50 jaar geleden – Piet, Lies en Johan – In Memoriam
Ze leerden elkaar kennen op een “Rijnreis” van de Gereformeerde Reis Vereniging. Een reis met een dramatisch einde. Het was vrijdag 7 augustus 1964 en de groep GRV-ers was met de “Ahoy” op de terugvaart naar Nederland. Bij een keermanoeuvre op de Rijn in de buurt van Düsseldorf ging het fout, de vakantieboot kwam in aanvaring met een Duitse tanker en 16 jongelui sloegen overboord. Twee jongens overleefden het niet. Onze zus Lies kwam thuis met een hersenschudding. Dat was niet het enige wat ze van deze reis overhield. Niet veel later meldde de toen 19-jarige Piet Lijnema uit Hoogkerk zich bij ons thuis aan de Langedijk in Hollandscheveld. Hij was die GRV reis verliefd geworden op onze roodharige oudste zus. Joviaal en van totaal ander hout gesneden dan de Wimmenhove-mannen en ongetwijfeld kwam hij Lies haar 21e verjaardag in september met een grote bos bloemen opvrolijken. Piet werkte in Hoogkerk bij zijn vader in de zaak. Het bedrijf was gespecialiseerd in hengelsportartikelen, ze maakten zelf vishengels en ook dobbers in alle kleuren en maten.
Na verkering en verloving trouwden ze twee jaar na de Rijnreis, en gingen in Hoogkerk wonen, niet zover van de ‘Hengelsportartikelen Joh. Lijnema en Zn.’ Toen ik na de zomer van 1969 in de stad Groningen naar het Gereformeerd Lyceum ging, mocht ik wel eens komen logeren en oppassen op Johan en Roel, Lies was een beetje als een tweede moeder. We verschilden 13 jaar in leeftijd.
Aan het begin van de jaren 70 pakten zich echter donkere wolken samen boven het familiebedrijf. Het zelf produceren kon niet meer uit vanwege concurrentie uit het Verre Oosten. Uiteindelijk ging het bedrijf failliet en moesten Piet en Lies hun huis verkopen en ging Piet aan de slag als vertegenwoordiger bij een van de toeleveranciers van het ter ziele gegane bedrijfje in Hoogkerk. Ze verhuisden naar Heemse bij Hardenberg en kwamen daardoor dus wel weer dichter bij Hollandscheveld wonen. Piet was bijna alle dagen bij de weg, want hij had regio Oost, dat liep van Delfzijl tot Maastricht. Firma Wetzlar was gevestigd aan de Prinsengracht in Amsterdam, niet zo ver van de Noorderkerk. Ik mocht een keer mee in een zomervakantie toen Piet daar heen moest. Onderweg allerlei verhalen natuurlijk. Rijden in Amsterdam had hij geleerd door één van eerste keren dat hij daar kwam, achter een taxi aan te rijden. Een onvergetelijke dag werd het. Firma Wetzlar was een importfirma en in de oude pakhuizen lag werkelijk van alles opgestapeld, van rieten matten tot olifantstanden. Tussen de middag gingen we samen eten bij het naastgelegen en nog steeds bestaande pannenkoekenrestaurant. In Heemse bouwden zus en zwager een nieuw sociaal leven op. Lies werd leidster van een meisjesvereniging en een nieuwe vriendenkring ontstond. De kinderen gingen er naar de lagere school.
Op dinsdag 20 juli 1976 reden Piet en Lies rond etenstijd met hun vier kinderen naar huis. Het was zomervakantie en Lies en de kinderen waren mee geweest naar Hoogkerk, terwijl Piet bij verschillende hengelsportzaken langs ging. Lies was met haar kinderen in de Kerkstraat nog op bezoek bij haar oude buurvrouw. Op de provinciale weg bij Slagharen ging het mis, een bezoeker van het Ponypark ging de file inhalen. Nooit is duidelijk geworden waarom hij dat deed. Waarschijnlijk hebben er voor Piet nog auto’s gereden en zag hij pas op het laatste moment de tegenligger, te laat. De auto’s boorden zich in elkaar, met dodelijke gevolgen. De klap moet verschrikkelijk zijn geweest. Piet en de oudste, Johan bijna negen jaar, overleden ter plekke en Lies werd nog overgebracht naar het ziekenhuis in Zwolle waar ze in de loop van de avond overleed. De veroorzaker van het ongeluk en zijn vriendin overleefden het ook niet en ook één van hun kinderen vond de dood bij dit verschrikkelijke ongeval. De Telegraaf meldde later onder andere het volgende: “De enige die zo goed als ongedeerd uit de wrakstukken kon worden gehaald, was een baby van een jaar oud. Het kereltje, dat het gebeurde niet besefte, kraaide van plezier alsof iemand een geweldige grap had uitgehaald, toen een hulpverlener hem met tranen in de ogen in zijn armen nam.” Dat moet waarschijnlijk de jongste van Piet en Lies zijn geweest, Harry.
