Categorie: geschiedenis

Dodenherdenking | In memoriam Harm 1982 – 2016 (54)

Pieter Elias
Henk Verkuijl
Matthijs Verkuijl

Drie namen op een houten kruis en daarboven: gefusilleerd 15 december 1944. Ik ken deze mannen al jaren, al heb ik ze nooit echt gekend. Ooit adopteerden we als school het bijna twee meter hoge witte kruis aan de Haarlemmerweg, vlak bij het huidige station Sloterdijk. Elke 4e mei leggen de leerlingen van de basisschool een bloemstuk en wordt er iets verteld  over de verschrikkelijke gebeurtenis op die 15e december, nu al meer dan 72 jaar geleden. Door de voortreffelijke organisatie van moeder Hélène zijn er elk jaar meer belangstellenden. Een paar maanden geleden belde ze op of ik dit jaar een toespraak wilde houden. In 2010 had ik het voor het laatst gedaan, bedacht ik. Ik appte dat ik het wel zag zitten, niet wetend wat het uiteindelijk met mij zou doen.
Eigenlijk is het achteraf best wel vreemd dat de Duitse overheerser in de laatste maanden van de oorlog nog zoveel slachtoffers maakte. Een groot deel van Nederland was al vrij. Alleen die 15e december al, werden er op vier plekken 12 mannen gefusilleerd in Amsterdam en omgeving. Op vier plaatsen waren er door het verzet zogenaamde terreurdaden gepleegd. Er waren treinen ontspoord en er was een grote hoeveelheid suiker achterover gedrukt. De gefusilleerde mannen waren allen opgepakte verzetsmensen en ter dood veroordeeld. Er was geen direct verband tussen hun verzetsdaden en de gepleegde sabotage. Aan de Weteringsschans in Amsterdam zaten ze vast tot het vonnis zou worden voltrokken. De drie mannen die op de Haarlemmerweg in koelen bloede, midden op de dag werden neergeknald moesten tot een afschrikwekkend voorbeeld dienen.
Pieter Elias was rechercheur bij de politie en nog maar 36 toen hij werd opgepakt en een paar weken later stierf door de kogels van de bezetter. Hij zat volop in het verzet, vervoerde met zijn politieauto wapens, maar ook voedsel voor onderduikers. Een verrader zorgde er voor dat hij tegen de lamp liep. Henk Verkuijl was in 1942 al bij het verzet terecht gekomen. Spionage en kleine sabotage activiteiten, daar draaide hij zijn hand niet voor om. Toen hij eind november, 23 jaar oud, bij zijn ouders in Badhoevedorp logeerde werd de hele familie opgepakt. Ook zij waren verraden. Samen met zijn vader Matthijs, 49 jaar oud, die ook volop in het verzet zat, werd hij op die 15e december uit zijn cel gehaald. Arm in arm stonden ze naast Pieter Elias, toen de kogels van ‘het ‘Todeskommando’ hen troffen. Ongetwijfeld zijn de gedachten van vader en zoon uitgegaan naar moeder en de andere kinderen die ook waren opgepakt.

foto – Rufus de Vries

Ik noem bij de herdenking de namen van deze drie mannen en vertel hoe oud ze waren en vraag aan de omstanders of ze hun hand opsteken als ze ook ongeveer zo oud zijn. 36, 23 en 49; opeens komt het heel dichtbij. Voor mij staan de schoolkinderen waarvan de vader of moeder misschien zo oud is. Het waren mannen die niet wilde sterven, ze hielden van hun vrouw, hun vader en moeder en hun familie. Maar ze toonden levensmoed en heldhaftigheid, kwamen op voor hun land en de onderdrukten.
Opeens knalt het door mijn hoofd, ook Harm wilde niet dood en was nog maar 34. Het heeft niets te maken met de hele dodenherdenking, maar toch zie ik opeens zijn gezicht voor me. Als schooljongen heeft hij meer dan 20 jaar geleden ook hier bij het witte kruis gestaan. En ik kan er niks aan doen, maar wanneer de lampen aan de overkant van de vijver gaan branden ten teken dat de ‘twee minuten stilte’ ingaan, denk ik aan Pieter, Henk en Matthijs en ook aan Harm.

Kyrie eleison

Beschaving

IMG_2447In de Rode Hoed, ooit Remonstrantse schuilkerk, vond een debat plaats over ‘beschaving’. En de sprekers waren zo aansprekend, dat een heerlijke koude maandagavond fietstocht naar de Keizersgracht aanlokkelijk was. De hoofdspreker was professor James Kennedy, met zijn kenmerkende Amerikaanse accent, zijn blik als min of meer buitenstaander is vaak zo verhelderend, dat ook mede debaters daar vaak van onder de indruk zijn. Het aantal bezette stoelen viel wat tegen, nog net geen 70. Kennedy geeft aan dat beschaving vooral gaat over verworvenheden. In 1950 werd aan elke Nederlander die 23 werd een boekje uitgereikt met de pakkende titel “Burgerschap en Burgerzin”. Er waren vier pijlers onder die twee begrippen volgens de sociaaldemocratische schrijvers: het christendom, de gemeenschapszin, vrede en ook vrijheid. En men constateerde toen al dat een steeds groter wordend individualisme een gevaar vormde voor onze huidige beschaving, zoals beschreven in “Burgerschap en Burgerzin”. Later, in de jaren 60 en 70 werd het toch meer ‘moet je zelf weten’. En net voor de eeuwwisseling werd het steeds meer dat ‘onze’ beschaving moet worden verdedigd vanwege de mondialisering. We moesten ons weer beter gaan gedragen. En Rutte zegt vandaag, als je je niet gedraagt; wegwezen. Wat dan ook maar de algemene norm mag zijn…
IMG_2446Volgens Kennedy moeten we duidelijk erkennen dat beschaving geworteld is in een eeuwenlang proces. Kennis nemen van en omgaan met verschillen is heel belangrijk, want dat heeft immers vrijheid, zorgzaamheid en ondernemerschap in Nederland mogelijk gemaakt. Je moet wel historisch denken. Maar, het is geen gesloten canon. Beschaving is een streven waar we ook in de toekomst aan moeten en blijven werken. En Kennedy waarschuwde ons, het zal ook moeilijk zijn om het te behouden zoals het nu is! We hebben veel ‘civility’ nog, nog het best te vertalen met wellevendheid.
Helaas kwam er vervolgens in de discussie niets nieuws naar voren. De rector van de PThU, mevrouw Mechteld Jansen, wist niets toe te voegen, ook de in Afghanistan geboren rapper Massih Hutak was het volledig eens met de professor en bracht aan het eind nog een mooie tekst rap ten gehore. Het meest stellig was nog Arend Jan Boekestijn met zijn rechtsstaat. Alleen de rechtsstaat is maatgevend volgens hem; je mag alles zeggen en roeptoeteren, als je het maar niet omzet in daden. Helaas moest hij ook toegegeven dat je het nooit helemaal zeker weet. Inmiddels zit hij namelijk op een bijbelclubje met Segers en van den Brink, dus ook Arend Jan Boekestijn is bijna onder de profeten.
Helaas deze avond alleen maar negatieve uitlatingen over de SGP, die naar het idee van de buitenstaander nog steeds een soort theocratie voorstaat. Waarom daar zo negatief op reageren? Niets over het onbeschaafde en onwellevende gedrag van de PVV en zijn partijleider. Waar echte beschaving op gegrond zou moeten zijn, werd uiteindelijk in een zevental uitspraken samengevat. Blijkbaar is praten over beschaving meestal gemakkelijker dan het ook werkelijk doen. Op de oproep van rapper Massih om alle wijken in Nederland te mengen met elke denkbare groep die er maar is, kwam van de mede debaters geen enkele reactie.

