Sunless Shadows‘, de openingsfilm over een Iraanse vrouwengevangenis
All Against all‘, een Nederlandse docu over de opkomst van het fascisme tussen de twee Wereldoorlogen. Komt vast nog wel een keer op TV, want de EO was mede-financier.
Summerwar‘, over een zomerkamp in Oekraïne van de nationaal rechtse beweging Azov.

Genade voor een euro, verbazingwekkend!

‘Amazing Grace’ (hier in het originele gezangboek) werd geschreven om door Newton te worden gepresenteerd tijdens de wekelijkse parochiebijeenkomst op de eerste dag van het jaar. De naam van de hymne was “1 Chronicles 17: 16-17, Revision Faith and Expectation.” In 1 Kronieken 16 en 17; spreekt koning David zijn dankbaarheid uit tegenover God; verbazing over zoveel genade!

Een medebewoner van ons ‘hof’ (we denken erover om Boekweitdonk te veranderen in “Boekweithof”) heeft een Amsterdamse Stadspas. Zo nu en dan zijn er aanbiedingen en mag hij iemand meenemen naar iets cultureels voor een euro. Samen hebben we gekeken wat Studio K, want daar gold de aanbieding onder andere voor, had te bieden. De film ‘Amazing Grace’ leek ons wel wat, ik had al enkele lovende recensies gezien. En aangezien onze overbuurman liever niet meer fietst, met bus 41 kwamen we er ook.

‘Amazing Grace’ is een heel oude hymne, in 1772 geschreven door de Engelse predikant John Newton (1725-1807). Newton was van oorsprong een zeeman en later kapitein op slavenschepen, moest niets hebben van het christendom. Na zijn bekering tot het christelijke geloof echter, werd hij predikant in Engeland en schreef meerdere liederen, waarvan ‘Amazing Grace’ het bekendst is geworden. Er zitten prachtige Bijbelse elementen in. Dat de genade zo overvloedig is, haalde Newton uit de Romeinenbrief (5:15). In Psalm 66 had Newton gevonden dat God veel voor de dichter had gedaan en betrok dat in de prachtige hymne op zichzelf. En uit Johannes (9:25) nam hij de tekst letterlijk over; ‘ik was blind, maar kan nu weer zien’. Op YouTube zijn tientallen uitvoeringen te vinden, van de Kelly Family tot Elvis Presly en van een Obama versie tot en met vele uitvoeringen op doedelzak. En nu draait in de bioscopen onder de titel ‘Amazing Grace’, een bijzondere film.

In 1972 nam Aretha Franklin (1942-2018), toen een beroemde soul-zangeres, een geweldig gospel-lp op. Ze deed dat in de ‘New Missionary Baptist Church’ in Los Angelas. De plaatopnames werden gefilmd, maar daar werd tot op heden niets mee gedaan. Nu is er een prachtige film van gemaakt en sinds vorige week draait hij in de Nederlandse bioscopen. In al zijn simpelheid is het een prachtig document. Mijn niet kerkse buurman, was ook zeer onder de indruk. Eenmaal buiten was een mede-bezoekster  haar fiets aan het ontketenen; “Nou we hoeven voorlopig niet meer naar de kerk!”, was haar commentaar. Mijn buurman had het zich ook al afgevraagd, waar kom je dit nog tegen? Gewoon met z’n allen zingen vanuit je hart! Ik kon het niet laten om te beweren dat het bij ons de OPK soms ook zo gaat, natuurlijk… wel een beetje meer calvinistisch op z’n Nederlands, maar toch! Afgelopen zondag hadden we een dankdienst (voor gewas en arbeid en nog veel meer) en de begeleidingsband had er echt zin in. En de Amersfoortse predikant die bij ons voorging en de 65 ook al gepasseerd is, stond zowaar mee te swingen en stak ook zijn handen de lucht in: “heft uw handen op naar omhoog!”.

De film  ‘Amazing Grace’ geeft een prachtig tijdsbeeld, maar ook een mooie inkijk in het geloof van mensen die zeker weten dat Jezus hun Heer en Verlosser is en verbazingwekkende en geweldige genade schenkt! Vorige week werd er flink reclame gemaakt in ‘De Wereld Draait Door” voor deze film. Als gast zat zangeres Giovanca aan tafel en nadat Matthijs van Nieuwkerk zijn emoties weer een beetje onder controle had, vroeg ze de tafelheer wat het nu met hem deed? Hij was geraakt en zag dat er ook contact met het hogere te zien was, maar helaas kregen we niet meer te horen. Maar ach, het was er misschien ook niet de plaats voor, net zoals in Studio K de bezoekers ook niet gingen staan en mee gingen swingen. Misschien gewoon de film toch een keer in de kerk ‘draaien’! Zo lang dat nog niet gebeurt, zou ik zeker een bioscoop op zoeken waar deze indrukwekkende film draait. Ik ga zeker nog een keer!