Wij waren die avond met de jongste drie thuis en zaten op de kamer van Henk tv te kijken, de Olympische Spelen in Montreal. Va en moe waren met oudste broer en zijn vrouw naar Leusden. Broer Fake werd die dag 28. Opeens ging de telefoon en een agent uit Hardenberg had vragen over het ongeval en moest toen wel vertellen wat er gebeurd was. Tot diep in de nacht hebben we opgezeten, de wijkouderling kwam en later kwamen ook onze ouders thuis. Ze waren in Zwolle, wat ik mij herinner, nog naar het ziekenhuis geweest.
Er brak in onze familie een onwerkelijke tijd aan, van alles moest geregeld natuurlijk. En dingen verliepen zoals dingen gingen vijftig jaar geleden. Maar nog steeds is het een verhaal van gemis en verdriet, ook mee doordat er drie kinderen wees waren geworden. Nu het precies vijftig jaar geleden is, vond ik de tijd rijp om er ook maar eens een blog aan te wijden. Lies zou vandaag 82 zijn geweest en Piet zou afgelopen februari 81 zijn geworden. Johan zou komende 1 augustus, 59 zijn geworden. Soms vraag je je af hoe het zal zijn als we elkaar weer ontmoeten, want ooit komt die dag….
Deze weken genieten we bijzonder van onze tuin. Elke morgen schitteren de dahlia’s en agapanthus ons tegemoet. En aangezien onze tuin op het noordwesten ligt, is het ’s morgens buiten nog heerlijk koel en een prachtige plek om te ontbijten. Bijen en een enkele vlinder vliegen af en aan. Soms zetten we de tuindeur open en hebben we een prachtig uitzicht over de vijver met zo nu en dan passerende eenden en waterhoentjes. Ondertussen genieten wij van een boterham met bramenjam. Het laatste natuurlijk van onze eigen bramenstruik die door het weer van de afgelopen weken al vroeg prachtige zwarte vruchten levert. Voor zover we kunnen nagaan is onze doornloze bramenstruik van oorsprong Hollandschevelds.
Inmiddels heb ik een forse strook oever van de Venserwetering ontdaan van brandnetels, riet en ander ‘onkruid’. Het eerste gras dat we ingezaaid hebben is inmiddels al groen. De gemeente Diemen heeft tegenwoordig een makkelijke app waarop je je klachten kunt deponeren. Heel soms wil men dan wel reageren waarom een en ander niet kan worden verholpen, zoals de staat van het asfalt op het drukke fietspad naar Oost. Maar op de vragen over het onderhoud van de oevers krijgen we steevast als reactie: ‘melding afgehandeld’. Gelukkig wordt eigen initiatief niet afgestraft en omdat wij als Diemenaren met zijn allen de gemeente zijn, kunnen we dan ook gerust stellen: ‘de gemeente zijn we ook zelf’. Het bezig zijn bij de vijver leverde al veel leuke gesprekken op. Soms ook discussies, als het over uitwerpselen van honden gaat, maar meestal kan dat in een goede sfeer. Inmiddels weet ik ook hoe een Chinese naakthond eruit ziet en dat hij in de winter roze is. Laatst kwam een oudere buurvrouw toch even ‘binnen’ voor een kop koffie en ontstond een geanimeerd gesprek met onze overbuurman die met ons genoot van het uitzicht.