gereformeerd onderwijs

img_2289Ruim een week geleden promoveerde Tamme Spoelstra (VIAA/GH) tot doctor in de geesteswetenschappen. De afgelopen jaren bestudeerde Tamme de ontstaansgeschiedenis van het ‘vrijgemaakte’ gereformeerde onderwijs. Uit eigen ervaring weet ik dat het vaak lastig aan te duiden was, waar dat nu precies voor stond, zeker aan buitenstaanders. Gereformeerd was toch ook nog weer een ruimer begrip dan gereformeerd-vrijgemaakt. Zelf verwees ik vaak naar de politiek en noemde het GPV als een representant van dezelfde zuil. Maar vandaag de dag weet ook bijna niemand meer wat het GPV was en is de naam van aanvoerder Jongeling ook al aan het vervagen. Daarom is het goed dat er nu een wetenschappelijke en historische studie is verschenen over deze bijzondere zuil. In zijn verhaal maakte Tamme duidelijk dat het vrijgemaakt-gereformeerde onderwijs, in zijn zuiverste vorm, maar ongeveer vijftien jaar bestaan heeft. Pas vanaf ongeveer 1970, er had zich eind jaren 60 weer een kerkscheuring voorgedaan, tot aan 1985. Helaas stopt daar Tammes studie ook. Het zou interessant en boeiend zijn om ook het vervolg in beeld te krijgen. De periode 1985 tot 2010 is nu juist een periode waarin er heel veel is gebeurd en er ook heel veel is veranderd. Waar het gereformeerde onderwijs jarenlang een gesloten bolwerk was, zijn het nu scholen waar iedere serieuze christen zijn kinderen heen mag sturen, ze zijn vaak meer dan welkom. Terwijl in 1985 de gereformeerde school in Amsterdam door het LVGS (Landelijk Verband van Gereformeerde School Schoolverenigingen) op de vingers werd getikt omdat er wel 20% van de leerlingen uit niet-vrijgemaakte kerken kwamen, was het in 2010 zo, dat er niet eens meer 20% van de leerlingen uit vrijgemaakte kerken te vinden waren op dezelfde school. En inmiddels kunnen ook niet-vrijgemaakte leerkrachten gewoon voor de klas op een gereformeerde school. Binnen verschillende schoolteams weet men vaak al niet eens meer naar welke kerk men zondags gaat (ik spreek uit eigen ervaring), terwijl het nog geen tien jaar geleden is dat leerkrachten werden ontslagen als ze lid werden van een niet-vrijgemaakte kerk.
Er is dus veel veranderd, zeker waar het gaat om de strakke belijning van het vrijgemaakt-gereformeerd onderwijs. Jarenlang werd door bestuurders de grens streng bewaakt, maar toen de besturen meer en meer scholen onder zich kregen, ging de wissel, naar het leek, zachtjes om. Waar nog niet zo lang geleden de school echt van de ouders was (via een vereniging met een plaatselijk bestuur), is vandaag het bestuur op zo’n grote afstand, dat ouders vaak niet eens beseffen dat er ergens nog een bestuur is. Voor veel ouders is de teamleider van de school ‘het bestuur’.  Dat laatste maakt ook dat het afhangt van deze plaatselijke bestuurder hoe de identiteit van de school wordt ingevuld. En.. misschien een beetje kort door de bocht, waar in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw nog bestuursleden kwamen meekijken en luisteren in de klas, zeker bij de bijbelvertelling, wil de bestuurder nu weten of er wel effectief wordt gerekend en de resultaten van de eerstvolgende taaltoets wel ruim voldoende gescoord worden en is er te weinig ruimte in zijn of haar agenda om ook nog mee te luisteren naar een bijbelverhaal.
Mij viel op dat in het Nederlands Dagblad interview (12 december j.l.) met Tamme een duidelijke stellingname te lezen was. Hij draaide er, met alle liefde voor het gereformeerd onderwijs, niet om heen. Toch volgden er daarna geen stapels ingezonden brieven. Over een stellingname van de CU m.b.t. het Oekraïne referendum buitelden de forse meningen over elkaar heen. Maar over het interview met Tamme las ik tot op heden maar één ingezonden. Van een echtpaar uit IJmuiden, die hun kinderen naar de dr. M.B. van ’t Veerschool in Amsterdam stuurden. Een begrijpelijke reactie trouwens, want vooral rond en in Amsterdam was de keuze voor de school bij Sloterdijk veel meer ingegeven door een keus voor voluit christelijk onderwijs. Op de protestants-christelijke scholen was het christelijke karakter in snel tempo verdwenen. Vandaar dat veel ouders, toen er een alternatief was, daar voor kozen. Dat had denk ik vaak niet zo veel met een vrijgemaakte verbondsopvatting te maken. In een vervolgstudie zou ook voor deze ontwikkeling oog moeten zijn. Naar ik begreep van de promovendus dat er nog een congres komt naar aanleiding van het verschijnen van de handelseditie van zijn proefschrift. Hopelijk wordt dan ook de discussie breder en vooral ook op schoolniveau tussen ouders en leerkrachten en hun bestuurders gevoerd. Wat is de toekomst van christelijk onderwijs in een steeds verder geseculeerde samenleving? En bij die discussie is ook het gesprek met christelijke kerken nodig, hun plaats en ook de plaats van christelijk onderwijs ligt in het verlengde van elkaar.

PS:  Ik pleit niet voor afschaffing van gereformeerd of bijbelgetrouw of welke serieuze vorm van christelijk onderwijs. Er is echter nog veel te winnen, samen ook met het reformatorisch onderwijs. Op het gebied van bijbelonderwijs (nog lang niet alle gereformeerde scholen maken gebruik van alle mogelijkheden die de methode Levend Water biedt!), maar ook op gebied van geschiedenisonderwijs, muziekonderwijs en alle andere creatieve vakken.

met respect

beatrice de graafAl jaren ben ik een fervent kijker van De Wereld Draait Door. Simpelweg omdat het uitstekend in elkaar is gezet, goed wordt gepresenteerd, maar ook een mooi inkijkje geeft hoe seculier Nederland in elkaar steekt. Een soort thermometer wat mij betreft. Zo langzamerhand mogen ze wel eens weer wat kleine vernieuwingen gaan toepassen, maar geen idee of men luistert naar kijker Roel. Regelmatig zitten er gasten aan tafel die ook echt iets te zeggen hebben. Mijn favoriet is wat dat betreft hoogleraar Beatrice de Graaf. Zij bekleedt de leerstoel “History of International Relations & Global Governance” binnen het strategisch thema “Instituties”, aan de Universiteit van Utrecht. Bij DWDD treedt ze zo nu en dan op als terrorisme expert. Afgelopen vrijdag zat ze na maanden afwezigheid weer aan tafel. Wat volgde was een boeiend betoog over de ontwikkelingen rond de aanslagen gepleegd door IS.

