Categorie: geschiedenis

Pure genade, een niet gestelde vraag

Op de verjaardag van mijn oudste broer, afgelopen woensdag, regende het ’s morgens pijpenstelen. Gelukkig was het in de middag weer opgedroogd en kon ik heerlijk op de fiets naar de Waalse Kerk aan de Amsterdamse Oudezijds Achterburgwal. Het HDC had een lezing georganiseerd met Freek de Jonge als spreker. Volgende week verschijnt het tweede deel van zijn memoires, wat eigenlijk het eerste deel is. Het blijft een grappenmaker die de Jonge. Freek de Jonge komt uit een domineesfamilie, dus mooi om hem eens te horen spreken in een van de mooiste kerken van Amsterdam.
Het werd een boeiend verhaal over vader en grootvader de Jonge. En het kan niet anders dan dat het ook de cabaretier heeft beïnvloed, en de cabaretier is de laatste om dat tegen te spreken. Op een vraag van de onvolprezen gespreksleider Wim Berkelaar, antwoordde Freek de Jonge dat hij het zelf ziet als een stap in het evolutieproces. Grootvader was bijbelcolporteur en evangelist, zijn vader werd theoloog en predikant en hijzelf ging weer een stap verder; een soort volksopvoeder of superdominee. Deze laatste twee typeringen zijn niet van hem, maar van mij. Zelf liet hij het in het vage, de toehoorder mocht het zelf invullen. Maar het was wel een volgende stap in de evolutie… Niet zo onlogisch dus, dat hij daarbij gebruikt maakt van allerlei begrippen en taal van de evangelist en de dominee. En het klink naar mijn idee ook nog zeer gemeend ook.
De Jonge verwees bijvoorbeeld naar het verhaal van Henoch, zijn vader hield over dat verhaal de mooiste preek van zijn leven. Henoch was de man die wandelde met God, het verhaal is te lezen in Genesis 5: 21vv. Henoch wandelde zo vaak met God, preekte ds. de Jonge, dat hij steeds een beetje dichter bij het huis van God kwam. Zo kon Henoch uiteindelijk opgenomen worden in Gods huis, hij hoefde niet meer terug naar zijn eigen huis. Die dominee de Jonge kon het mooi brengen; zijn zoon zag in ‘het wandelen met God’ (in de NBV veel minder fraai vertaald met:  Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God) een vorm van mediteren, want dan kom je dichter bij God. En bij de cabaretier vertaalt zich dat in en hunkering naar het discours van het mystieke. De zoon van de dominee heeft er geen enkele moeite mee om dan te zeggen ‘dat het tot je komt’.
Dat laatste maakte de Jonge nog een keer duidelijk met het maken van liedjes, hij zei: “Het is pure genade bijvoorbeeld, hoe een liedje tot je komt”. De zoon en kleinzoon van evangelieverkondigers schroomde dan ook niet zijn gehoor, gemiddelde leeftijd tegen de zeventig, voor te houden dat het armoe troef is dat er nog zo weinig met dit gegeven wordt gedaan. Er is volgens hem een grote behoefte aan zoeken naar meer tussen hemel en aarde. “Het primaat van de ratio moeten we weerspreken”, zo sprak de Jonge.
Ik heb het niet gedaan. Wim Berkelaar daagde de zaal meermalen uit om nu het toch een keertje kon de grote cabaretier, een vraag stellen. Ik vond het te pedant om de vraag ,die mij bleef bezig houden, te stellen. Het antwoord kon ik immers uittekenen. Want wanneer je zo goed beseft dat er ‘pure genade’ is en dat ‘het zomaar tot je kan komen’, waarom grijp je die genade dan niet met beide handen vast? Waarom niet geloven in een God die boven ons verstand uit gaat en zijn zoon uit pure genade, tweeduizend jaar geleden liet rondlopen in Israël? Waarom heeft de essentie van ‘pure genade’ zo afgedaan in onze tijd?

 

slavernij

Deze week hoorde ik een vraaggesprek op Radio 1; ‘oorspronkelijke bewoners van Suriname’ eisen óók excuses. Immers ook zij hebben te lijden gehad van Europese kolonisten die hun land tot een wingewest probeerden te maken. Zo op het eerste gezicht logisch. Wanneer een stad als Amsterdam heel nederig excuses maakt voor wat zij in het verleden verkeerd hebben gedaan met betrekking tot de slavenhandel, is het niet zo gek dat ook andere groepen aanspraak maken op excuses voor wat hun voorouders is aangedaan. Zoals aan Aboriginals in Australië en de Noord-Amerikaanse Indianen excuses gemaakt worden, kan dat ook aan de Indianen (als je hen beschouwd als oorspronkelijke bewoners) die indertijd in Suriname woonden. Ze werden verdreven door de eerste kolonisten en uitgebuit en later nog verder verdreven door onder andere gevluchte slaven. Mensonterend en ook na eeuwen, niet  goed te praten.

Afgelopen weekend had ik juist het intrigerende boekje van emeritus hoogleraar Piet Emmer uitgelezen.  Een paar maanden terug had ik een vraaggesprek met hem gehoord op de radio. Hij legde daarin uit waarom hij naast het standaardwerk “Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel” (ruim 300 pagina’s), opnieuw een boek over slavernij heeft geschreven. Emmer was lange tijd hoogleraar in Leiden en is volgens Wikipedia een specialist op het gebied van slavernij en immigratie. Met zijn uitlatingen en publicaties heeft hij trouwens ook verschillende keren de toorn van ‘activisten op slavernijgebied’ over zich afgeroepen. In een artikel van De Groene Amsterdammer vindt je deze discussie terug (website De Groene). Zijn relativerende opmerkingen over aantallen en de behandeling van slaven, vielen niet altijd in goede aarde. En nu er de laatste jaren er gelukkig steeds meer aandacht voor dit onderwerp is, worden er volgens Emmer ook veel onjuistheden rondgestrooid. Hij heeft kritiek op wetenschappers die zonder goede bewijzen iets poneren, kritiek op de ‘Canon voor het onderwijs’ en ook kritiek op makers van tv-programma’s en tentoonstellingen. Tijd dus om opnieuw zijn stem te laten horen. Ditmaal in een overzichtelijk en niet al te dik boek, met de woorden ‘in een notendop’ als toevoeging. Het leest gemakkelijk en geeft een goed overzicht van wat de rol van Nederland was in de Atlantische slavenhandel. Nederland was immers niet het enige land dat slaven kocht op de westkust van Afrika en transporteerde naar de Nieuwe Wereld. Emmer legt kort en bondig uit waarom slaven werden ingezet als arbeidskracht, hoe wijdverbreid en oud deze misstand al is en hoe en waarom men deze slaven kon kopen in Afrika. Bij dat laatste onderwerp vertelt de auteur hoe het zat met de Arabische en Afrikaanse slavenhandel en hoe voorwaardelijk deze was voor de Europese slavenhandel. Emmer praat niets goed, uit op meerdere plaatsen zijn afschuw over wat er tussen 1500 en 1850 is gedaan door meerdere Europese landen. Maar hij probeert ook bij de feiten te blijven en duidelijk te maken hoe Afrikaanse stammen slaven maakten en verkochten aan Arabieren en later aan Europeanen. Dat laatste wordt door een aantal deelnemers in het huidige debat over slavernij liever niet genoemd. Emmer verwijst daarbij verschillende keren naar een uitstekende website over de slavenhandel: slavevoyages.org. Mijn persoonlijk gevoel na het lezen van ‘De geschiedenis van de slavernij in een notendop’ is dat het een genuanceerd beeld geeft van vele, vele zwarte bladzijden uit onze vaderlandse geschiedenis.
In een recensie las ik dat het lezen van dit boek net zo veel tijd kost als het bekijken van de op dit moment lopende tentoonstelling in het Rijksmuseum over Slavernij. Die tentoonstelling heb ik nog tegoed, maar het lezen van dit boekje was waarschijnlijk minstens zo leerzaam.
Politici, leraren, onderwijzers, talkshow-presentatoren, journalisten en alle verdere geïnteresseerden in geschiedenis; lees dit boek. Je hoeft het niet in alles eens te zijn met wat Emmer aan zijn meningen te berde brengt, maar wat binnen en buitenlandse wetenschappers hebben uitgeplozen en door hem zorgvuldig is bestudeerd en ook onderzocht, het is te belangrijk om ongelezen te laten. Het verruimt je blik op de discussie en herinnerde mij weer aan de beroemde uitspraak van Bilderdijk: ‘In ’t verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal’.