Amazing grace!

 

Preken voor eigen parochie?

Op weg naar Apeldoorn vroeg ik mijzelf af waarom ik mij ook alweer had opgegeven voor dit congres. En terwijl de prachtige herfstkleuren van de Veluwe aan mij voorbij gleden, wist ik het weer. Vrouwlief is er even tussenuit met een vriendin en voor mij dus alle vrijheid om een op het eerste gezicht, interessant congres te bezoeken. Preken voor eigen parochie, is dat wat het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad doen? Volgens mij is het antwoord toch al snel; ja, zonder twijfel. Natuurlijk proberen beide kranten ons duidelijk te maken dat ze over de muren van hun eigen doelgroep heen ‘de bazuin’ laten klinken, maar uit alles bleek tijdens het congres dat dat niet gebeurd. Niets hoorde ik over een positieve invloed van goede christelijke journalistiek in de politiek bijvoorbeeld. Tja, Rutte feliciteerde het ND met zijn zogenaamde 75verjaardag en jazeker, soms mag de hoofdredacteur van het ND wel eens aanschuiven bij het mediapanel van Radio 1. Toch blijft het allemaal behoorlijk marginaal wat deze twee kranten produceren. Dat doet trouwens niets af aan mijn grote liefde voor het ND. Met plezier spel ik vaak ’s ochtends het ene artikel na het andere en graag wens ik de krant veel meer lezers toe. Alleen al omdat het zinnig is om niet alleen het nieuws via nu.nl of een nos-app te volgen. Een krant duidt het nieuws en geeft daar ook commentaar op, dat is waardevol. Karel Smouter (o.a. van de Correspondent) wees er mijns inziens terecht op dat journalisten van de christelijke pers veel vaker en meer in de publieke ruimte zouden kunnen treden, “ze mogen best wat mondiger worden”. En zijn suggestie waarom je het beste uit christelijke media niet zou aanbieden aan andere media, verdient bijval. En zijn derde suggestie om samen een onderzoeksredactie op te richten, ook met het Fries Dagblad erbij, onderschrijf ik van harte. Niet alleen omdat ik dat zelf ook al wel eens geopperd heb, maar het is nodig! Waar blijven de doorwrochte achtergrondartikelen over stikstofuitstoot in relatie tot onze landbouw? Waar blijven gedegen achtergrondartikelen over ‘kerkelijke eenwording’ en alles wat daarbij komt kijken? En met welke onderzoeksjournalistiek zijn ook jonge christenen weer te verleiden tot het lezen van een kwaliteitskrant?

De oplagecijfers van RD en ND gaan alleen maar omlaag, zegt Piet Bakker.

In mijn eigen kerkelijke gemeente durf ik het nauwelijks meer te doen, verwijzen naar een goed artikel in de krant. Ik schat in, dat op ongeveer 1 op de 8 adressen nog een ND door de brievenbus valt, een van oudsher toch “vrijgemaakte krant”. En, ik zeg het met een beetje verdriet ook, mijn eigen kinderen lezen ook geen krant, Netflix staat bovenaan in de kijk top-tien en waarschijnlijk ook op plek twee en drie. Een geweldige uitdaging dus voor in ieder geval het ND en ik denk ook het RD. Ik kreeg het idee dat zelfs de goede ideeën van Piet Bakker voor kennisgeving werden aangenomen. Eline Kuijper (zie eerste foto, uit het ND) citeerde dan wel prachtige anekdotes uit haar opschrijfboekje, maar ik raad haar (en de rest van de redactie) aan nog maar eens diepgaand het gesprek met Piet Bakker aan te gaan. De lezers die vragen en opmerkingen hebben zitten niet te wachten op alleen maar ‘zenden’. Veel meer interactie, zodat ook anderen bij die parochie willen gaan horen.

Op ND-foto staat op de achtergrond  een schilderij, in de aula van het Reformatorisch Dagblad. Aan de andere kant van de aula stonden nog twee soortgelijke panelen, meer abstracte schilderijen. Het schilderij van de foto heb ik in de middagpauze wat beter bekeken. Het lijkt een groot vergrootglas, waardoor een klein deel van de wereld wordt bekeken. Het motto van de Erdee-groep staat op het handvat: Bewogen Betrokken en Vernieuwend. En onder het vergrootglas zien we allerlei ‘reformatorische’ zaken; de SGP, een kerk, een open bijbel en twee opgeheven handen met een naar het lijkt een foetus en twee zwarte stenen die buiten het vergrootglas lijken af te brokkelen. Is dat laatste symbolisch? En is het ook symbolisch dat sociale media, net op de grens van het vergrootglas ligt? De rand van het vergrootglas was bedekt met krantenpapier, is hier het RD (de krant) die bepaalt wat er binnen en buiten is? Duidelijk is wel dat er ook veel buiten het vergrootglas valt; de snelle auto, de voetballer (Frankie de Jong?), RTL4, de Voice of Holland en ook gamen. En waarom vallen al die mensen buiten het vergrootglas? Hoe langer ik er over nadenk, er wordt hier een bizar verhaal verteld. De regenboog ligt onder de loep,  maar die boog in de wolken was toch bedoeld voor alle mensen?
In de andere hoek van de aula stond een nagemaakte toren met daarop een soldaat met bazuin en een soldaat met een grote speer (naar Ezechiël 33 vertelde dr. ir. S. M. de Bruijn, de hoofdredacteur van het RD). Een op het eerste gezicht mooi beeld, de lezers toerusten, zodat ze gewapend de wereld aankunnen en ook je boodschap rondbazuinen. Maar is dat laatste niet te veel voor eigen parochie preken als je het combineert met wat onder het vergrootglas ligt?