Beatrice schroomde niet om een een nog eens het fragment te laten zien waarin bondskanselier Angela Merkel haar landgenoten er op wees dat je gewoon naar de kerk als christen, zodat je toegerust het gesprek met moslims kunt aangaan en tegelijkertijd ook een wapen is tegen angst. Lees de Bijbel maar, zei Merkel.  Mooi, vond ik, hoe Beatrice dat ook vertaalde naar de Nederlandse situatie. Ook hier gaan nog steeds mensen op zondag naar de kerk; en er is niets mis om je daar bij aan te sluiten. Eerst had ze al een ander fragment met daarin de koning van Marokko, die zijn volgelingen (maar impliciet alle moslims) om vredelievend te zijn en zich niet in te laten met IS. Respect dus voor het duidelijke statement van mevrouw Beatrice de Graaf, eerlijk uitkomen voor je eigen overtuiging en daar niet om heen draaien. Naast haar vakmanschap met betrekking tot terrorisme stak ze ook de christelijke kijker een hart onder de riem.  Daarmee ook aan de tafel van DWDD respect afdwingend. Waarvan akte. Het fragment is terug te zien, wanneer je de volgende link gebruikt: Beatrice de Graaf in DWDD.

Een woord een woord

een woord een woordEen + en een , het stoorde me. Mijn krant schrijft een recensie over een boek dat ik met plezier en bewondering heb gelezen. Wat mij betreft hadden er 5 plussen onder gestaan en geen enkele min. Extra reden om uit te leggen waarom ik zo aansla op het artikel van Herman Veenhof in het ND.
Het laatste boek van schrijver/journalist Frank Westerman heeft de prachtige titel ‘Een woord een woord’. In de proloog van dit boek zet Westerman gelijk neer wat de lijn is van zijn verhaal; de geschiedenis van de treinkapingen in de jaren 70 van de vorige eeuw. Door de treinkapingen vestigden jonge Zuid-Molukkers opnieuw de aandacht op een gevoelige misstand in de omgang van de Nederlandse politiek met deze bevolkingsgroep. Westerman heeft het allemaal als jongetje, opgroeiend in Assen, van dichtbij meegemaakt. Een handenarbeid leraar die uiteindelijk treinkaper werd en gepantserde voertuigen bij hem in de straat.
Diezelfde jaren 70 was ik al wat ouder. In december 1975 (de 1e kaping, bij Wijster) zat ik in mijn eerste jaar van de Pedagogische Academie. In mei/juni 1977 (de 2e kaping, bij de Punt en de gijzeling in Bovensmilde van een lagere school) zat ik aan het eind van het tweede jaar. We maakten het van dichtbij, maar tegelijkertijd ook weer van veraf mee. Ik las er over, we gingen bidden voor de PA studente die in de trein zat. Ook ik was de mening toegedaan dat Nederland een forse schuld had ten opzichte van de Ambonezen. Dat laatste was de benaming die we in die dagen veel gebruikten. Ook in Hoogeveen hadden we een Ambonezenwijk. En de voormalige synagoge aan de Schutstraat werd ook verhuurd aan een Molukse kerk. Na de eerste treinkapingen hebben we als GPJC (de jongerenafdeling van het GPV) zelfs contacten gelegd en een keer een uitgebreide informatieavond belegd in een zaaltje achter de kerk. Achteraf bezien werd dat meer een publicitaire strijd tussen de aanhang van de RMS van ir. Manusama en de aanhangers van “generaal” Tamaela (deze laatste had zich ook opgeworpen als RMS president). Nog jarenlang kreeg ik maandelijks het blad van de stichting Door De Eeuwen Trouw door de brievenbus. Mijn mening in die tijd zal trouwens ook flink gevormd zijn door het Gereformeerd Gezinsblad. Deze krant vertolkte meestal de mening van het Gereformeerd Politiek Verbond, de enige partij die in de Tweede Kamer op kwam voor het streven van een vrije republiek voor de Zuid-Molukkers.

de trein die bij De Punt was gekaapt
de trein die bij De Punt was gekaapt

Westerman zet het in zijn laatste boek goed uiteen. En tegelijkertijd probeert hij de motieven van de jonge Zuid-Molukkers te doorgronden. Jonge mensen die met de Bijbel (Het Woord) in de hand tot deze acties kwamen. Woorden, ook bijbelse woorden, deden er toe in hun handelen. Vervolgens zet de schrijver het verhaal over een vrije Molukse republiek in een groter kader. Hoe moet je deze acties tegemoet treden?  Probeer je ‘terroristen’ met woorden te overreden? Niet voor niets geeft Westerman zo veel aandacht aan de betrokken onderhandelaars bij de kapingen. Beide waren psychiater en wisten vanuit hun vakgebied dat woorden er wel degelijk toe doen. En bij de eerste kaping was het ook min of meer opgelost met woorden. Vanuit die positie is het ook niet zo gek dat Westerman een cursus onderhandelen gaat volgen in Ossendrecht. Daarmee ook tegelijk toegevend hoe lastig en moeilijk het is om mensen die zo vast zitten in hun eigen verhaal en mening, te laten merken dat je werkelijk hun woorden hoort en dat er ook nog een weerwoord is te geven. Regelmatig heb ik bij dit boek even extra moeten ademhalen. De woorden spatten soms van de pagina’s af en zetten aan tot reflectie, ook op je eigen woorden en handelen. Het is niet voor niets dat Westerman ook andere terreuracties in dit boek aan de orde stelt. Daarbij laat hij zien wat de effecten zijn als de overheid niet meer bereid is om woorden te gebruiken en levens te redden, maar alleen de wapens laat spreken.
Enkele weken geleden stak een verwarde man een leegstaand pand in de fik. Het gebeurde in Amsterdam en Het Parool berichtte er later uitgebreid over. De verwarde man klom op de steigers rond het gebouw, al schreeuwend. De politie kwam te laat omdat het volgens de protocollen moest werken en goed bewapend ter plekke moest zijn. Tussen de regels door las je het onbegrip van de verslaggever en de ooggetuige. Was met de juiste woorden een sprong naar beneden te voorkomen geweest? Dat is ook de intrigerende vraag die Westerman opwerpt. Daarnaast vraagt hij ook aandacht voor de ontstaansgeschiedenis van het geweld. Niet voor niets heet dit boek ‘Een woord een woord’. Het hele gezegde is; een man een man, een woord een woord. Dat hele gezegde toepassen is prachtig natuurlijk. Maar het geeft tegelijkertijd de worsteling weer, moet je tegenover terroristen je woord houden? Ook in Westermans boek komt deze vraag aan de orde. En de rol van de overheid is in dit verband niet te onderschatten. De Molukkers voelden zich verraden door de overheid en hadden daar ook alle reden toe.
Het vorige boek van Westerman ‘De slag om Srebrenica’ daagde ook al uit om na te denken over de rol van de overheid. Westerman legde ook daar de vinger op de zere plek en grote woorden van ministers en kolonels kwamen opnieuw niet ongeschonden uit de strijd. Met dit boek is er opnieuw een bijzonder boek toegevoegd aan het oeuvre van Westerman. Een woord, een woord; een waardige opvolger van ‘Stikvallei’ (waarin verhalen en woorden ook centraal stonden) en het definitieve boek over Srebrenica. In het ND vond Herman Veenhof dat Westerman geen recept had tegen religieus terrorisme. Deze uitspraak is mij te negatief. Westerman legt wel degelijk uit dat je religieus terrorisme moet bestrijden door de religie van de ander heel goed te bestuderen, dit in navolging van een Franse wetenschapper. Toon aan tegenover de terrorist die zich geïnspireerd voelt door de Koran, dat hij het werkelijk bij het verkeerde eind heeft. Serieuze christenen kunnen toch ook uitleggen dat de kruisvaarders met hun “God wil het” bij het verkeerde eind hadden en dat Luther met zijn ‘Jodenhaat’ de Bijbel verkeerd interpreteerde?