Voetbalstadion in Qatar, slavenarbeid?

En excuses en schuldgevoel over deze bladzijde van ons verleden? Emmer is er vrij duidelijk over, doe het dan bijvoorbeeld ook voor kinderarbeid in de veenkoloniën of de foute behandeling van homoseksuelen of de discriminatie van Joden de eeuwen door. Dus excuses voor de oorspronkelijke bewoners van Suriname? Ik denk dat dan het einde zoek is en wat schiet je er mee op. Erken dat er door onze voorouders veel, heel veel verkeerd is gedaan. En ondanks het feit dat Nederland vandaag de dag een zeer welvarend land is met een hoog geluksgevoel, worden er aan de lopende band nog misstanden in stand gehouden. Denk aan de toeslagenaffaire, of de schadeloosstelling van slachtoffers van de aardbevingen in Groningen. Maar besef ook wat voor leed en schuld er op dit moment is en ook zal ontstaan in Afghanistan, mede door toedoen van onze Nederlandse politici en daarin impliciet ook de kiezers die ministers aan hun macht hielpen. En hoe fout slavernij in het verleden ook is geweest, slavernij bestaat anno 2021 nog steeds. Denk aan Oeigoeren in Chinese werkkampen, denk aan onderbetaalde werknemers in erbarmelijke omstandigheden in de kledingindustrie. Denk ook aan al die moderne slaven en slavinnen die de rijke Arabieren er op na houden. We laden met elkaar dus nog steeds schuld op ons en kunnen ‘excuses’ beter omzetten in ‘strijden voor een samenleving zonder slavernij’.

●●●●● de Waal

Onze vakantie in Frankrijk ligt al weken achter ons. Met open armen werden we op het kasteel en de camping ontvangen; eindelijk weer vakantiegangers over de vloer. Omdat het nog geen 9 juni was, hadden we min of meer het rijk alleen. Ongestoord, getest en gevaccineerd konden we ronddwalen over een uitgstorven camping en genieten van lezen, luieren, prachtige natuur en fietsen. Ik had de achterbank van onze auto thuisgelaten, zodat we extra ruimte zouden hebben voor boeken en wijn. Dat laatste was voor de terugreis wel nodig, bezoeken aan ‘Les Davids‘, nog nooit zo’n modern en bijzonder wijnhuis gezien, en ook aan ‘Chateau Canorgue’, zorgden voor extra gewicht op de terugreis. Mocht u ooit in de buurt van deze twee wijngaarden komen, een regelrechte aanrader! En… we hebben nog wat liggen, dus u kunt komen proeven.
We hebben trouwens ook flink wat tochtjes gemaakt op onze e-bikes, deze keer met helm. Zeker in Frankrijk, waar weinig fietspaden zijn, geen overbodige luxe. Na de vakantie waren we inmiddels zo gewend aan de fietshelm, dat het een soort automatisme is geworden. Zeker voor e-bikers die al gauw 25 km. op de teller hebben staan, geen overbodige luxe.

Maar nu de titel van deze blog, vijf sterren voor het laatste boek van Edmund de Waal. Al verschillende keren heb ik over de Waal geschreven. (voor geïntresseerden de blogs: rijksmuseum, advies opgevolgd  en netsukes) In het NRC las ik in mei een recensie over het laatste boek van de Waal, ‘Brieven aan Camondo’. Gelukkig was mijn favoriete boekhandel weer volledig open en hadden ze meerdere exemplaren op voorraad. Zo ging ook dit boek in de doos, samen met onder andere ‘De weg naar Cliffrock Castle’, ‘Mrs. Degas (voor de boekenclub) en ‘Jack’ van Marilynne Robinson. Meestal nem ik meer boeken mee dan ik kan lezen, deze keer een stuk of tien, maar dan heb ik in ieder geval keus. Over die andere drie valt ook veel te vertellen, maar dat moet maar een andere keer.
Eerst maar even over het omslag van het boek. De uitgever heeft terecht dit boek een hard kaft met stofomslag megegeven, ziet er prachtig uit. Ook de kleur is goed gevonden, bezoek maar eens de site van ‘Musee Nissim de Camondo’ (website). Op sommige foto’s kom je deze kleur tegen, maar de vraag daarbij is of het echt de kleur vam de stenen zijn of van de verlichting. Even zoeken op het internet levert de omslag van de oorspronkelijke Engelse editie op. Die is wat kleur betreeft meer bruin-grijs en lijkt erg op het behang in het Museum. Het monogram op de omslag heeft copyright en is dus op beide uitgaven hetzelfde, voor calligrafieliefhebbers een mooie uitdaging! Wat verder zoeken levert trouwens ook een Engelse uitgave op die vrijwel identiek is aan de Nederlandse, maar ik heb het idee dat de de uitgave is voor de VS. Op de site van de schrijver vertelt hij in een video over het ‘Brieven aan Camondo’, daar is ook de Engelse versie te zien. Hoe de Amerikaanse omslag dan weer terecht komt in Nederland; bijzonder. Navraag bij de uitgever zou misschien opheldering kunnen geven. Wat mij opvalt is dat op het min of meer grijze omslag de titel gezet is in even grote kapitalen, en op de Nederlandse uitgave is Camondo in even grote kapitalen als de naam van de schrijver. De “grijze” is wat mij betreft evenwichtiger.  Gelukkig is de titel wel één op één vertaald en zit daar geen gekke vergissing meer in zoals bij de Waals eerste boek.
‘Brieven aan Camondo’ is heel anders dan de Waals eerste boek, dat was een bijzondere zoektocht naar de herkomst van zijn Frans-Oostenrijkse Joodse familie. Dit boek is een brief aan de stichter van het Museum Nissim de Camondo’, Moïse de Camondo. Wandelend door het museum bezoekt de Waal kamer na kamer en schrijft daarover brieven, met vragen, gedachten en overdenkingen. Daarmee langzaam een beeld scheppend van de tijd waarin Moïse de Camondo leefde, wat zijn achtergrond was en waarom hij uiteindelijk zijn huis naliet als een mausoleum ter nagedachtenis van zijn jong gestorven zoon. Door de Waals persoonlijke brieven duidt hij het leven van monsieur Camondo en probeert hij die te plaatsen in een voor ons soms onbegrijpelijk stuk geschiedenis.  De Waal biedt een bijzondere inkijk in de familiegeschiedenis van deze familie, die weer op allerlei manieren vertakkingen had met de familie Ephrussi. Het boeiende aan dit boek is dat het op een prachtige literaire manier mensen tot leven brengt. Eén van de mooiste hoodstukken vind ik XLI (41), de schijver geeft een lijst van onderwerpen om te bespreken. Elke onderwerp zet aan tot overdenken en je droomt weg om er over te filosoferen; ‘Over de geluiden van zilver op porselein’ of ‘Over familiegraven’ of ‘Over de Verlichting. de bevrijding van de Joden. De afschaffing van de slavernij.’ …..
Deze ‘Brieven aan Camondo’ geven opnieuw een indringend beeld van rijkdom, oorlog, vervolging, jodenhaat, de zin van kunst…. Een aanrader, om te herlezen en sommige hoofdstukken misschien zelfs hardop lezen.