What’s in a name?

Juliet:  “What’s in a name? That which we call a rose
                 By any other name would smell as sweet.”     
uit  het toneelstuk  Romeo and Juliet   – William Shakespeare

Boven de ingang; ontworpen door Harm

‘De klank en de betekenis van een woord hebben niets met elkaar te maken, zo is de heersende opvatting onder taalwetenschappers. Niets in de klank [rose] wijst op een roos, dus had een roos net zo goed een tafel kunnen heten’. [citaat gevonden op het www]
Maar hoe zit dat met de naam van een kerk, een gebouw of een school? Ik kan me nog de reacties herinneren toen we in 2006 de naam van dr. M.B. van ’t Veer van de gereformeerde school in Amsterdam haalden. Vooraf ging een maandenlange discussie over het waarom van een naamswissel. Vooral niet-vrijgemaakte ouders werden ongerust, zou deze school wel een goede christelijke school blijven? Zou dit niet het begin inluiden van verbreding en loslaten van de christelijke beginselen? Uiteindelijk was daarop maar één goed antwoord. Dat antwoord kwam van dominee C.J. Breen, jarenlang predikant in Amsterdam en oud-bestuurslid van de ‘dr. M.B. van ’t Verschool’. De nieuwe naam, Veerkracht verwees in het eerste gedeelte naar de oude naam van de school en in het tweede gedeelte naar de kracht die de school haalt uit het Woord van God. Zonder dat laatste zou het niet gaan. Ds. Breen zag namelijk dat onder de hele grote letters Veerkracht, met kleinere letters stond; gereformeerde basisschool – bijbelgetrouw onderwijs. De combinatie leverde een woord op dat stond voor het soort onderwijs op de school; leerlingen toerusten voor het vervolgonderwijs en hun leven, christelijke veerkracht meegeven!  Opvallend in dit verhaal is ook nog, dat we van hogerhand eigenlijk geen steun vonden voor een naamswisseling. Inmiddels ligt 2006 al weer ver achter ons en van de huidige generatie leerlingen op Veerkracht, heeft niemand nog weet van de oude naam. In de overkoepelende organisatie, die in 2006 nogal moeilijk deed, zijn inmiddels al veel meer namen van scholen gesaneerd. Zelfs belangrijke gereformeerde voorgangers uit het verleden als K. Schilder en S. Greijdanus werden naar het geschiedenisboek verwezen. Onze dr. M.B. van ’t Veer was uiteindelijk nooit ‘vrijgemaakt’ geweest, maar juist Schilder en Greijdanus deden er toe!  En in de nieuwe organisatienaam is de ondertitel ‘gereformeerd’ ook niet meer aanwezig. Ach, what’s in a name?

Maar verwijzend naar het begin van mijn blog, ‘What’s in a name?’; doet het er toe welke naam er op een school staat? Doet het er toe welke naam er op een kerk staat? Blijkbaar hebben mensen daar toch een gevoel bij en leggen ze een bepaalde waarde in een naam. Door de jaren heen zijn er emoties met een naam verbonden. Daarom was er de laatste maanden op het internet flink wat discussie over een naam voor het ‘nieuwe’ kerkgenootschap, dat ontstaat als binnen en buiten-verbanders de strijdbijl begraven. Op verschillende fora werden stevige uitspraken gedaan. Dat soort discussies hadden we in 2006 ook. Opeens laaien emoties op en het lijkt wel of iedereen het beter voelt en weet.   Er is een site met de nogal pretentieuze naam: ‘onderwegnaar1kerk.nl‘ (Toch nog steeds het ‘ware kerk’ idee? Was het maar zo dat er straks maar 1 kerk is!).  Natuurlijk ben ik blij dat de twee kerken binnen afzienbare tijd weer een eenheid gaan vormen, een dankbaar gebeuren. Maar ook een samengaan omgeven met tranen, want wat is er veel verkeerd gegaan in de jaren zestig van de vorige eeuw. Op die bewuste ‘onderwegnaar-site’ heb ik spontaan als volgt gereageerd:

“Tja……
Zoveel smaken, zoveel zinnen waarschijnlijk. Toch blijf ik me bij beide namen afvragen waarom er een extra bijvoeglijk naamwoord voor moet. Waarom Nederlandse? Waarvan willen we ons onderscheiden? Van de Belgische, Deense, Duitse, Ghanese, Canadese Gereformeerde Kerken? Het is toch een aanduiding die we in Nederland gebruiken? Waarom er dat dan nog voorzetten? En waarom Verenigde? Dat klinkt al net zo bizar als Verenigde Naties die helemaal niet verenigd zijn, maar doen alsof… Natuurlijk, het zou mooi zijn als alle Gereformeerde Kerken meedoen, het zou werkelijk een Godswonder zijn! Maar ook deze vereniging van twee gereformeerde kerken zal er voor zorgen dat er broeders en zusters vertrekken naar verschillende kleinere gereformeerde kerken, omdat ze het uiteindelijk niet eens zijn met vrouwen in het ambt en aanverwante zaken. Dus toch maar gewoon Gereformeerde Kerken en hopen op een Godswonder!”

Teruglezend zie ik, dat ik in het stukje nog niet eens gerefereerd heb aan de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Gemeenten en de vele andere varianten (Op de Biblebelt-tentoonstelling hing een gigantisch schema met alle gereformeerden; waarschijnlijk verwijzend naar Johannes 17 vers 21). Afgelopen zaterdag op weg naar een begrafenis kwamen we langs een kerk met een groot bord: “Gereformeerde Kerk (hersteld)”. Dat zou het moeten zijn, dacht ik. De binnen en buiten-verbanders samen, dat is toch ‘hersteld’? Ik kreeg ook associaties met een populair tv-programma (op de BBC en gekopieerd door RTL4 met Umbrto Tan) “The Repair Shop“. We maken er gewoon “The Repair Church” van; de kerk is toch een beetje hersteld, en je kunt je er ook laten herstellen en tegelijkertijd gaat er de roep van uit om te blijven herstellen.

Ooit waren we als gereformeerde school aangesloten bij het ‘Evangelisch Contact Amsterdam’. Baptistenbroeder Gabriel, inmiddels rooms-katholiek geworden, was van die club de stuwende kracht en we vergaderden steeds op een andere plek. Bij de Pinkstergemeente of bij de Christ Church op de Groenburgwal, in de Tituskapel en ook een keer op Veerkracht. We leerden elkaar steeds beter kennen als volgelingen van Jezus Christus, hoe verschillend we ook waren en zijn en dat ook niet onder stoelen en banken staken. Op zeker moment heb ik voorgesteld om op alle aangesloten kerken een bord te laten bevestigen, in de trant van: “hier komen volgelingen van Jezus Christus bij elkaar….”. Bij mijn weten hebben Jezus eerste volgelingen Petrus, Johannes en hun vrienden en ook Paulus geen kerken gesticht. De volgelingen van Jezus kwamen regelmatig bij elkaar en vormden gemeenschappen. Gemeenschappen waar vanaf dag één ook gedoe was, maar die wel bekend stonden voor hun trouw aan de Opgestane en hun liefde voor hun naasten. En mij bekruipt regelmatig het gevoel dat onze Heiland geen instituten (kerken) bedoeld heeft met klinkende namen en eigentijdse organisaties, maar kerken die willen leven naar Mattheus 22 vers 36 tot en met 40.