+ mooi geschreven verhalen, waarbij de persoonlijke geschiedenis verweven wordt met de ‘echte wereld’
+ de schrijver durft eerlijk te benoemen dat een bijzondere bevolkingsgroep onrecht is aangedaan
+ het laat goed uitkomen dat de ene onderhandelaar, de andere niet is (Havinga versus Mulder)
+ de niets ontzeggende en keiharde politiek van Poetin wordt aan de kaak gesteld
+ er staan geen foto’s in dit boek, het woord moet het doen
+ ik denk dat Westerman veel voelt voor theedrinken (Beatrice de Graaf, Job Cohen), maar ook beseft dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt
+ ‘in het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal’, een uitspraak van Groen van Prinsterer (in mijn PA tijd geleerd van geschiedenisdocent Arjo Vanderjagt), Westerman maakt deze uitspraak waar in zijn boek

Bij de literatuurverwijzingen staat een boek genoemd van Janneke Wiegers, ‘Dit is een kaping’. (Geen Wiggers dus!) Wanneer je haar naam googelt, zijn een paar bijzonder interviews terug te zien. Ze vertelt daarin over haar ervaringen in de trein bij De Punt. Janneke zat bij ons op de PA aan de Hereweg en was de boven genoemde PA studente.  Haar vader werkte bij de provincie Drenthe en kreeg later ook nog te maken met een terreuractie in het provinciehuis, maar kon op tijd ontsnappen.  (13 maart 1978)

21 maart, ‘Bach-Liebhaberschaft beginnt am Kopf’

Baseball-bachWat doe je wanneer je verschrikkelijk veel last hebt van ‘hooikoorts’? Elk jaar deze tijd steekt het weer de kop op. Proesten, hoofdpijn en en het ene pakje tissues na de andere. Een pilletje alleen helpt niet, dus ook maar weer neusspray erbij. Gelukkig is daar radio 4 nog. Door de vele aandacht voor Johann Sebastian Bach en de Mattheus Passion verdwijnt het vele gesnotter een beetje naar de achtergrond. In het middagprogramma op radio 4 wordt elke dag een vraag gesteld, je kunt deze week een prachtige uitvoering van de Johannes Passion winnen. “Welke bijnaam had Leipzig in 1723, toen Bach daar kwam werken?” Meestal is het antwoord zo gevonden. Maar Wikipedia geeft geen uitsluitsel. Er zijn best bijnamen van Leipzig te vinden trouwens. Leipzig is een echte ‘muziekhoofdstad’ vanwege de geschiedenis met onder andere Telemann, Bach, Mendelsohn en Wagner. Ook werd het de hoofdstad van de ‘Wende’, maar daar had Bach nog geen idee van, alhoewel hij er in strijd met het stadsbestuur wel eens op gehoopt heeft misschien. Nergens kom ik iets tegen wat op een speciale bijnaam duidt in de eerste helft van de 18e eeuw. Zeker er werden toen al veel boeken gedrukt, maar geen bijzondere naam daarvoor. Ook op de site van het Bach-museum, (bach – wir über uns) geen bijnamen. Wel ontdek ik, dat het vandaag de geboortedag van de grote Johann Sebastian Bach is.  Er staat ook dat er om 15.00 u. een speciaal Geburtstagskonzert werd gehouden, dat hebben we dan gemist. Maar nog steeds heb ik niet het antwoord gevonden. Ik blader door de dikke biografie, die John Eliot Gardiner heeft geschreven. Een prachtig boek, maar niets over Leipzig. Ook het informatieve boek van Peter Washington met drie CD’s geeft niet het antwoord prijs. Wie weet krijg ik straks nog opeens wat inspiratie. Misschien moet ik op de site van het Bach-museum gewoon de baseballpet kopen. En wie weet helpt het ook een beetje tegen hooikoorts. De verkoopleus is geweldig voor de prachtig donkerrode cap met daarop het Bach-stempel: ‘Bach-Liebhaberschaft beginnt am Kopf’. Wanneer je hem wilt bestellen staat de volgende tekst er bij: ‘Baseball-Cap mit gesticktem Bach-Siegel und Schriftzug »Bach-Museum«. Das Siegel, wie es Johann Sebastian Bach in Briefen und Dokumenten in der Zeit nach 1720 verwendete, zeigt die drei Buchstaben J, S und B – einmal richtig herum und einmal gespiegelt, so dass sie sich zu einem Ornament zusammenfügen. Die Größe des Baseball-Caps ist verstellbar.’  21 maart, gefeliciteerd met Bachs verjaardag,  en geniet wanneer u één van de vele uitvoeringen van een Passion gaat beluisteren. Wie weet zet het opnieuw aan tot het nadenken over het lijden van onze Heer en Heiland.

PS1:   Nog een keer zoeken, nu in het Duis (bijnaam = Spitzname)
“Leipzig erwarb den Spitznamen „Kleines Paris“, als die fortschrittsbewusste Messestadt im Jahr 1701 mit einer   Straßenbeleuchtung     ausgestattet wurde und sich fortan mit der mondänen Seine-Metropole vergleichen konnte.”
PS2:   Ik had eerder gelezen dat pas de dichter Goethe deze benaming gebruikte. En Goethe leefde van 1749 tot 1832. We horen het morgen wel.
PS3:   Als voorbeeld voor al die straatlantaarns had trouwens Amsterdam gediend!
PS 4:  Het antwoord was juist, maar helaas geen prijs. We proberen het opnieuw!