stemhulp

Het leverde mooie meditatieve momenten op achter de speeltafel van het Maarschalkerweerd-orgel in de Oosterparkkerk. Links beginnen en wanneer de orgelmaker “jaaaahh” roept, een toon overslaan en de volgende indrukken. Rechts aangekomen beginnen we overnieuw, maar beginnen we met een  zwarte toets. “Aanslaan…. volgende…. jaaahh…” en dat met Drents accent, want de orgelmaker woont nog steeds vlak bij onze geboortegrond. Halverwege sluit ik mijn ogen en droom weg, op de achtergrond het getik tegen de orgelpijp. Flarden psalmzinnen resoneren door mijn hoofd en schrik op van een volgende uitroep van de orgelmaker en druk snel de volgende toets in. Bij sommigen registers mag ik een loodblokje gebruiken, anders krijg ik kramp. “Laat zich ’t orgel overal – Bij het juichend vreugdgeschal, – Tot des HEEREN glorie, paren.” De oude berijming van psalm 150 zingt door mijn hoofd en ik probeer te bedenken wat toch ‘tot glorie paren’ betekend. Tegelijkertijd besef ik dat de psalmdichter, die waarschijnlijk honderden jaren voor Jezus van Nazareth dit dichte, nog nooit van een orgel had gehoord of laat staan er één had gezien.
Twee dagen ben ik ‘stemhulp’ geweest en ga niet googelen op dat woord, want je verzeild in een eindeloze reeks sites met kieskompassen. En van Dale vermeldt alleen maar stemhoorn en stemijzer (waar stemhulp tussen zou passen), twee instrumenten die de orgelmaker meenam de orgelkast in. Maar zoek je stemhulp in combinatie met orgel, dan komen er allerlei sites voorbij die adviseren over het stemmen van orgels. Wanneer de orgelmaker zoiets in zijn eentje zou moeten doen, zou het hem weken kosten om een orgel te stemmen; stemhulpen zijn onmisbaar, in tegenstelling tot kieskompassen.

Het linker registerblok

De fase 1 renovatie van onze kerk loopt op z’n eind. Op dit moment moet hier en daar nog een druiper en een deukje worden weggewerkt. De lift voor rolstoelen functioneert, maar een onverlaat heeft wel drie tegels stuk gereden. Het orgel is het laatste project van fase 1. Twee weken geleden hebben we de gerestaureerde blaasbal en de grootste reguleerbalg weer in hun hok geplaatst; prachtig gerestaureerd in de werkplaats van de orgelmaker.  Na alle aansluitperikelen moesten hier en daar nog verschillende registers lekvrij worden gemaakt en de aansluiting van meerdere pijpen worden hersteld. Net als het kerkgebouw, dateert ook het orgel uit 1904. Het werd gebouwd door de bekende Utrechtse orgelbouwer Michaël Maarschalkerweerd. Deze orgelbouwer had in1890 het orgel voor het Concertgebouw, aan het Museumplein, gebouwd voor ruim 20.000 gulden. Ons orgel kostte volgens de archieven 7000 gulden. Echte orgelkenners beweren dat ‘ons’ orgel een kleine kopie is van het Concertgebouworgel. Uniek dus en waarschijnlijk heeft de toenmalige organist Louis Robert veel invloed gehad op de dispositie.

De klavieren, met daarboven knopjes voor de zwelkast.

De oorspronkelijke tekeningen van het orgel vertellen dat het echt een symfonische opzet had. Dwars door het orgel was een ‘zwelkast’ aangebracht om bepaalde stemmen harder en zachter te laten klinken. Verschillende onderdelen bevinden zich nog in het orgel, maar helaas is er veel gesloopt en is in 1958 een aantal stemmen vervangen. Er werd rigoureus gesloopt en vervangen, inmiddels hadden organisten een ‘modernere’ en andere muzieksmaak. Natuurlijk zou het fantastisch zijn om het instrument weer in oorspronkelijke staat terug te brengen, we zouden in Nederlands orgelland dan een uniek instrument in ons kerkgebouw hebben. Maar u zult begrijpen dat aan een dergelijke restauratie een fors prijskaartje hangt, wat al gauw richting de 200.000 euro loopt. Ideeën zijn welkom natuurlijk. Misschien moeten we maar eens beginnen een ‘Stichting tot Restauratie van het Maarschalkerweerdse OPK orgel’ op te richten.

Voor de orgelleken onder ons, de registerknoppen worden niet uitgetrokken, maar naar beneden gedrukt. Dat laatste zorgt er voor dat via verdeelkastjes en loden pijpjes er lucht in de betreffende orgelpijp komt als je een toets indrukt. Uiterst gevoelig en het het geeft ook windverlies. Op de laatste foto een kijkje in de speeltafel, waar je alle loden buisjes ziet lopen. Al met al een ingewikkeld systeem en tegenwoordig wordt pneumatiek in de orgelbouw niet meer gebruikt. Later is men overgestapt op elektrische schakelingen, maar voor de echte orgelbouwer is dat vloeken in de kerk. Tegenwoordig probeert men weer zoveel mechanische orgels te bouwen.

Bewaren…… is ook niet alles, maar toch….