De Biblebelt

van Urk tot Reimerswaal

Afgelopen zaterdag is in het Museum Catharijneconvent (Utrecht) de tentoonstelling ‘Bij ons in de Biblebelt’ afgesloten. Ik hoorde de directeur zeggen dat de bezoekersaantallen bijzonder waren, ik ving ‘bijna 70.000’ op. Vorige week dinsdagmiddag, een gewone doordeweekse dag en het was echt druk! Een bijzondere tentoonstelling, die toch gemengde gevoelens achterlaat. Het moet eerlijk gezegd, de tentoonstelling was prachtig opgezet, maar het was toch wel een beetje ‘aapjes kijken’. Al die mooie foto’s, die korte filmpjes; natuurlijk geeft het een beeld van een groep gelovigen in ons land. Maar het was behoorlijk veel ‘brede en smalle weg’. Als gereformeerde jongen heb ik toch een redelijke afstand tot de reformatorische wereld, maar tegelijkertijd ligt het gedachtegoed van de reformatorischen heel dicht bij die van de gereformeerden. Veel uiterlijkheden en de daarbij behorende regels van de reformatorischen, waren in mijn jeugd ook de onze. Wij waren dan wel niet van de ‘zwartekousenkerk’, maar een buitenstaander zag wel heel veel overeenkomsten. En laat het duidelijk zijn, gereformeerden en reformatorischen hebben en lezen precies dezelfde Bijbel. En voor beide is de Bijbel; het levende Woord van God. Als cultureel verschijnsel is de Biblebelt best bijzonder, dat ontken ik niet. Al die plaatsnamen aan het begin van de tentoonstelling, heel herkenbaar. Maar tegelijkertijd ook de constatering dat in veel van die plaatsten lang niet iedereen zich schaart onder het gehoor van een ‘zware’ reformatorische predikant.
Toch ook wel een beetje bijzonder is dat er zoveel reformatorischen hebben meegewerkt aan deze tentoonstelling. Zelfbewust stonden ze op foto’s en deelden hun verhaal. En tegelijkertijd vroeg ik me steeds af, maar is dit zo bijzonder? Is het om een buitenstaander te laten glimlachen bij de preek van een Gereformeerde Gemeente dominee, waarin zoveel herhaling en onbegrijpelijk en archaïsch taalgebruik zat, dat er geen touw aan vast te knopen viel? Is het de glimlach om ‘zingen met bovenstem’ of de vrijwel identieke interieurs van jonge reformatorischen? Aan de andere kant is het ook mooi dat er zoveel verbondenheid en gemeenschappelijks is binnen deze ‘zuil’. Is dit wat Jezus bedoelde met ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld’ in Johannes 15: 19?

Kruisiging

Toch moest na al dat ‘reformatorische geweld’ het mooiste nog komen. De laatste zaal was bestemd voor ‘reformatorische kunst’. Eigenlijk bedoelden ze denk ik, kunst gemaakt door kunstenaars die zich rekenen of rekenden tot de wereld van de Biblebelt. We liepen Martijn Duifhuizen tegen het lijf, hij wilde op de foto met zijn kunstwerk samen met de directeur van het Museum Catharijneconvent (voor zijn portfolio). Heel kort hebben we elkaar even gesproken en natuurlijk wist hij zich te herinneren dat hij voor ons een exemplaar van Communio Sanctorum had gemaakt. Een heel klein werkje met 1000 namen, waartussen die van Roelof Harm Wimmenhove. Ik heb daar in november 2017 over geschreven. Op de tentoonstelling was ook een exemplaar van Communia Sanctorum te zien. En naar mijn idee totaal niet passend bij de tentoonstelling, maar wel heel indrukwekkend, Duifhuizens grote werk: ‘Kruisiging’. Eén van de ideeën achter dit werk is dat het middelste witte vlak Jezus Christus is en met links of met rechts een perfect vierkant vormt. Ook was er muziek bij te luisteren. Martijn stuurde mij later nog een link met muziek van componist Kees Wisse. Martijn: “Tip: het was best wel druk. Eigenlijk is het mooi om de muziek thuis in stilte te luisteren denken aan de kruisiging… ” Dit werk maakte het bezoeken van de tentoonstelling meer dan waard. En Martijn voegde er nog een prachtige relativering aan toe, “Uiteindelijk zullen we allemaal één zijn als volgelingen van Jezus”. Op Communia Sanctorum staan de namen van 500 protestanten en 500 katholieken. Allerlei denominaties bij elkaar op een kunstwerk! Dat is immers onze toekomst! Gereformeerd of reformatorisch zal uiteindelijk niets uit maken, denk ik.

Leestips

Zo nu en dan pak ik het ‘leesclub-boek’ (voor eind september) en worstel mij door weer een hoofdstuk. Dat gaat al twee maanden zo, maar gelukkig heb ik tussendoor veel andere boeken onder handbereik. Sommige van deze boeken heb ik zelfs verslonden. Op dat ‘leesclub-boek’ kom ik later nog wel terug, maar dat doe ik, denk ik, wanneer we het besproken hebben. Dan heeft misschien de bespreking van die bijna vijfhonderdvijftig bladzijden nog wat lichtpuntjes gebracht. Daarom gewoon maar een kronkelige reis door mijn boekenland van de afgelopen maanden. Boeken die blijven hangen en wanneer ik ze zelf heb aangeschaft, nog es doorblader en hier en daar herlees.