De gemeente, dat zijn wij dus gewoon met z’n allen. We hoeven niet alles over te laten aan de vuilophalers en de ingehuurde schoffelaars. Op het gemeentehuis kun je gratis afvalgrijpertjes krijgen. En het aantal plantsoenen dat wordt onderhouden door bewoners is groeiende. En dat laatste levert weer sociale cohesie op. Ondertussen blijf ik wel ageren op de ‘BuitenBeter’ app dat men actie moet ondernemen tegen de Amerikaanse rivierkreeft die er ook in ‘onze’ vijver als exoot voor zorgt dat het ecologische evenwicht wordt verstoord en de waterkwaliteit erg verslechtert. Je kunt met een hengeltje op een rustig plekje gaan mediteren, maar vangen zul je niets. Soms pikt de plaatselijke reiger een kreeftje, maar dat zet geen zoden aan de dijk; integendeel.

de knapenvereniging van de kerk en later de jongelingsvereniging, alle broers doorliepen dat ‘leertraject’ en zussen trouwens ook, maar dan op de meisjesverenigingen. En één keer per jaar togen we naar Kampen om ons te laven aan orgelspel en doorwrochte toespraken.

Nog één keer hebben we over het terrein gewandeld, genoten van de uitzichten, door de schuren gesjouwd en gesnuffeld in de werkplaats. De oudste dochter had het goed geregeld, koffie en thee op de plek waar eens de ‘zwarte schuur’ stond. Ooit voor de varkens, later voor tweedehands meubels en uiteindelijk rommelschuur en onderkomen voor broers die er hun hobby’s konden botvieren. De ooit, volgens zeggen, verstopte geheime krantjes uit de Tweede Wereldoorlog zijn niet meer teruggevonden. Het haalde veel herinneringen boven. Onze eerste wc was er nog, maar op de plek waar ik ooit mijn eigen studeer-slaapkamer had was inmiddels een modernere toiletgelegenheid gemaakt en een keurige badkamer. Ook de zolder was niet meer wat het was. Kleine kamertjes hadden we, waar net een of twee twijfelaars in pasten, waar we dan met z’n tweeën in sliepen. Zelfs de opkamer was kleiner gemaakt. Ooit sliepen we er met z’n tweeën en konden soms niet in slaap komen als ernaast in de woonkamer een verjaardag werd gevierd met veel sigaren en sigaretten.
Ooit vond ik het overdreven dat het hoofd van onze school iets begon met computers. Bij het katholieke administratiekantoor volgden we (min of meer verplicht) onze eerste cursussen op een computer. We gebruikten in die tijd nog van die slappe floppy’s. Later werden ze kleiner, met een schuin hoekje. Op de rommelkamer heb ik her en der nog stapeltjes liggen. Geen idee of er nog wat op staat en hoe ik het er af zou moeten krijgen… ‘Error’, dat was voor ons in die begintijd wel een heel belangrijke term en we hebben zeker veel fouten gemaakt. Uiteindelijk wende het, kochten we ook voor thuis een computer en nu in 2025 weten we niet beter. De grote kasten en beeldschermen werden een simpele laptop, waarop ik nu mijn blog kan invoeren. Verandering, het is blijkbaar niet tegen te houden en we raken er snel aan gewend. Waar we in het begin nog morele en ethische bezwaren zagen, maken we er nu volop gebruik van. Onze grootouders zouden er niet veel van begrijpen, dat is zeker.
Op de trouwakte van mijn ouders zet ze dan ook niet haar handtekening, ze kan het niet meer; vanwege hevig beven. Op een oudere akte is haar naam wel te vinden en is te zien dat de k’s van Kikkert (haar familienaam) alle kanten opgaan.