Mensen die mij wat beter kennen, weten dat ik eerder ben van bewaren, dan van weggooien. Ik word bijvoorbeeld heel erg blij als een broeder die kleiner gaat wonen mij opbelt en brochures aanbiedt uit de jaren 1966 en 1967. Het is al jaren terug toen een oudere zuster uit onze kerk kleiner ging wonen en een bijzonder behulpzame groep jongeren uit de kerk haar met de verhuizing hielpen. Achteraf bleek dat stapels brochures uit de tijd van de Vrijmaking en de kerkscheuring van 67 in de papiercontainer waren verdwenen. Ik kan daar niet tegen. Toen ik in 2011 met een burn-out thuis zat, bleek achteraf dat de ‘opruimers’ in de school, grote delen van het fotoarchief (ooit zo zorgvuldig opgebouwd door de heer Wietsma) in de oud-papierbak hadden gekiept. En later deed men dat ook met de laatste exemplaren van de herdenkingsbundel over 50 jaar gereformeerd onderwijs in Amsterdam. Ik kan niet anders dan dat ‘doodzonde’ vinden. Een aanhanger van Marie Kondo’s ideeën ben ik dus niet. Aan de andere kant heb ik helemaal niets tegen opruimen en netjes ordenen, alhoewel mijn lief daar soms anders over denkt.
Je hoeft maar een paar keer naar ‘Verborgen Verleden’ te kijken om te beseffen wat een dagboek, een aantekening, een foto  of een brief uit een ver verleden kan betekenen. Vandaag de dag zijn bijvoorbeeld foto’s zo gewoon geworden, dat we vergeten dat foto’s van onze grootouders en overgrootouders vaak erg bijzonder zijn. Laat staan dat je een foto of afbeelding hebt van je betovergrootouders, echt uitzonderlijk. Gooi dus nooit zo maar iets weg! (NB: Lezer Cees maakte mij attent op een tikfout in bed-overgrootouders. Ik vaar dan toch te veel blind op de de spellingscontrole. Cees kreeg een beeld van overgrootouders in bed… Excuses voor deze rare fout.)
Een paar weken terug heb ik mijn stapel krantenknipsels (van ongeveer drie jaar) doorgeworsteld, moest toch nodig eens worden opgeruimd.  Toen ik ooit in de eerste van de Pedagogische Academie zat ben ik al begonnen om knipsels te verzamelen, misschien was het trouwens al wel toen ik op de HAVO zat. Jaren daarvoor was dat ontstaan, omdat ik geïntrigeerd was door  alles wat met het Koninklijk Huis te maken had. In een afgedankt behangboek, die ik kreeg van mijn oudste zus, plakte ik allemaal artikelen en foto’s van onze koningin, in die tijd Juliana, en ook van de prins en hun dochters. Inmiddels is mijn liefde voor het koninklijk Huis niet meer van dien aard dat ik foto’s uitknip, of elke week naar Blauw Bloed kijk. Wanneer dat laatste programma op een ledenraadsvergadering van de EO ter discussie zou komen te staan, zal ik beslist geen warm pleitbezorger zijn. Toch is daar dus wel de liefde voor bladeren en uitknippen begonnen. In een bureaula boven heb ik trouwens nog een flinke stapel oude knipsels liggen. Ze gaan over kerkelijke gebeurtenissen, geschiedenis en ook over onderwijs natuurlijk. Ook bijzondere interviews zitten er tussen denk ik. Eigenlijk zou ik ook die stapel weer eens moeten selecteren. Er zitten ook complete kranten tussen, over een Elfstedentocht, de aanslag op de Twin Towers en de inhuldiging van Beatrix. Misschien moet ik het ook maar gewoon overlaten aan onze dochters om het later in de papierbak te gooien. Voor nu is het gewoon lekker om die knisperende stukken krantenpapier nog eens te lezen, te ruiken en dan te kiezen tussen schoenendoos of oud papier.
Ondertussen was Coos bezig om een aantal dozen op te ruimen waarin nog allemaal spullen van Harm zaten; diploma’s, stapels foto’s die hij maakte met zijn eerste camera, aantekeningen en werkstukken van de HAVO en de Hogeschool van Amsterdam. Maar ook kwam een stapel petten op tafel en zijn verzameling schaatsmedailles. Emotionele momenten en iedere keer twijfel over wegdoen of bewaren. De petten vonden gelukkig een goede bestemming in Vriezenveen en een doos met geselecteerde spullen zal zeker ergens op zolder blijven staan. Maar misschien ook is veel in te scannen en maken we er nog eens een album van.

Zo had ik ook een recensie uitgeknipt over de autobiografie van Barack Obama. Waarschijnlijk had Sinterklaas in mijn krantenknipsels zitten struinen, want met pakjesmiddag kreeg ik die dikke pil cadeau, inclusief een mooi gedicht! Zeker bij het opruimen is het leuk om dan het betreffende commentaar nog eens terug te lezen. Inmiddels had ik al zo’n honderd pagina’s Obama verslonden. Wat mij dan opvalt bij zo’n recensie is dat je sterk het idee krijgt dat de betreffende recensent het boek alleen maar doorgebladerd heeft, hier en daar een bladzij gelezen en vervolgens achter de computer een stukje in elkaar heeft gedraaid. Want echt alle bijna negenhonderd pagina’s gelezen, ik vraag het mij af. In het begin wisselde ik Obama af met ‘de Opgang’ en ‘Revolusi’, maar nadat ik het aangrijpende verhaal van Stefan Hertmans had verslonden, heeft Obama mij helemaal in zijn greep. ‘Revolusi’ heb ik ondertussen even weggelegd, maar wel de boeiende driedelige documentaire over laatste ooggetuigen van de Indonesische revolutie na WOII van David van Reybrouck bekeken. Mocht u die gemist hebben; ga terugkijken op npostart!
Maar terugkomend op Obama’s boek, dat is zeker een aanrader.  Natuurlijk is deze autobiografie een persoonlijk terugblik en daarom ook niet perse objectief. Met met vier jaar Trump achter ons, is het uiterst boeiend om te lezen hoe Obama in de aanloop naar zijn verkiezing als president eind 2008 al geconfronteerd werd met uiterst rechtse kiezers en het populisme dat zich uitte bij Sarah Palin, de running mate van John Mc Cain, zijn Republikeinse tegenstander. Op mij komt zijn verhaal eerlijk en authentiek over. Het is een uitgebreid verhaal en waar nodig ook met eerlijke en duidelijke zelfkritiek. Er werd natuurlijk ontzettend veel van deze president verwacht, en Obama is de eerste om toe te geven dat hij veel van wat hij beloofd had en echt wilde veranderen, niet gelukt is. Zijn start, midden een economische crisis was ongelooflijk zwaar en vervolgens had hij ook geen meerderheid in het congres. En dan toch optimistisch blijven  en doorgaan met het bevorderen van gelijkheid tussen zoveel verschillende bevolkingsgroepen, bijzonder. Al lezend zou je wensen dat alle Nederlandse politici iets van de wijsheid van deze bijzondere president zouden hebben.

 

een gezegend 2020, een kleine terugblik…

21 mei, 7.45 uur, een vrijwel uitgestorven Dam. Door een stille stad fietsen, wanneer maak je dat mee? Hemelvaartsdag – dauwtrappen.

Onze buren zitten nu al ruim een week in quarantaine. De buurman was aangestoken door zijn baas en moest op zolder bivakkeren, totdat de buurvrouw ook besmet bleek en ze dus gewoon weer samen konden zijn. Geen zware klachten maar toch… Zo kwam het coronavirus opeens heel dicht bij. In Vriezenveen heeft het virus inmiddels ook toegeslagen, gelukkig vallen de klachten daar tot op heden ook mee. De kerkdiensten zijn op dit moment weer volledig online, maar wel open voor hen die echt even contact willen met anderen. Het tekent natuurlijk het afgelopen jaar. In mijn agenda heb ik sinds 16 maart in de kantlijn de stand van zaken bijgehouden. Inmiddels zitten we in week 42. Week 16 bijvoorbeeld: “Nog steeds oppassen voor covid”, week 19, we waren in Frankrijk: “Mondkapjes verplicht” en week 29: “Bijna weer lockdown”.  Het jaar 2020 zal er door getekend blijven en later zullen we er over praten, zoals onze ouders en grootouders dat deden over de Spaanse griep.
Toen we elkaar aan het begin van dit jaar een gezegend nieuwjaar wensten, hadden we dit niet verwacht. Een enkeling was het die waarschuwde dat het virus echt niet bij de grenzen van Wuhan in China zou stoppen. Een goede vriend van Harm sloot voor zijn bedrijf, dat festivals organiseert, net op tijd een pandemieverzekering af. Maar voor 2021 zal dat niet meer gaan. Door sommige geestelijke leiders werd gesuggereerd dat corona wel een straf van boven zou moeten zijn, maar daarnaast was er ook genoeg kerkvolk dat niet geloofde in besmettingsgevaar en corona afdeed als een gewoon griepje. We zullen zien wat er later in de geschiedenisboeken zal staan. Zal het gaan over een moderne maatschappij die bijna alles kon regelen, maar opeens overvallen werd door een besmettelijk virus, of over miljoenen mensen die zich lieten misleiden door een zogenaamde pandemie?