Aan het begin van het jaar vond ik op de plank ‘pas verschenen’ in de biep, het boekje van de ‘Heel Holland Bakt’ presentatrice Martine Bijl over de gevolgen van een hersenbloeding die ze in 2015 kreeg. Op een indrukwekkende manier schrijft ze over wat dat met haar en haar omgeving doet. Prachtige observaties in korte hoofdstukjes gevat; hoe ze lichamelijk en ook emotioneel verandert. Haar gevecht om een gewoon leven te blijven leven en tegelijkertijd ook de aftakeling en beperkingen te aanvaarden. Bijzonder boekje van een bekende tv-persoonlijkheid, die in juni j.l. overleed. Haar verhalen zetten aan het denken, over zinloos lijden (zoals dat vaak genoemd wordt) en of je dan als mens mag ingrijpen. De schrijfster leert de lezer dat het ook goed is om te aanvaarden, dat het leven niet maakbaar is en dat het ook simpelweg bij het leven hoort dat het niet volmaakt is. En dat laatste is nodig in een wereld waarin zoveel mensen streven naar groei en nog meer groei, naar een perfect lichaam en een rimpelloos bestaan… En in de week dat het Sociaal Cultureel Planbureau meldt dat Nederlanders zich zeer gelukkig voelen en meer dan een vette voldoende voor hun bestaan en hun geluk geven (een 7,8), is het ook goed om te beseffen dat het rinkel-de-kink zo maar kan veranderen.

Dit boek kwam ik ook tegen bij de bibliotheek op de plank ‘pas verschenen’. Trouwens niet alles op die plank is van recente datum, sommige medewerkers zetten ‘min of meer aantrekkelijke boeken’ gemakkelijk weg. Michael Palin was niet alleen een zeer origineel lid van Monty Python (typisch Brits cabaret) maar hij heeft ook een aantal prachtige reisdocumentaires voor de BBC gemaakt. Deze documentaires werden later niet alleen op video uitgebracht, maar ook in boekvorm (kijk maar eens bij de boeken en video afdeling van de kringloopwinkel). Die docu’s werden gelukkig nog een beetje in het slow-televisie tijdperk gemaakt. Tegenwoordig wordt in één reisprogramma veel te veel gepropt en draait het net teveel om de bijzondere presentator, maar dit terzijde.
In Erebus vertelt Palin de geschiedenis van een schip. Een oorlogschip dat wordt omgebouwd, tot een schip om verre ontdekkingsreizen te maken en op zijn laatste reis naar de Noordpool spoorloos verdwijnt (rond 1850). Palin heeft zich zorgvuldig ingelezen in historische bronnen en is ook zelf op reis gegaan. Een prachtig verslag over zeelieden die uit zijn op avontuur en plaatsen die nog niet zijn ontdekt. De drang om meer te weten komen over de aarde, maar ook eerzucht, liefde en verdriet, alles komt in dit prachtige boek voorbij. Het geeft ook een mooi beeld van het grote Britse Rijk met al zijn hebbelijk en onhebbelijkheden. De Vlaamse tv had eind vorig jaar een mooi interview met Palin en zette  mij mee op het spoor van dit imposante  ‘reisverslag’.

In mijn ‘vakantiedoos’ stop ik meestal meer boeken dan ik tijdens die paar weken kan lezen. Ik kan dan kiezen en een boek ook wegleggen wanneer het niet bevalt. De weduwe van burgemeester Eberhard van der Laan (begin oktober twee jaar geleden gestorven) schreef over haar rouw en over haar drie jonge kinderen op zaterdag een verhaaltje in Het Parool. Trefzeker schreef ze over wat het verdriet en het gemis met haar en haar kinderen deed. Onverbloemd kwamen de tranen, gekke momenten en ook de lach voorbij. Zo herkenbaar!
En alhoewel het in onze vakantie soms gewoon te warm was om te lezen, een mens doet zich wat aan, heb ik veel verhaaltjes van Femke van der Laan nog eens herlezen. Het leert de lezers op een mooie manier, dat rouw gewoon bij het leven hoort.
Na een jaar is ze gestopt met deze columns in de zaterdagse PS, maar gelukkig kreeg ze wel een nieuwe plek op de donderdag. Een paar weken terug schreef ze nog een prachtige column over een jongen van 15 die, samen met een paar vrienden, stiekem met de auto van zijn vader ging rijden en onderweg de politie tegenkwam. (De toekomstige burgemeester (15) nam de auto van zijn ouders). Een ijzersterke bijdrage aan de discussie die ontstond na een opgeklopt verhaal in De Telegraaf over de puberende zoon van de huidige burgemeester.