NB Op radio Klassiek kwam een item voorbij over ‘de Boom van het Jaar-verkiezing 2025’. Nu onze oudste broer niet meer thuis kan wonen vanwege zijn ziekte, heb ik de ‘beroemde es’ waar hij altijd liefdevol over sprak genomineerd. Ik kon alleen niet uitvinden op wiens grondgebied deze boom staat. Maar er is vast een bloglezer die mij verder kan helpen. (zie blog:
Eén van de grootste ergernissen het afgelopen jaar is het verschijnsel de ‘fatbike’. Amsterdam is er werkelijk van vergeven. Rijden we hier achter de Boekweitdonk af, naar het Reigerpad dan suizen ze je van links voor je neus langs of het niks is. Ook richting het fietspad langs de Weespertrekvaart of de Gooiseweg, ze trekken zich niets aan van andere fietspadgebruikers. Vaak met een donkere hoodie over hun hoofd en gemiddeld al snel boven de 30, terroriseren ze de rest van de fietspadbevolking. Op andere momenten scheuren jonge gasten, nog geen vijftien, liefst met z’n tweeën op zo’n gevaarte, alle stoplichten negerend, al slingerend door het verkeer. In het begin denk je nog, leven en laten leven. Maar ik schrik, ben afgeleid en krijg de neiging om tegen ze te gaan schreeuwen.
Wat heb ik genoten van de prachtige tv-serie van de drie Belgische mannen die wandelen door Nederland. Eerder al waren dwars door België gewandeld naar Maastricht om daar het Pieterpad te volgen. Het leverde prachtige tv op. Het wandelen nog lang niet moe, togen ze opnieuw op pad, nu namen ze vanuit Noord-Friesland het Diagonaalpad. Het levert het soort televisie op, waar je op kunt herkauwen. Prachtige beelden van gebieden in Nederland waarvan je niet wist dat het er was. Aanvoerder Arnout Hauben treedt de mensen die ze tegenkomen op zo’n eerlijke manier tegemoet, dat er in de meeste gevallen mooie, soms zelfs diepzinnige gesprekken ontstaan. Niks gekunsteld, maar leerzaam. Niks polariserend, maar verbindend.
Eigenlijk best wel geinig om van een afgelopen jaar het agenda nog eens door te bladeren. Ikzelf zet er niet alleen maar mijn afspraken in, maar ook verjaardagen, sterfdata en regelmatig noteer ik bijzondere gebeurtenissen. Soms neem ik die over in een volgend agenda, om daar op de betreffende datum toch nog een keer bij stil staan. Eén van de vervelendste dingen was wel het verstopt raken van de afvoer. De eerste keer hadden we kleinzoon Teun te logeren en het was zondag. Dus toch maar een nooddienst gebeld. Gelukkig konden die de verstopping min of meer verhelpen. Helaas hebben ze toen zitten knoeien met de hangende wc-pot.
Een andere ingrijpende gebeurtenis is het aanstaande vertrek van onze dominee. Na nog geen zes jaar gaat Marinus de OPK verlaten. Het is zoals het is en we snappen zijn overwegingen. Zijn werk aan de Theologische Universiteit Utrecht zal vast tot zegen van de kerken zijn. Het is dan wel geen ergernis of irritatie, maar het voelt wel als verdriet. Tijdens de coronaperiode was Marinus de trekker van online diensten, eerst vanuit zijn studeerkamer en later vanuit in kerkzaal in verbouwing. Zijn stimulans om ons meer te laten leiden door het kerkelijk jaar en ook liturgische gebruiken die in de loop van de geschiedenis verdwenen zijn weer te herintroduceren, ik hoop dat we het voortzetten. Het maakt ons meer kerk. Een paar maanden geleden vierden we een zondag geen Heilig Avondmaal. Een broeder reageerde met: “Het voelt als een halve kerkdienst.”
Op de laatste veiling van ‘de Eland’ was een hele partij Friese en Groningse staartklokken te koop. ‘Collectie Bouwens’ stond er in de catalogus. Helaas zijn deze klokken tegenwoordig niets meer waard. Voor tussen de honderd en vijfhonderd euro gingen tientallen prachtig oude uurwerken onder de hamer. Waar ze eertijds zo maar duizenden guldens kosten, is er nu totaal geen interesse meer. Het zijn tijdaanduiders met allemaal hun eigen specifieke geschiedenis. Hele generaties hielden ze bij de tijd en ze kunnen nog eeuwen mee. Toch een ergernis dat daar zo weinig oog voor is. Gelukkig zijn er hier en daar nog liefhebbers, geen digitaal gedoe, maar gewoon het gewicht hijsen.