DWDD University

IMG_1226Beatrice de Graaf begon haar collega met een citaat uit Dostojevski’s ‘Boze geesten’. Het dikke boek bleef vervolgens op tafel liggen en aan het eind van het college pakte de hoogleraar geschiedenis het nog eens theatraal als een Bijbel ter hand. Ik kende alleen de titel van dit boek; die is intrigerend. Kort geleden heb ik geprobeerd om de ‘De speler’ te lezen, maar ik vond het niet om door te komen. Ik denk daarom dat ik ‘Boze geesten’ niet zo snel ter hand zal nemen De Graaf gebruikte het boek van Dostojevski om iets te vertellen over het ontstaan en de motieven van terrorisme. Al gauw kwamen Bakoenin en vele navolgers in snel tempo voorbij. In een inleidend praatje van Matthijs van Nieuwkerk bleek dat deze aflevering van de DWDD University eigenlijk aangevraagd was door de kijkers. Veel reacties op de DWDD-redactie om Beatrice de Graaf een keer uit te nodigen. Terecht, want na de laatste aanslagen in Parijs hield de hoogleraar geschiedenis, met als specialisatie terrorisme, een uitstekende en nuchtere analyse op TV.
In haar college onderscheidde ze vier golven van terrorisme vanaf Dostojevski. Aangezien dit college werd opgenomen op donderdag 10 maart (50 jaar geleden werd het huwelijk tussen Beatrix en Claus gesloten), is de uitzending op zaterdag 12 maart om 20.30 u. op NPO1. Rijk voorzien van oude beelden wordt het vast een geweldige uitzending. Geen triest en bangmakend verhaal trouwens. De Graaf geeft een eerlijk beeld van alle verschrikkelijke gevolgen van terroristische daden, maar ook aanwijzingen om terrorisme te bestrijden. Ook al heet het terrorisme op dit moment IS, er is hoop! En dat het uiteindelijk wel goed komt, moeten we niet alleen bij de overheid neerleggen, maar ook bij de burgers. Burgers moeten gewoon in gesprek gaan met mensen van andere culturen en religies. Ga maar theedrinken! Zoek de ander op en ga elkaar leren kennen. Ook aan de huidige golf zal een eind komen, wanneer kan ook Beatrice de Graaf niet aangeven. Een gegeven is ook dat er in de toekomst ook wel weer nieuwe terroristen zullen opstaan. De mens is nu eenmaal in zonde ontvangen en geboren. Als belijdend christen weet ook Beatrice de Graaf dat als geen ander.
Gaat dat dus zien, deze zeer informatieve aflevering van de DWDD University!
de kozakkentuin Na afloop van de opnames in ‘Podium Mozaïek’ kregen de bezoekers allemaal een boekje.  De VARA/BNN medewerkers deelden die uit. Op de omslag allemaal foto’s van krantenartikelen met terroristische aanslagen. Mijn eerste gedachte was dat het college van de Graaf al in druk was verschenen. Helaas… het bleek een simpel aantekenboekje ter grootte van een Moleskine agenda. Maar ja… dat omslag, wat moet je daarmee? Plannen voor aanslagen in noteren, voor je eigen geheimschrift? Of is het gewoon een gadget? Ik noteerde de naam van Dostojevski’s boek en een vraag voor de hoogleraar. Waarom geen aandacht voor de rookbom van 50 jaar geleden? Of viel die niet onder een terroristische aanslag?
Over die schrijver van ‘Boze geesten’ verscheen eind vorig jaar een boeiend boek van Jan Brokken. In ‘De kozakkentuin’ vertelt Brokken de bijzondere vriendschap tussen Alexander von Wrangel en Fjodor Michajlovitsj Dostojevski. Een boeiend verhaal over de verbanning van Dostojevski naar het verre Siberië. Het laat mooi uitkomen wat de motieven waren van schrijver Dostojevski en tekent ook prachtig de sfeer van het Rusland onder de laatste tsaren.

God in de oorlog

gee duimbreed k.schilderHet zaaltje van de PThU aan de Boelelaan zat afgelopen dinsdag afgeladen vol. Eigenlijk was ik te laat met aanmelden, maar Wim Berkelaar zegde toe stoelen bij te plaatsen. Het HDC van de VU hield een symposium over het eerder dit jaar verschenen God in de oorlog. De rol van de kerk in Europa, 1939-1945 van Jan Bank. In het dagblad TROUW was er nogal wat ophef over geweest en het onderwerp blijft tot op vandaag natuurlijk actueel. Een vijftal sprekers reflecteerde op de lijvige pil van professor Bank. Ik vond vooral de bijdrage van dagvoorzitter George Harinck boeiend omdat hij het Nederlandse verhaal nog een keer extra belichtte, in het bijzonder de situatie binnen de Gereformeerde Kerken. Nieuw was voor mij het gegeven dat kerken in die tijd, zeker voor Wereldoorlog II, eigenlijk geen openbare uitspraken deden. De rol van de kerken in Nederland was beperkt wat dat betreft. Abraham Kuyper (soevereiniteit in eigen kring) had de kerk omringd met een grote groep organisaties en daarmee was het zicht op de rest van samenleving min of meer verdwenen. Kerken waren dan ook verlegen met de hele situatie toen de oorlog uitbrak. Er waren theologen en dominees die reageerden via brochures en ook in zondagse preken. K. Schilder schreef in 1936 al een felle aanklacht tegen het nationaalsocialisme (Geen Duimbreed), in de oorlog werd hij zelfs een tijd gevangen gezet. In hervormde kring was het dr.J.Koopmans (predikant van de Noorderkerk in Amsterdam) die in het begin van de bezetting een fel betoog schreef tegen de bezetter, ook in brochurevorm. [De Belgische schrijver Geert van Istendaal eerde Koopmans met een geweldig essay in de bundel ‘Mijn Nederland’.] Maar dit waren individuele kerkleden die van zich lieten horen, niet een heel kerkgenootschap. Er waren genoeg anderen die vonden dat de bezettingsmacht de overheid was die gediend moest worden.
Helaas is over de rol van de kerken nog veel te weinig onderzoek gedaan volgens Harinck. Er is veel verzet van gereformeerden geweest. Er waren gereformeerden die in knokploegen zaten, er waren gereformeerden die onderduikers verborgen hielden. Er zijn veel gereformeerden gesneuveld en vermoord in de concentratiekampen, onder hen ook predikanten. Verhalen te over. Na de oorlog leek het soms wel of alle gereformeerden in het verzet hadden gezeten. Maar niets is minder waar. Ik dacht het ook, na het lezen van ‘Snuf de Hond’ en ‘Reis door de nacht’ en zeker ook door de verhalen in het ouderlijke huis. Mijn ouders trouwden in 1942, kregen de eerste twee van de negen kinderen in de oorlog, terwijl ze inwoonden bij opa en opoe. Voor zover ik weet zijn er zeker twee onderduikers geweest. Oom Gijs, de onderduiker, kwam na de oorlog nog wel eens op bezoek. Mijn idee was dat vrijwel iedereen uit de kerk wel iets gedaan had. Helaas was de werkelijkheid anders.
Vooral dat laatste wordt wel heel erg duidelijk uit het boek van professor Bank. Het waren minderheden die zich daadwerkelijk verzetten en dat ook durfden vol te houden met gevaar voor eigen leven. Logisch dat na zoveel jaren, met meer afstand kijkend naar de jaren 40-45, het soms ook wel een ontluisterend beeld geeft. Dat doet echter niets af aan alle inzet en gedrevenheid van al die mensen die wel iets deden. Het is maar te hopen dat er nog eens een bredere studie over de kerken in Nederland ten tijde van WOII wordt gedaan. Al met al een leerzaam congres met aan het eind een pittige discussie. Dr. Jan Ridderbos die een boek schreef over gereformeerde dominees in de oorlog schreef was het wel heel erg oneens met professor Bank. Dat smaakt naar meer discussie en onderzoek.
son of saulWat zouden we er van kunnen leren voor vandaag? Hoe moeten kerken reageren op oorlog? Het lijkt wel een beetje dat veel kerken (als instituut) daar nog niet eens veel verder mee gekomen zijn. Ook daarom zou onderzoek naar het verleden, nuttig kunnen zijn voor het heden. Ondertussen moeten kerkmensen het verleden echt onder ogen durven zien. Een goed voorbeeld is naar mijn idee het aanbod in de bioscoop. Een kaskraker op dit moment is de laatste James Bondfilm. Niks mis mee, aardige verstrooiing maar agent 007 beweegt zich wel heel erg buiten de bestaande werkelijkheid. Christelijke James Bondfans zouden ook ‘Son of Saul’ moeten bezoeken. Een film die in veel dagbladen vijf sterren kreeg van de critici. De Hongaaarse film gaat over een lid van een sonderkommando in een concentratiekamp. Deze kommando’s bestonden vaak uit Joodse mannen en ze moesten het vuile werk voor de kampbewakers in de uitroeiingskampen in WOII opknappen. Vaak overleefden ze het niet en hadden ze ook geen enkel uitzicht op de vrijheid. In de film komt alle barbaarsheid van de kampen naar voren. Een aangrijpende verbeelding van de concentratiekamphel. Op het bovengenoemde congres zat ik ’s middags bij toeval naast David Barnouw. Hij heeft heel lang gewerkt bij het NIOD (oorlogsdocumentatie centrum) en was natuurlijk geïnteresseerd in de discussie over boek van Bank. We kwamen aan de praat, onder andere over ‘Son of Saul’. Barnouw vond de film erg overgewaardeerd, maar daarin verschilden we toch van mening. Barnouw is volgens zijn website een professioneel kijker naar films en documentaires over de oorlog. Een gemiddelde bezoeker kijkt anders denk ik. Ik zit wat dat betreft meer te wachten op een kritische beschouwing van Willem Jan Otten. De laatste ziet er ongetwijfeld een indrukwekkende ‘rite de passage’ in. Een film die je aan het denken zet, over hoe je zelf zou reageren in zo’n uitzonderlijke situatie. Een film die nederig maakt.