Soms, wanneer Coos een kraamgezin afsluit, komt ze met een geschenk thuis. Vaak is dat een mooie bos bloemen, soms een leuke fles met inhoud, maar zelden een boek. Maar die ene keer was het een boek door de kraamvader zelf geschreven en gesigneerd. Ook dat boek ging mee op vakantie en niet ten onrechte. Ik ben verzot op schrijvers als Frank Westerman en Jan Brokken omdat ze echte levens in hun boeken weer tot leven wekken. Die levens worden dan ingebed in de geschiedenis en wat ze daarin betekend hebben. Daan Dekker heeft dat gedaan met het leven van stedenbouwkundige Siegfried Nassuth. Nog nooit had ik van deze man gehoord en ook in de Bijlmer, zoals we Amsterdam-Zuidoost nog vaak noemen, heb ik geen standbeeld van hem gezien. Zelfs geen straat is voor zover ik weet,  naar hem genoemd! Toch was Nassuth de bouwmeester die de Bijlmer heeft ontworpen. Ongetwijfeld ben ik zijn naam wel tegengekomen bij Murat Isik in ‘Wees onzichtbaar’, maar hij was niet blijven hangen. Na het lezen van ‘De Betonnen Droom’ is het een naam om nooit meer te vergeten. Jazeker, de bedenkers van de honingraatflats zijn naderhand verguisd, de Bijlmer was een megalomaan en mislukt project in de ogen van velen. Maar Daan Dekker laat in zijn boek zien dat, dat wat de Bijlmer uiteindelijk is geworden, door Nassuth en zijn team nooit zo was bedoeld en ook niet bedacht. Harde economische regels en politieke beslissingen hadden een aantal belangrijke uitgangspunten en spelregels veranderd en uitgegumd, waardoor het uiteindelijk een redelijk mislukte stadswijk werd.  Al is er in Zuidoost dan geen monument te vinden voor Nassuth, dit boek is een monument en het lezen meer dan waard. Dat laatste ook omdat het verhaal van Siegfried Nassuth over zijn jeugd in Nederlands-Indië, zijn studie in Delft, tot leven komt, afgewisseld met verhalen over de bouw van de Bijlmer. Ook komen enkele bewoners aan het woord om te vertellen hoe het echte Bijlmer-leven eruit ziet.

Het zijn niet alleen de vrijdagse bijlage van het ND (Gulliver) of de zaterdagse boekbespreking in Het Parool die mij op het spoor zetten van bijzonder boeken. ‘Cliffrock Castle’ werd mij aanbevolen door mijn zus. Ik heb het idee dat zij minstens één keer per week naar de bibliotheek in Amersfoort loopt om daar lekker rond te snuffelen. En omdat we als familie natuurlijk wel een beetje dezelfde smaak hebben, neem ik haar adviezen graag ter harte; waarvoor dank!
Mij viel trouwens op dat Cliffrock en de C van Castle cursief op de omslag staan, evenals de naam van de schrijfster. Een goede grap dacht ik, maar na het lezen van het boek, werd het duidelijk. De echte Josephine heeft vijf jaar op het Schotse platteland gewoond en doet daarvan op een humoristische manier verslag van in dit boek. Ze wil haar echte naam niet vermeld en ook niet de echte naam van het kasteel waar ze werkte als ‘housekeeper’, om daarmee de bewoners af te schermen. Gelukkig wordt uit alles duidelijk dat het geen fictie is maar werkelijk non-fictie.
Het is boeiend om een hedendaagse leefwereld binnen te stappen, die veel mensen alleen maar kennen van de serie ‘Downton Abby’. Het standenverschil in de wereld waar Josephine werkte is echt, en uiteindelijk is het zo benauwend dat ze mee daarom met haar gezin naar Nederland terugkeert. De lezer leert veel over de schijnbaar puissant rijke kasteeleigenaren en dat zet aan tot denken. In deze tijd van een afscheid nemend Brits Rijk van Europa, ga je beseffen dat aan de andere kant van de Noordzee nog steeds heel veel mensen denken dat de wereld er net zo uit ziet als honderd jaar geleden. In dit boek kun je je mooi verplaatsen in die wereld van de ‘bovenklasse’, die schijnbaar alleen iets menselijks toont wanneer het om de gezondheid van de zoon van de housekeeper gaat. Inmiddels is er ook een vervolg op Cliffrock Castle verschenen. Wel gek, nu is de C van Castle opeens niet meer cursief…….

Een beetje een rare afbeelding van een boek, maar zo komt de omslag mooi tot zijn recht. [Leerlingen zetten hun boek op deze manier wel eens op tafel, maar dan kregen ze van mij een reprimande. De rug van het boek, ook een ingenaaide rug, zakt zo volledig uit zijn verband.] Ook dit boek kwam ik tegen op de bekende plank in de bibliotheek. De vrouw op de omslag trok mijn aandacht, die had ik eerder gezien. Op dat moment geen idee waar, maar het boek vertelde mij dat ze een poster van het Rembrandthuis had gesierd; vandaar. Nu heb ik door de jaren heen veel over Nederlands beroemdste schilder gelezen, maar dit verhaal was me volledig onbekend. De twee prachtige portretten hangen in een museum in Warschau (Polen). De schrijfster, kunsthistorica Gerdien Verschoor, verhaalt in dit boeiende boek hoe deze portretten van Rembrandt in Polen zijn terecht gekomen. Daar doorheen weeft ze het verhaal over de trieste geschiedenis van het land Polen, Poolse koningen en de laatste eigenaars van deze schilderijen: de Poolse adellijke familie Lanckoroński. Ook dit is een prachtig non-fictie verhaal en leert de lezer veel over een deel van de Europese geschiedenis, waar in Nederland nauwelijks iets over bekend is. Wenen, ooit de hoofdstad van een groots keizerrijk, adellijke families die niet ‘werken’ en alleen maar reizen en kunst verzamelen, wat een boeiende wereld. Ook de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog spelen een rol in het bestaan van de twee Rembrandts, maar ook adellijke moed en de drang om te overleven en eeuwenoude kunstwerken door te geven aan het nageslacht. Een bijzonder boeiend boek, zeer aanbevolen!