Een behoorlijke ergernis was het terugverhuizen van onze opk-zuster Roos. Eigenaar ‘firma A.’ te Schiphol, liet het er flink bij zitten. Een lijst van bijna 30 nog te verrichten verbeteringen was zo gemaakt. Het kostte heel veel energie om toch zo veel mogelijk voor elkaar te krijgen. Op een zeker moment wilde men zelfs geen zaken meer doen met de ‘zaakwaarnemer’. Maar dat liet onze zuster niet op zich zitten. Inmiddels is er geverfd, behangen, geschrobd, gezweet en uiteindelijk verhuisd. De OPK op zijn sterkst zullen we maar denken. Maar de irritatie met betrekking tot de verhuurder was soms groot als er weer een forse mail moest worden gestuurd.


Een paar dagen later zijn we in het Drents Museum, voor de tentoonstelling over Albert Steenbergen. Ook die heeft alles te maken met onze geboortegrond. Steenbergen was een Hoogeveense schilder en schrijver in de 19e eeuw. Hij schreef gedichten, verhalen en toneelstukken. Een beroemd verhaal in Hoogeveen en omstreken is het over “De Nevelhekse”. Bij ons thuis ging altijd het verhaal dat deze vrouw in de buurt van de Langedijk (de straat waar wij woonden) gewoond had. Ergens in de bocht, waar een klein bos was, heet het “’t Holtien”, daarachter ergens. Ooit voerde men in de bijzalen van de kerk een toneelstuk op over “De Nevelheks” en hing bij ons daarna nog een stuk doek met daarop een afbeelding van deze nevelheks. Waarschijnlijk heeft Steenbergen teruggegrepen op oude volksverhalen waarin witte wieven een rol speelden. Het verhaal is een aantal jaren opnieuw uitgegeven en ligt te koop in de Museumwinkel.
Zo nu en dan krijg ik reacties op mijn verhaaltjes. Soms een vraag om verduidelijking, soms is er een typefout ontdekt. Erg leuk is het als er een heel verhaal terugkomt. Vriend Jan uit Assen reageerde bijvoorbeeld op het Bijbelverhaal, met een hele beschouwing over de Statenbijbel uit de familie van zijn vrouw. Hopenlijk kunnen ze die Bijbel nog een keer bemachtigen.
Het gebeurt me wel vaker, een mailtje van iemand die je helemaal niet kent. Vaak komen ze in de spambox, maar soms ook niet. Ik vraag me dan gelijk af of ik de persoon ken. Afzender Wim kende ik niet, maar zijn mail was best wel bijzonder. Wim was op een of andere manier vertelde hij, in het bezit gekomen van twee oude Bijbels met daar voorin de familienaam Wimmenhove. Aangezien hij geen enkele connectie met deze familie had of heeft is hij gaan googelen en al snel had hij een Roel met deze achternaam gevonden en gelukkig had deze Roel via zijn blog een emailadres. Of ik geïnteresseerd was? Eigenlijk was het hem te doen om het goud en zilver wat als sluitwerk op deze beide boeken was gemonteerd. Wim vertelde in zijn mail, dat hij naast verzamelaar ook amateur zilversmid is. De zilveren sloten kon hij natuurlijk omsmelten en daar iets nieuws van maken. Helaas doet zilver het in de handel niet zo goed. Een gram zilver levert nog geen euro op. Dus demonteren was dus niet een voor de hand liggende optie. Gelukkig zat er op de andere Bijbel een gouden slotje. En tja, de goudprijs is op dit moment bijzonder goed. Een gram goud levert al snel 80 euro op. Ik drong er bij Wim op aan om de Bijbels in originele staat te houden. Crowdfunding in de familie leverde niet veel op, dus toch maar verder onderhandeld.
Na wat heen en weer gemail kon vorige week maandag de overdracht plaatsvinden. Wim had beide Bijbels gevonden in een kringloopwinkel. Na het afdragen van de pecunia wist ik mij eigenaar van twee prachtige oude Bijbels, met het originele sluitwerk. Het gouden slotje werd niet een setje oorbellen. In het Blauwe Boek (Stamboom en beschrijving van de familie Wemmenhove / Wimmenhove / Wimmenhoeve / Wemmenhoeve) uit 1996 had ik de oorspronkelijke eigenaren al gauw gevonden.