In het klimaat van het absolute

in het klimaat van het absolute‘Een handleiding voor kerkscheuringen’ . Het zou een ondertitel kunnen zijn van het proefschrift van Ab van Langevelde. Met zijn biografie over professor Veenhof verkreeg van Langevelde vorige maand in Kampen een doctorstitel in de theologie. Een goed geschreven levensverhaal, dat blijft boeien tot het eind. Opgegroeid in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, kan ik er maar een beetje over meepraten. Eerder heb ik wel eens geschreven over de Synode van Hoogeveen (1969-70), mijn vader zat toen in de huisvestingscommissie. Die synode, ik was 13, heb ik dus als beginnend puber meegemaakt. In Hoogeveen was er vrijgemaakt kerkelijk zeker sprake van een zijn ‘in het klimaat van het absolute’ (de ondertitel van de dissertatie). Wij hadden in Hoogeveen als predikant dominee Joh. Francke en die wist waar hij het over had. Rond de kwestie van dominee van der Ziel in Groningen, in het biografie over Veenhof komt het uitgebreid aan de orde, liet ook dominee Francke zich niet onbetuigd. Tijdens het grote gebed in een kerkdienst werd deze kwestie uitgebreid bij de Heere gebracht. Daarin klonk natuurlijk een oproep tot bekering door, dominee van der Ziel zat immers fout! Ik zal nooit vergeten dat tijdens zo’n lang gebed een hele familie uit ergernis de bank uit stommelde. Vanuit mij ooghoeken zag ik een klasgenootje meegetrokken worden door zijn vader. Het kan niet anders dan dat deze familie later ‘buitenverband’ werd.
Ik merk dat ik gelijk afdwaal naar het persoonlijke, mijn eigen verhaal. Bij het lezen van deze biografie had ik dat regelmatig. Namen van predikanten waar je gelijk een beeld bij hebt, gebeurtenissen waar je eerder over hebt gelezen. Verschillende keren ook ben ik mijn boekenkast ingedoken en heb ze erbij gepakt. De acta van de eerste vrijgemaakte synode in 1945, verschillende boeken van K. Schilder, maar ook Veenhof bleek in mijn boekenkast te staan. Wanneer je nog eens bladert door “Predik het Woord’, roept dat herinneringen op aan avonden discussiëren op de mannenvereniging, onder het genot van een goede sigaar. Voor de goede verstaander is het nog steeds een leesbaar en boeiend boek, ook kun je het op marktplaats voor €4,- kopen.

predik het woordDe biografie over professor Veenhof is ook een kerkgeschiedenisboek. Dat maakt het dus dubbel boeiend. Het geeft een mooie indruk van het drukke leven van een jonge predikant voor de Tweede Wereldoorlog, midden in het kerkelijk leven. Bevriend met K. Schilder weert Veenhof zich geducht in de steeds heftiger wordende kerkstrijd, die ook in de oorlog gewoon doorgaat. Verzaken is er op dat gebied niet bij. Mooi tekent de schrijver Veenhof, deze wil eigenlijk niets liever dan een wapenstilstand in de kerk, probeert daarom Schilder ook af te remmen. Wachten tot de verschrikkelijke bezetting door de Duitsers achter de rug is. Veenhof zal zich dan ook pas na de oorlog bij de artikel 31-ers voegen. Van Langevelde laat vervolgens goed uitkomen dat na WOII het klimaat in de vrijgemaakte kerk steeds absoluter wordt. Er is alleen maar goed of fout, één ware kerk en alle andere kerken zijn daarmee vals. Op de HAVO leerde ik het zo van de schoonzoon van K. Schilder. Zelfs de Christelijk Gereformeerden waren valse kerk volgens zijn zeggen. Uiteindelijk liep dit hele absolute denken uit op een nieuwe scheuring in de tweede helft van de jaren zestig.

Tijdens het lezen besefte ik dat mijn ouders en vele ouders van generatiegenoten in die sfeer van goed en kwaad, waar en vals zijn opgegroeid. Natuurlijk waren er heel veel broeders en zusters in de kerk die wel wat ‘rekkelijker’ waren, maar de heersende stroming was duidelijk. Mijn ouders lazen naast het Gereformeerd Gezinsblad ook de Reformatie, beter was er niet. Het leert dus ook veel over hoe we in onze opvoeding zijn beïnvloed en daar uiteindelijk ook weer op reageren. Daarmee heeft van Langevelde een prachtige spiegel gemaakt. Een spiegel die je het verleden op een rustige manier voorhoudt. Fouten over en weer, er wordt niet over gezwegen. Menselijke zwakheden zijn er in het verhaal te over. Maar het laat ook heel eerlijk de drijfveren zien van onze ouders en grootouders. En steeds weer met een beroep op Gods Woord en daarmee op Zijn Waarheid. Het kan haast niet anders dan dat je dit levensverhaal leert relativeren. Waarom je zo druk maken over al die verschillen en strijdpunten, die wanneer je jaren later terugkijkt, gewoon het ruziemaken niet waard zijn. Bergen blijken opeens kiezelstenen te zijn.

ds. Joh. Francke
ds. Joh. Francke 1908-1990 foto uit ‘Er staat geschreven… Er is geschied’ met als onderschrift: ‘Mag wat kan?’