In een ND-artikel kwam ik dit boek tegen. Iemand had beweerd dat er zo weinig over het milieu en het beschermen daarvan in Afrika werd geschreven. Maar de schrijver van het artikel wees op dit boek van Helon Habila, een Nigeriaanse schrijver, tegenwoordig woonachtig in de VS. Dit boek gaat over twee journalisten die proberen een ontvoerde blanke vrouw te vinden. Ze dwalen rond in de Nigerdelta waar oliemaatschappijen hele dorpen opkopen, vervolgens vernietigen en ondertussen het milieu ook nog ongelooflijk verontreinigen. Een spannend verhaal met een mooi plot, maar ook een aanklacht tegen onderdrukking en uitbuiting. Bij welke oliemaatschappij kun je nog zonder gewetensbezwaren je tank laten volgooien?
Op internet vond ik ook de omslag van de Engelse uitgave. Wat ik mij dan afvraag waarom die ook niet werd gebruikt voor de Nederlandse vertaling. Hij is veel treffender en geeft veel beter de kern van het boek weer. De letters op de Nederlandse uitgave zijn mooi gevonden, maar toch past het lettertype van de Engelstalige uitgave beter bij het droevige verhaal.

Afgelopen seizoen was er in ‘De Wereld Draait Door’ regelmatig aandacht voor Willem Wilmink (1936 – 2003). Wilmink is vooral bekend als schrijver van liedteksten voor De Stratemakeropzeeshow, Het Klokhuis, De film van Ome Willem, Sesamstraat, J.J. De Bom voorheen De Kindervriend en Kinderen voor Kinderen. Ook schreef hij voor Herman van Veen en veel andere vertolkers van het Nederlandse lied. Liedjes van hem werden in DWDD opnieuw ten gehore gebracht, gedichten voorgelezen en  de weduwe van Wilmink mocht aanschuiven bij van Nieuwkerk. Ook deze biografie kreeg ruimschoots aandacht en dat niet ten onrechte. Het is een toegankelijk boek geworden over een wel heel bijzondere man. Het mooie van dit soort verhalen is dat je ook en beeld krijgt van de jeugd van de hoofdpersoon, zijn ouders en ook in wat voor omstandigheden hij of zij is opgegroeid. Wilmink groeide op in Enschede en wanneer ik hem hoorde op de radio of tv, dan was er gelijk herkenning. Zijn Saksische tongval had veel gelijkenis met het Drentse Saksisch dat bij ons huis werd gesproken.
Ik had altijd gedacht dat de op tv bijzonder sympathiek overkomende dichter in werkelijkheid ook zo zijn. Elsbeth Etty maakt in haar biografie duidelijk dat dat niet zo was. Wilmink dronk vaak te veel, had last van zijn oorlogsverleden en vreemde opvoeding en toonde regelmatig wel erg onaangepast gedrag.
Toen ik het boek uit had, ben ik nog eens gaan bladeren in het vuistdikke Verzameld Werk dat ik ooit kreeg van Harm en Elise. En opnieuw kwam ik parel na parel tegen. Op YouTube zijn veel gedichten en liedjes van Wilmink terug te vinden, vaak voorgelezen door de schrijver zelf.

Zo nu en dan wissel ik met Rieke onze oudste dochter een boek uit. Van het ’t Hooge Nest werd zelfs reclame gemaakt op de radio. Na een enkele bladzijde lezen, verdween ook dit boek in de ‘vakantiedoos’. Toen ik er in Frankrijk eenmaal aan begon, bleef ik lezen en wilde weten hoe het met de bewoners van ’t Hooge Nest afloopt.
Roxane van Iperen volgt in dit boek de bewoners van een villa in het Gooi. Wanneer ze er komt te wonen, ontdekt ze de bijzondere geschiedenis van het huis en haar bewoners. Het blijkt dat het in de Tweede Wereldoorlog tientallen Joodse onderduikers in de villa woonden.
Van Iperen heeft heel veel onderzoek gedaan en brengt dat in dit boek op een boeiende manier in beeld. En zeker voor generaties die de oorlog alleen maar uit verhalen van grootouders en overgrootouders kennen, geeft dit een trefzeker beeld van het dagelijkse leven in WOII.

PS    Reacties en leeservaringen met één van de boeken zijn van harte welkom! En, er komt nog een vervolg.