Het boek van de Engelse theoloog Samuel Wells, “Wees niet bang” (uitgegeven 2011), was dan ook een verademing om te lezen.  Hij wijst er op dat je als gelovig christen op een nuchtere manier moet omgaan met de dood. En pandemieën moeten mensen aan het denken zetten over de eindigheid van hun bestaan, ons leven is niet maakbaar. Des te troostvoller is daarom het geloof in een leven na dit leven. Je zou daarom wensen dat meer mensen de rust van leegstaande kerken opzoeken; een kaarsje branden, luisteren naar de stilte en misschien een goed gesprek hebben met een luisterend oor. Maar ook om handen te vouwen en toe te geven dat er een Schepper is van hemel en aarde, die zijn Zoon naar deze wereld zond. Gods Zoon die op zoek ging naar verschoppelingen, verdrukten, armen en mensen die lijden onder corona.

Een nieuwjaarsreceptie aanstaande vrijdag met de buren zit er dus niet in. Op de laatste dag van 2020 zouden we natuurlijk pagina’s vol kunnen schrijven over wat er allemaal niet kon en kan. Het werd een uitgeklede kerstmaaltijd in Lelystad bij kleine Teun, maar wel gezellig. De concerten van het Nederlands Philharmonisch Orkest werden gecanceld. Het IDFA was een kale bedoening, ondanks het feit dat ik een aantal dovumentaires op de computer heb zitten kijken. Ook kerkdiensten konden in het begin niet doorgaan en later in oktober was het vanwege de verbouwing beter om een paar keer alleen maar online te gaan. De werkkamer van onze predikant werd zo opeens een kapel, met enkel een ouderling, een techneut en de dominee. Het blijft behelpen; op zondagmorgen achter de computer, ondanks alle inzet van de vrijwilligers. We verlangen naar een volle kerk en we willen weer uit volle borst kunnen zingen en in een grote kring samen de maaltijd van de Heer vieren!

Veel kon er ook wel. In de zomer konden we gewoon op vakantie naar midden Frankrijk. Voor het eerst  in de orangerie van kasteel Digoine ‘gebivakkeerd’, heel gaaf!  Met broer en schoonzus een week optrekken en als toetje kregen we een rondleiding door het vervallen en leegstaande chateau. In het voorjaar was met stil weer zelfs  een gedeelte van een zolder van het kasteel ingestort, maar dat mocht Matthew er niet van weerhouden om een boeiend relaas af te steken over het in de 13e eeuw gebouwde kasteel. En als we een souvenir mee wilden nemen; bij de uitgang afrekenen. Na ongeveer tien jaar Digoine was dat wel heel bijzonder. Thuis hebben we ‘Jezus’ schoongemaakt en nu prijkt het Heilig Hart beeldje in volle glorie op ons Franse dressoir.  “De verering van Jezus Christus krijgt vorm vanuit de liefde en barmhartigheid, die worden gesymboliseerd door Jezus’ Hart.” (citaat van Wikipedia)
Hij is het die zorgde voor vergeving van zonden en dat we mogen uitzien naar een eeuwig leven!

Bij het vele wat gewoon kon in 2020 hoort ook ‘het lezen’. Zelfs tijdens de huidige lockdown zijn er boeken af te halen bij de bibliotheek. En wanneer het echt nodig is kan dat ook bij mijn favoriete boekhandel aan de Middenweg. Toen we min of meer opgesloten zaten tijdens onze voorjaarsvakantie op Gran Canaria, had ik gelukkig genoeg boeken bij me in de koffer. Genoten heb ik later van de biografie over Prins Charles van Sally Bedell Smith, nog steeds in de aanbieding trouwens! Maar ook het boek van Rahma El Mouden over haar leven, boeide van begin tot eind. Zij heeft met haar firma MAS jarenlang onze school geboend en gepoetst. Inzicht gevend, hoe zij als Marokkaanse vrouw en moslima een plek weet te veroveren in Amsterdam. En pas nog las ik een heruitgave van Jan Brokkens ‘De blinde passagier’. Een prachtige roman over vluchtelingen, hoe actueel in deze tijd, en de teloorgang van de Nederlandse koopvaardij. En als we het toch over vluchtelingen hebben dan is ‘De bijenhouder van Aleppo’ een boek dat je uit je slaap kan houden.
Inmiddels ben ik begonnen in ‘De opgang’ van Stefan Hertmans en in ‘Revolusie’ van David van Reybrouck. Revolusie gaat over wat Nederlanders hebben uitgestukt in Indonesië en hoe dat land het Nederlandse juk afwierp; een huiveringwekkende geschiedenis. Om het plaatje compleet te maken, nog twee buitengewoon boeiende boeken die ik las. Een heel bijzondere detective is het boek ‘Gewone genade’, een aanrader en o zo jammer dat het door de uitgevrij niet beter verkocht is. Andere vertalingen van Krueger laten daarom nog wel een poosje op zich wachten. De laatste aanrader is een biografie en autobiografie ineen; Alex Boogers  met zijn zoon op bedevaart naar plaatsen uit het leven van Bruce Lee.

foto Jannes Glas, gebruikt als nieuwjaarswens en bedankkaart voor steundeopk.nl

Er gebeurde natuurlijk veel meer en er zijn dagen die we niet zomaar vergeten. De oppasdagen met Teun, klussen in de Oosterparkkerk, heerlijke fietstochtjes in Amsterdam en omgeving, maar ook de dag dat vriendin Diny belde om te vertellen dat hun zoon was gestorven. Het laatste riep zo veel herinneringen op, maar tegelijkertijd was het ook goed om het verdriet te delen. Het ‘Kyrie Eleison’ zal dus ook in 2021 niet van de lucht zijn.

Een gezegend 2021 gewenst.

Kerk in de steigers

Onze kerk, de Oosterparkkerk in Amsterdam, staat sinds vorige week vrijdag letterlijk in de steigers. Nu in de kerkzaal de schilders vrijwel klaar zijn, is de buitenkant aan de beurt. Maandag en dinsdag waren de schilders al flink aan het schuren, ondanks het miezerige weer. Inmiddels is het eerste mahoniebruin op de raamkozijnen gestreken. Langzaamaan is  de renovatie behoorlijk op streek. Zondag kunnen we weer met z’n dertigen naar de kerk en mogen dan op de nieuwe stoelen zitten. De toiletten moeten nog wel worden betegeld en ook de hal en de voordeur moeten nog aangepakt, maar het schiet dus op.