Een forse aanbeveling dus om te gaan lezen. Lees het verhaal over Veenhof en daarmee het verhaal van een vorige generatie, maar wel een generatie waar wij uit geboren zijn. Misschien kunnen we er wat van leren. Helaas zijn er nog steeds duizenden gereformeerden die zich als maar vastbijten in stelligheden en mijns inziens vergeten dat onze Heiland Jezus omkeek naar hoeren en tollenaars en de Farizeeën veroordeelde vanwege hun wetticisme. En pas op, voor je weet zit je in je eigen denkraam en denk je het beter te weten dan die ‘strenge’ broeders en zusters. De dominee van mijn jeugd was een diehard zei men weleens. Tegelijkertijd was hij een diepgelovig man die naar eer en geweten streed voor Gods eer. Dat laatste vergeten we dan vaak snel. Ondanks al het absolute waren het gelovige mensen die geestelijk met elkaar op de vuist gingen. Achteraf had dat anders gekund en gemoeten. Een mooie opdracht om het absolute achter ons te laten en eenheid te zoeken met zo veel broeders en zusters die ook willen leven van genade.

eenvoudig christelijk (2)

een kleine wereldVan mijn oudste dochter kreeg ik ‘Een kleine wereld’ van Marga Kool te lezen. Ooit kocht ik van Marga Kool een bundel gedichten in het Drents, met daarin prachtige zinnen als:

“God, geef de zunne
An de luu
Die leeft in vreeze
Veur menaar
Veur oen aangezicht”
(de laatste strofe van: God zien folklore)

In Kools roman ‘Een kleine wereld’ brengt ze min of meer autobiografisch haar jeugd tot leven. Wanneer jezelf bent opgegroeid op het Drentse platteland is het een mooie kroniek, die ook je eigen verleden tot leven brengt. Raak typeert Kool de mensen, hun gewoontes en de eenvoudigheid, maar ook de schoonheid van het boerenbestaan en het dorpsleven van 50, 60 jaar geleden. De eendracht en burenhulp doet weldadig aan, maar tegelijkertijd is er ook de benepenheid en roddel. Openheid van mensen, het omgaan met elkaar in een veranderende cultuur, Margo Kool heeft het mooi neergezet. Hier en daar wordt het soms wel te gladjes en te gezocht. Het boek is een roman, maar wel heel dicht denk ik bij het leven van de schrijfster zelf. Wat mij betreft had ze er ook met haar prachtige schrijfstijl een non-fictie verhaal van kunnen maken. De dichtegels van hierboven zeggen ook wel iets over de mensen in het boek. Tegelijkertijd zijn deze regels nog steeds actueel; ze passen ook op de angst voor alles wat vreemd is en van buiten onze kleine wereld binnenkomt. Gelukkig schrijft Marga Kool met eerbied en ook respect over het geloof van de vader en de moeder in dit verhaal. Deze mensen zijn echt; eenvoudig christelijk.

dagboek van een beulDat laatste kwam ik ook tegen in het boeiende verhaal over meester Frantz Schmidt. Meester Frantz was jarenlang beul in de Duitse stad Neurenberg aan het begin van de 17e eeuw. Zijn graf is te vinden op dezelfde begraafplaats als waar de beroemde componist Johann Pachelbel begraven ligt. Omdat meester Frantz een zeer nauwkeurig dagboek/verslag bij hield over zijn werk is er over deze beul veel meer bekend dan over zijn beroepsgenoten. Waarschijnlijk was het beroep beul min of meer aan het uitsterven, dat maakt het verhaal over hem extra boeiend. Een paar jaar geleden las ik een boeiende recensie in het ND over het boek van Joel Harrington. Nu zag ik voor nog geen 10 euro in de ramsj. Een koopje dus! Het is een heel boeiend verhaal, waarin je de beul echt leert kenen. Bijzonder is dat Frantz en zijn familie Luthers zijn en door alles te merken dat hij een vroom soort rechtvaardigheid bezit. Ook al was hij kind van zijn tijd, het was beslist geen wrede gewetenloze middeleeuwer. Frantz was kerkganger, kende Jezus en hield daar rekening mee in zijn werk. Wel bijzonder dat het verhaal over Frantz uit Neurenberg komt. Neurenberg was

het graf van meester Frantz op het Rochusfriedhof in Neurenberg
het graf van meester Frantz
op het Rochusfriedhof in Neurenberg

in de vorige eeuw het toneel van de nationaalsocialistische ‘partijdagen’ van de nazipartij, maar na WOII ook van de processen tegen de Nazikopstukken. De toen 10 veroordeelden werden door ophanging ter dood gebracht. Opnieuw moest een beul zijn werk doen. De vonnissen werden voltrokken door sergeant John C. Woods (deze beul voltrok 347 vonnissen in 15 jaar). Meester Frantz kwam tot 394 doodvonnissen in 50 jaar en heeft daarnaast nog vele lijfstraffen uitgevoerd. Woods elektrocuteerde zichzelf tijdens een reparatie van een hoogspanningskabel. Meester Frantz stierf 80 jaar oud als een eerzaam burger, die beul was geweest, maar ook genezer.  Wanneer je zijn ‘levensverhaal’ leest houdt dat ons ook een spiegel voor. Het zet je aan het denken over het nut van lange gevangenisstraffen, de (on)rechtvaardigheid van de doodstraf en dat in relatie tot het christelijk geloof. Daarnaast worden er in onze tijd nog steeds mensen onthoofd. Een leerzaam boek voor een kleine prijs, dat ook aanzette tot verder snuffelen op internet.

Wat te doen met Sinterklaas?

Het Haagje werd gedempt, net als alle andere kanalen in Hoogeveen. Sint moest nu te voet of met paard en wagen komen.
Het Haagje werd gedempt, net als alle andere kanalen in Hoogeveen. Sint moest nu te voet of met paard en wagen komen.

Een grote taai-taaipop en een doosje met Lego waren de cadeaus die ik als klein jongentje kreeg op 5 december. Daarbij moet ik wel heel diep graven in mijn geheugen, want eigenlijk vierden wij niet echt Sinterklaas thuis. Sinterklaas was Rooms en dus niet voor gereformeerden bestemd. Toen ik een keer bij vriendje Wiebe op een zaterdagmiddag aan het spelen was heb ik vanuit de verte de boot van Sinterklaas in het Haagje zien liggen, de goedheiligman was Hoogeveen binnengevaren. Heel spannend, maar ik durfde er ’s avonds niet over te vertellen, want Sinterklaas hoorde niet. Van mijn tijd op de lagere school kan ik mij niet iets van een Sinterklaasviering herinneren. Maar het zou kunnen dat ik het heb verdrongen. Ik ben dus niet echt opgegroeid met een positief Sinterklaas beeld.

Toen mijn kinderen op de basisschool zaten, vierden we uitgebreid pakjesavond met goede vrienden en hun twee dochtertjes. Gedichten, een zak met cadeautjes, lootjes trekken en een paar flinke bonzen op de voordeur door Eddo. Geweldige avonden waar we als gezin met veel plezier op terugkijken. Van jongs af aan hebben we onze kinderen duidelijk gemaakt dat Sinterklaas een verklede man is. In de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw werd Sinterklaas onder gereformeerden een geaccepteerd feest en ook wij liepen een beetje met de meute mee. Op de van ’t Veerschool in Amsterdam, werd het jaarlijks een terugkerende discussie. Ik daagde de collega’s uit met mijn ‘verklede man’ standpunt en de juffen lieten zich meezuigen in het als maar uitdijende spektakel van het Sinterklaasjournaal. De keren dat ik Sinterklaas welkom moest heten, ik geef het achteraf eerlijk toe, deed ik dat met een lichte gêne. Toch was het Sinterklaasfeest in een groep 5, 6, 7 of 8 geweldig! Een grote berg prachtig in elkaar geknutselde surprises met de meest fraaie gedichten. Elkaar een beetje op de hak nemen, hobby’s uitvergroten; het kon niet op.