Ergens in januari wilde ik een blog schrijven over ‘klassiek gereformeerd’. Dat idee kwam voort uit een discussie die in het ND en in verschillende kerkelijke bladen werd gevoerd. Het overkoepelende thema was steeds de kritiek op de koers van onze kerk (de GKv). De synode van deze kerken heeft bijvoorbeeld definitief besloten dat vrouwen ook predikant kunnen zijn binnen onze kerken, vrouwelijke ouderlingen waren al iets eerder toegestaan. Ondertussen is er nog wel een behoorlijke groep ‘vrijgemaakte’ kerkleden die deze verandering ronduit niet-bijbels vinden. Zij willen ‘klassiek gereformeerd’ zijn en blijven.  Mijn vermoeden is, met de kleur van onze  kerkramen, dat dit de komende jaren een reden voor sommige broeders en zusters zal zijn om de GKv te verlaten. Ze vinden dat hun/onze kerk niet meer ‘klassiek gereformeerd’ is. Volgens mij is er bij deze broeders en zusters een diep verlangen naar de kerk van de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Nadat eind jaren zestig de ‘ruimdenkenden’, de ‘kritische denkers’, ‘de niet doorsnee-vrijgemaakten’, buiten verband waren komen te staan, was de GKv flink opgeschoond. Interne discussies waren niet meer aan de orde, de binnenverbanders konden in alle rust verder bouwen aan een gezamenlijke bubbel. De steigers werden in rap tempo afgebroken, de rust was weergekeerd. De blog over ‘klassiek gereformeerd’ komt er denk ik voorlopig niet. Een kerk mag zich best gereformeerd noemen, maar eigenlijk is het een raar etiket. Eigenlijk wil toch elke kerk gewoon Jezus Christus volgen?

Een beetje filosoferend hierover denk ik dat men toen in de jaren 60, de steigers beter had kunnen laten staan. Het gebouw ‘gereformeerde kerk’ was in die tijd helemaal niet af, eerder zwaar beschadigd. Men had alles in het werk moeten stellen om de scheuren te herstellen, zeg ik met de blik van vandaag. Zoals in onze kerkzaal waar forse scheuren zaten, ontstaan door roestend ijzer, de aannemer de scheuren moest uithakken, waarna de stukadoor alles weer netjes vlak kon trekken. In de jaren zestig had men de scheuren ook moeten uithakken, tot op het bot. Vooroordelen hadden moeten worden uitgewisseld en bevraagd moeten worden. Maar nee, het leek wel of barsten en scheuren groter werden gemaakt. Broeders en zusters liepen wanneer de moeilijkheden in de kerken in een preek werden genoemd, kwaad de kerk uit. Ik maakte mee dat tijdens het ‘grote gebed’ een heel gezin op bevel van de vader naar buiten stiefelde. Vriendschappen die al jaren bestonden, van de een op de andere dag keek men elkaar niet meer aan.  Geen goede voorbeelden; men had ook tot na de dienst kunnen wachten en dan nog een mijl meegaan. Proberen toch samen verder te bouwen, en een kerkscheuring niet de aanleiding laten zijn tot het opbreken van een jarenlange vriendschap. De scheuren werden echter zo definitief dat herstel onmogelijk leek, en opeens waren er twee soorten vrijgemaakten. Vijftig jaar later is het haast niet meer uit te leggen. Gelukkig is er nu een proces op gang gezet voor heling en eenwording. Ook bij dat proces zijn steigers, trappen, troffels en kwasten nodig. Een kerk moet eigenlijk constant aan het verbouwen zijn, in beweging en open voor mensen, die op zoek zijn naar rust, naar genade en aandacht.

Vandaag heeft de orgelbouwer de grote balg losgekoppeld van het orgel. Een flink karwei en halverwege de middag hebben we met zes man sterk het 150 kilo zware gevaarte uit het orgelhok getild. Ook een reguleerbalg is door de orgelmaker meegenomen. Wanneer de balgen zijn hersteld zal op de orgelverdieping alles schoongemaakt worden. Alle meer dan 1000 orgelpijpen zullen schoongemaakt worden. Daarna kan het orgel er weer jaren tegenaan. In diensten en hopelijk ook op andere momenten, concerten, middagpauzeconcerten en hopelijk als studieorgel voor orgelleerlingen.

Zie ook; steundeopk.nl 

Verdwijnen de verhalen…?

Deze week is de vloerenman bezig. Op de galerij had hij zijn kunsten al vertoond, maar nu mocht hij los op de kerkvloer. Wanneer je vandaag of morgen even binnenloopt en dan de geur opsnuift, zou je willen dat je het in een potje kunt stoppen en dat op een zondagmorgen kunt rondstrooien, zo heerlijk ruikt het. Het prachtige Amerikaans grenen was in bijna 120 jaar natuurlijk behoorlijk aangetast en voor zover ik weet nog nooit flink opgeschuurd. In 1980 lagen er in de twee gangpaden kokosmatten en ook voor het podium lagen matten. Jaren later, toen de tand des tijds had toegeslagen werden ze naar de vuilstort gebracht. Nieuwe matten kwamen niet terug, iedereen vond het zonder matten mooier. Er werden, toen in de ‘beheerderswoning’ nog een kostersechtpaar woonde, de naam van de familie Dijkstra zij met ere genoemd, jaarlijks schoonmaakdagen georganiseerd. Lampen werden met behulp van een lange ladder schoongemaakt en zelfs de gordijnen werden gewassen. Met een grote schrobmachine werd de kerkvloer schoongemaakt (met water en groene zeep). De vloer lag er dan weer voor een aantal maanden prachtig bij. Maar inmiddels was er echt groot onderhoud nodig. Het prachtige hout, wat natuurlijk nog veel ouder is dan 120 jaar heeft dus al heel wat kerkvolk over zich heen gehad. Van 1904 tot 1976 een heleboel Doopsgezinde broeders en zusters en vanaf begin jaren 70 dus ook de vrijgemaakten, die het gebouw uiteindelijk in 1976 kochten.

Prachtig stilleven op de galerij.

Amerikaans grenen is uitermate geschikt om er vloerplanken van te zagen.  Doordat de stammen tot wel 30 meter lang zijn zijn er geen noesten in het hout. Dat hebben de bouwers en architect Salm aan het begin van de 20e eeuw goed bedacht. Daarnaast is het niet de meest dure houtsoort, de kerk mocht niet te veel kosten. De kozijnen werden ook van grenen gemaakt en later geverfd en gehout, ook zo’n zuinigheidsmaatregel. Dat op zich is natuurlijk al een mooi verhaal, maar afgelopen zondag toen we nog op de stucloper zaten, dwaalden mijn gedachten naar de vloer. Ik heb iets met vloeren en door de jaren heen bij de dochters, bij vrienden en ook collega’s kaal beton belegd met mooie houten planken, prachtig laminaat en een enkele keer zelfs met namaakhout. Dat laatste weiger ik nu principieel, geen kunststof. Niet een paar dagen op de knieën met als resultaat een vloer met namaak uitstraling. De kerkvloer zal straks één of op sommige plekken wel twee millimeter kwijtraken, zat ik te bedenken.

Zullen dan ook al die verhalen die zich op de vloer hebben afgespeeld daarmee verdwijnen? Ik moest opeens denken aan al die kerkgangers die niet in onze ledenlijst terechtkwamen. Zoals broeder S. die zich op de voorste rij nestelde in het gezelschap van een grote zwarte hond. Hij luisterde aandachtig en mompelde zo nu en dan wat door de preek, zijn hond bleef gelukkig rustig. Later beweerde hij dat hij ook een preek had geschreven en die ook wilde houden. Dat ging de kerkeraad, toen nog zonder n, toch wel te ver. S. was ontstemd en keerde niet meer terug. En niet te vergeten broeder L., die zo nu en dan op de achterste rij ging zitten en later regelmatig op bezoek kwam bij de evangelisatieprojecten in het Bijlmerpark. Een woord of een zin riep bij L. allerlei associaties op en dan was er geen touw meer aan vast te knopen. Het ging werkelijk van Feike Asma tot allerlei theologen. Tijdens een maaltijd in het Bijlmerpark werd een Bijbelgedeelte gelezen waarin het monument Eben Haëzer voor kwam (1 Samuël 7). L. vroeg wat dat betekende en hij kreeg als antwoord: ‘Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen’. ‘Oh’, zei L., ‘dan snap ik waarom bij het Gein dat fietspad op houdt’. Later kwamen we er achter dat een boerderij daar de naam ‘Eben Haëzer’ droeg. ‘Eben Haëzer’ betekent trouwens gewoon ‘steen van de hulp’ (God die hielp in de strijd), het ‘tot hiertoe’ wekt dus nogal verwarring. Op en zondagmorgen zat broeder L. weer achter in de kerk en was behoorlijk onrustig. De irritatie liep hoog op en enkele broeders hebben hem toen de kerk uitgezet. Een verdrietige gebeurtenis, want buiten zette broeder L. het op een schreeuwen.
Broeder Westerneng, die stond later wel in de ledenlijst, kwam in mijn gedachten. Een kleurrijk figuur die veel door de stad had gezworven met zijn accordeon. Bij het evangelisatieproject begeleidde hij wel eens de samenzang. Toen hij officieel lid zou worden, zat hij op een zondag behoorlijk dronken op de galerij. De dominee nam, op aandrang van de koster, voor de dienst maar eens poolshoogte, maar rapporteerde dat hij niets had geroken… Nu was deze voorganger geen gebruiker van alcoholische dranken, dus misschien had hij niet het verschil ontdekt tussen ranja en alcohol. Deze broeder had altijd mooie verhalen, luisterde vaak hele dagen naar radio Parousia waar hij ook inbelde. Helaas had hij het niet in zich om zijn huis schoon te houden. Ging een ouderling op bezoek dan nam deze in de binnenzak een schone beker mee. Broeder Westerneng is na zijn sterven in het OLVG, vanuit de kerk begraven. Als eerbetoon had men op de kist zijn accordeon een plek gegeven. ‘Helaas’ schoot er tijdens de overdenking een riempje los en klonk er nog een prachtig klagend geluid vanaf de kist, een soort eresaluut!
Ik hoop maar dat met het verdwijnen van de bovenste laag, niet de verhalen verdwijnen. Trouwens op deze opgeschuurde vloer zullen ook weer nieuwe verhalen ontstaan.

NB www.steundeopk.nl

De dienst begint om kwart over negen…

Jammer van het tuintje, maar wanneer er genoeg geld is, komt er een prachtige keuken!
Nu nog een oplossing voor het lelijke kippengaas aan de buitenkant.

Het was een heftige discussie op de kerkenraad. Er lag een brief van een oudere broeder met de vraag of de broeders de begintijd van de ochtenddienst wilden aanpassen. De bewuste broeder had daarvoor een paar argumenten. Maar één argument was erg sterk. Kwart over negen klinkt een uur vroeger dan half tien. Het was een doordenker natuurlijk, maar deze broeder bracht een fraai psychologisch argument in. Voor hem voelde het gewoon veel later, half tien, dan is die negen weg. De voorzitter, in die tijd was dat gewoon de dominee, moest hier niets van weten. Een kwartiertje verschil, wat een onzin! Probleem wat op de achtergrond speelde was dat de dominee vrijwel elke zondagochtend ook elders preekte. Dat laatste deed hij met toewijding en liefde, regelmatig preekte hij vier keer op een zondag! Wanneer de Oosterparkkerk om kwart over negen startte, dan kon de dominee om ongeveer tien uur buiten staan. (Wanneer de preek dreigde uit te lopen, dan kuchte zijn vrouw nadrukkelijk en wist hij dat er een eind aan gebreid moest worden.)  Voor de kerk stond dan een chauffeur met auto klaar om de dominee zo snel mogelijk te vervoeren naar een zusterkerk. Die zusterkerk startte om half elf. De kleine gemeentes in Krommenie en Halfweg-Zwanenburg hadden een prachtige voorziening op deze manier, keurig op elkaar afgestemd.
Maar ja, toen lag daar de vraag op tafel van een oudere broeder die al veel last had van slapeloosheid.  Na een heftige discussie moest er toch maar over gestemd worden. Sommige broeders, die ook wel een kwartiertje wilden uitslapen, hadden stiekem al koppen zitten tellen. De voorzitter wist de vraag echter zo te stellen dat je eigenlijk niet wist of je nu voor of tegen moest stemmen. De eerste die aan de beurt kwam, links van de voorzitter, onderving dat door breeduit te vertellen dat hij voor handhaving van de begintijd was. En dat ging goed totdat één van de broeders zich vergiste. De vraagstelling was hem te veel  geworden en hij stemde precies anders dan hij in de discussie beweerd had. Consternatie alom toen bleek dat het geen half tien werd. Eén van de diakenen vertelde later dat hij al heel lang vond dat de dominee beter advocaat had kunnen worden. Achteraf gezien denk je bij jezelf, waar hebben al die discussies toe geleid? Dertig jaar later kun je je nauwelijks voorstellen dat we ons daar toen zo druk over maakten. Vergaderingen van vier uur waren geen uitzondering en dan werd er  ook nog flink gerookt. Wanneer we eerstdaags het plafond van de kerkenraadskamer open trekken, zullen we vast en zeker nog rooksporen aan treffen. De koster, die boven de consistorie zijn huiskamer had kon bijna ruiken van welk merk sigaren er werd genoten. “Verbrand uw afgoden”, was een geliefde uitdrukking van onze dominee.
Een paar vergaderingen later werd alsnog de aanvangstijd veranderd naar half tien. En jaren later werd het tien uur en verdween de tweede dienst, iets wat niet in ons hoofd op kwam toen we discussieerden over een kwartiertje later. De kleine kerkjes van Halfweg-Zwanenburg en Krommenie bestaan niet meer, het aantal leden nam zo af, dat deze kerken vonden dat ze geen bestaansrecht meer hadden. De broeders die onze toenmalige dominee ophaalden, hij had geen rijbewijs,  leven niet meer.
Tot voor kort zag het kerkgebouw er nog net zo uit als veertig jaar geleden. De mannenbroeders die in 1980 de kerk bestuurden zouden echter verbaasd zijn geweest. Een piano, regelmatig een muziekband die een keur aan liederen speelt, elke zondag een viering van het Heilig Avondmaal en een brandende kaars voor in de kerk…. Ik hoop dat ze onder de indruk zijn zouden zijn van een serie preken over Goede Gewoonten en beseffen dat aanvangstijden en gewoonten blijkbaar kunnen veranderen, maar dat gelukkig het evangelie nog elke zondag voluit klinkt.
En mocht u het nog niet gedaan hebben, neus eens rond op steundeopk.nl.

Teun en tijd

Ooit kreeg ik van Gerard Lubbers een leesplankje cadeau. Achterop zit een nog nauwelijks leesbare sticker: ‘HOOGEVEEN’S VERBETERD LEESPLANKJE’ en met kleinere kapitalen dat het gaat om een ‘uitgave van J.B. Wolters te Groningen’. Op internet zijn foto’s te vinden en ik ontdek dat het een om een exemplaar gaat wat uitgegeven werd tussen 1909 en 1916. Het plankje is dus ruim 100 jaar oud. Misschien heeft ooit Gerard  zelf met zo’n plankje leren lezen. Ergens moet nog een doosje zwerven met de kartonnen letters. Gerard schonk het vanwege mijn werk als onderwijzer. Nu onze derde kleinzoon is geboren, heb ik hem weer tevoorschijn gehaald. Zijn naam staat er op! Kleizoon Teun zal echter nog even moeten oefenen voordat hij de tweeklank eu kan verbinden met een t en een n. En we zouden schoolmeester Mattheus Bernhard Hoogeveen (1862-1941) willen vragen waarom déze tekening van Jetses nu zo kenmerkend is voor t eu n.  Deze Teun ziet er uit als een oudere boerenknecht, verweerd, een open kiel en met een stok in de hand; een man van het buitenleven. Het hele leesplankje had trouwens nogal een landelijk karakter. Geen grachtenpand, geen kerktoren, maar veel groen en ook nog een Mies, Gijs, Jet, Wim en Kees. De laatste is trouwens een hond, maar Femmie heeft dus nog meer keus. Op de ‘Vertelselplaat’ die bij het leesplankje hoorde staat Teun ook afgebeeld. Hij heeft een lang touw in zijn handen met daaraan een aap, die in de dakgoot van een huis zit. Op zijn hoed is nog beter te zien dat Teun er een veer op heeft gestoken en uit zijn jaszak hang een slordige doek. Hij doet denken aan Vitalis uit ‘Alleen op de wereld’. Vitalis had ook een aapje. Misschien had Hoogeveen de Nederlandse vertaling gelezen die in 1880 verscheen. Als onderwijzer heeft hij het ongetwijfeld gekend en werd op die manier Vitalis verbasterd tot Teun? Alhoewel, Hoogeveen moest op zijn plankje die letters een plek geven, die nodig waren voor het eerste leesonderwijs.  Het leesplankje dat ik heb is behoorlijk versleten, maar dat maakt hem ook aantrekkelijk, de tijd heeft zijn sporen achtergelaten. Restaureren is hier geen optie, goed conserveren wel. Dat laatste zal er op neerkomen, gewoon weer goed opbergen en wanneer Teun een beetje kan lezen, hem voorzichtig te voorschijn halen, en de letters gaan benoemen; aap, noot mies,… wim, zus, jet,… teun…  Wel opmerkelijk dat pedagoog Hoogeveen het leesonderwijs ooit liet beginnen met aap, en Veilig Leren Lezen (waar 80% van de basisscholen mee werkt) op zeker moment begon met: ik (de plaat die erbij hoorde was een spiegel). Zit hier een evolutionaire gedachte achter?

Optocht op Bevrijdingsdag, waarschijnlijk 1965. Met z’n allen naar het sportveld. Deze foto stuurde de inmiddels ‘bejaarde’ juf mee; ze denkt dat ik er op sta. Links vooraan?

Teuns geboorte leverde nog een duik in de tijd op. We waren zo vrijmoedig geweest om zijn geboorte wereldkundig te maken via een annonce in het Nederlands Dagblad. Dat laatste levert altijd wel bijzondere reacties op. Zo kreeg onze jongste een prachtige Dick Bruna kaart van een oude schooljuf van mij. Juf Bieny had de advertentie gelezen en ook onze namen daarbij en deed dus bij de kaart een brief voor opa (en oma). Ze had nog een tekening die ik had gemaakt voor haar trouwdag in 1965. Ik kan me nog herinneren hoe spannend dat was. Juf Bieny (mocht ik van mijn moeder niet zeggen) trouwde met Gert in Assen. Ik denk dat ouders ons gereden hebben en ik kan mij nog herinneren dat we naar de Kandelaarkerk zijn geweest. Juf Bieny was een geliefde juf, met aandacht voor de kinderen. Ze vond terug op die bewuste tekening dat ik mijzelf Roelke noemde. Logisch, want ik werd thuis zo genoemd, Henk was Henkie en mijn oudere broer Bernhard; Bennie. Juf Achterhof, de opvolgster van juf Bieny, heeft er denk ik voor gezorgd dat Roelke Roel werd.
Juf Bieny was mijn eerste juf. Omdat we buiten Hoogeveen op een boerderij, annex houthandel woonden (een soort voorloper van de Gamma), was er blijkbaar geen reden om de kinderen Wimmenhove naar een kleuterschool te sturen. Wij leerden in de ‘praktijk’ en aangezien ik een oktober leerling ben, was ik dus bijna zeven jaar toen ik naar school ging.  Waarschijnlijk speelde ook mee dat er geen gereformeerde kleuterschool was en de leerplicht begon bij het seizoen waarin je zeven werd.  Achteraf bleek het allemaal mee te vallen, ik had alleen het knippen en plakken niet onder de knie, maar dat was snel genoeg ingehaald. Juf Bieny gaf les in het laatste lokaal rechts aan het eind van de gang. De school aan de Alteveerstraat was oud , met hoge lokalen en de kachels hadden een soort scherm. We leerden schrijven met een kroontjespen en oh wee als je daar te zwaar op drukte; dan gingen de pootjes uit elkaar staan… Zo nu en dan ging de juf met de inktfles de bankjes langs om de inktpotjes te vullen. Later verhuisde de school naar een nieuw gebouw aan de Beukemastraat en kreeg de naam van Johannes Calvijn.

De ‘Hermle’ pendule die vroeger bij mijn ouders op de schoorsteenmantel stond.

Een van de leukste programma’s op de BBC is op dit moment “The Repair Shop“. Kijkers brengen een voorwerp dat totaal versleten en kapot is en hopen dat een specialist het voorwerp weer kan laten ‘schijnen’. Eenmaal opgeknapt levert het vaak mooie en ontroerende momenten op. Mijn leesplankje zou ik er heen kunnen brengen, maar ik ben bang dat de charme er dan ook een beetje afgaat. Alhoewel je ook opgeplakt papier kunt schoonmaken, weet ik sinds de aflevering van afgelopen woensdag. Een paar maanden geleden heb ik wel onze oude pendule naar een Nederlandse ‘repair shop’ gebracht. Vorig seizoen was er een Nederlandse versie met Umberto Tan, maar dat haalde het niet bij de Britse versie.  Die pendule heb ik geërfd van mijn ouders en helaas hield hij er opeens mee op. Een korte krak en dat was het. Gelukkig is er in Duivendrecht is nog een echte klokkenmaker en hij zag er wel wat in. Onze ‘Hermle’ had wel een forse schoonmaakbeurt nodig en waarschijnlijk een reparatie. Keurig schoon en opgepoetst kon ik hem weken later weer ophalen. Zo tikt de tijd weer, zoals hij dat vroeger bij ons thuis ook deed en ook de uren slaat hij weer met een prachtig en en niet te zwaar geluid. Mijn ouders hadden hem al sinds hun trouwen voor zover ik weet. Geen idee of ze hem tweedehands of nieuw aangeschaft hebben. Maar hij klinkt zo vertrouwd; de tijd tikt door en met ons mee. Het is wel gebeurd dat wanneer ik een broer aan de lijn had, ze opeens zeiden; “Hee, de olde klokke van de schörstienmaantel..”. Op een dag zal misschien ook Teun vragen over de klok. Ik zal hem dan uitleggen dat een pendule een slinger is en het deurtje aan de achterkant van de ‘pendule’ openen om de slinger ook te laten zien. Dat de pendule ooit bij zijn overgrootouders in de kamer stond, vlak boven de kachel en dat alleen mijn vader of moeder hem mochten opwinden. De slinger laat door de kracht van de veer de tijd wegtikken, dat deed hij al vele jaren voordat ik er was en zoals hij nu tikt, zal hij dat ook nog wel doen als Teun zo oud is als wij nu zijn…