De jaren van onbezorgd vieren van het Sinterklaasfeest zijn echter voorbij. Het fenomeen zwarte Piet is door actiegroepen verbonden met het slavernijverleden van ons vaderland. Veel discussies rond het 5 decemberfeest zijn vaak buiten alle proporties. Toen de eerste actiegroepen zich verzetten tegen Zwarte Piet, moest ik er om glimlachen. Ach wat, het is een volksfeest en het heeft een lange traditie waar toch niets verkeerd mee is? En alle discussies in de krant en op tv, je wordt er niet vrolijk van. Maar wie zich wat verdiept in het koloniale verleden van ons land, kan er niet meer omheen dat de tegenstanders van Zwarte Piet meer dan een punt hebben. Lees bijvoorbeeld de boeiende roman van Arthur Japin over Aquasi Boachi (“De zwarte met het witte hart”). Stevo Akkerman schreef een boeiende roman over een tentoonstelling met 28 Surinamers op het Museumplein (“De inboorling”). Zomaar twee boeken die subtiel aan de oppervlakte brengen dat ons geschiedenisboek heel wat zwarte bladzijden heeft. En er zijn nog veel meer boeken, fictie en non-fictie, te noemen die een beeld geven van ons koloniale verleden. Discriminatie, uitbuiting en slavernij; veel Nederlanders hebben er helaas geen idee van, wat dit voor impact heeft gehad op onze niet-blanke landgenoten en tot op de dag van vandaag heeft. Hoe goed bedoeld ook de bekeringsdrang van VOC en WIC zijn geweest, we zullen vandaag de dag in het reine moeten komen met de uitwassen daarvan. De laatste weken zijn er in Zuid-Afrika veel protesten van zwarte studenten in de universiteitsstad Stellenbosch. Hun protest gaat onder andere over het gebruik van het Afrikaans. Ten diepste hebben zij dezelfde motieven en argumenten als de tegenstanders van Zwarte Piet in Nederland. Het zijn maar een paar voorbeelden om aan te geven dat niet-blanken zich beledigd en gediscrimineerd voelen door een volksfeest met een witte bisschop op een schimmel en een kudde mallotige zwart geschminkte jongelui er omheen dansend.

Het gereformeerde onderwijs waar ik werkzaam ben, en zich al een aantal jaren profileert met het etiket ‘bijbelgetrouw’, heeft zich tot op heden niet geroerd in de discussie over Zwarte Piet. Het lijkt wel of de discussie volledig langs ons heen gaat. Sinterklaas met zijn zwarte knecht zijn nog steeds van harte welkom op gereformeerde scholen. Maar nu zelfs een VN-commissie Nederland min of meer op de vingers heeft getikt, kunnen de gereformeerde scholen zich niet meer verschuilen achter de ‘traditie’. Immers die traditie is voor onze scholen in veel gevallen niet meer dan een traditie van een jaar of veertig oud en alleen daarom al, beslist niet heilig. Wat mij betreft nemen onze scholen een keer het voortouw. En dan niet flauw gaan doen met een regenboogpiet of wat voor kleur schmink je verder nog kunt vinden. Schaf het hele opgeklopte gedoe rond Sinterklaas gewoon af. Geen ‘verklede man’ meer zijn ‘zwarte knecht’ op het podium hijsen en de jongste kinderen van de school de stuipen op het lijf jagen. Geen grappen meer met een domme zwarte Piet die zich heeft verslapen of opeens boven op het dak van de school staat. Want wat je ook doet met knecht Piet, het zal ons steeds blijven herinneren aan de discussies over zijn zwart zijn, welke kleur we hem ook geven. Verlos de scholen en de gezinnen van veel gedoe en gediscussieer en verzin een nieuw decemberfeest! Dat feest mag best met presentjes en met surprises en humoristische gedichten. Mijn creativiteit schiet hierin te kort, maar er is zoveel creativiteit binnen de scholen dat er vast wel weer iets moois zal ontstaan.

Dus wat mij betreft; afscheid van zwarte Piet en Sinterklaas mag met het mee. Beiden zijn immers zo met elkaar verweven dat al zou je van beiden de kleur veranderen, de zaak nog niet verandert. Het lijkt mij voor de gereformeerde scholen een mooi statement; de zogenaamde Sinterklaastraditie bijzetten in het geschiedenisboek. Want ook al is die traditie niet ontstaan in het koloniale tijdperk, de traditie is wel gekleurd door het koloniale verleden. Scholen en gezinnen worden uitgedaagd tot een nieuw decemberfeest waarbij humor, plezier, gelijkheid en creativiteit voorop mag staan.

Dag heur… in memoriam ds. C.J. Breen 1924-2014

ds. C.J. Breen bij zijn 60 ambtsjubileum in 2013
ds. C.J. Breen bij zijn 60 ambtsjubileum in 2013

Het jaar 1969, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt stonden in brand. De voormalige synagoge in Hoogeveen waar we zondags kerkten was doordeweeks  maandenlang het strijdtoneel van de geachte afgevaardigden. De strijd over afvaardiging A en B uit Noord-Holland laaide hoog op. Ds. C.J. Breen uit Katwijk zal zich over deze kwestie zeker niet onbetuigd hebben gelaten. Maar als beginnende puber hield ik me daar niet mee bezig. Wel heb ik met verbazing zo nu en dan gekeken naar die vreemde dominee uit West-Nederland die bij ons logeerde. Onze moeder maakte speciaal ontbijt voor hem en ongetwijfeld gebruikte hij dan zijn witte zakdoek als servet. Voor ons Hollandsevelders die thuis altijd Drents met elkaar spraken was de logerende dominee met zijn deftige spraak een bijzondere verschijning.
Bijna tien jaar later begon ik als schoolmeester op de dr. M.B. van ’t Veerschool in Amsterdam . Nooit zal ik mijn eerste verjaardag als leerkracht vergeten. Even na de kleine pauze kwam de afgevaardigde van het bestuur op bezoek in de klas en de leerlingen van klas 4 luisterden ademloos mee naar de feestelijke toespraak van ds. Breen. Namens het bestuur bood hij een doos sigaren aan en eindigde met een krachtige uithaal op mijn initialen; Roemrucht, Jeugdig en Welvarend, het klonk bijna profetisch. Met een deftig: ‘dag heur’ en een kenmerkend majesteitelijke gebaar trok hij de deur achter zich dicht. Achter in de klas imiteerde een leerling zachtjes het ‘dag heur’. Later werd het bij sommige leerlingen een staande uitdrukking.
Ds. Breen was in 1970, na alle kerkelijke verwikkelingen en scheuringen door de ‘binnenverbanders’ naar zijn geboortestad Amsterdam gehaald. Je zou dat haast letterlijk kunnen nemen, want ds. Breen reed geen auto. Het verhaal ging dat zijn medestudenten, toen hij in Kampen theologie studeerde, hem min of meer hebben leren fietsen. Een rijbewijs heeft er blijkbaar nooit ingezeten. Al snel zat de predikant in het bestuur van de Amsterdamse gereformeerde lagere school. Trouw bezocht hij de bestuursvergaderingen en liet zijn invloed gelden. Toen al zijn termijnen in het bestuur voorbij waren, werd hij gevraagd adviserend bestuurslid te worden. Op die manier was hij toch betrokken. Toen hij ergens halverwege de jaren tachtig op een maandagavond vanuit Slotermeer huiswaarts keerde met de tram, sukkelde hij langzaam in slaap. Het was waarschijnlijk weer erg laat geworden. Achter het paleis op de Dam schrok hij wakker en stapte snel uit om over te stappen. Enkele onverlaten hebben hem toen beroofd, waarbij hij, inmiddels weer alert, niet alles wat hij bij zich had, afgaf. Toch heeft dit voorval hem later behoorlijk parten gespeeld. Waarschijnlijk meer dan hij zelf liet blijken.

Inmiddels woonden we sinds 1980 als gezin Amsterdam. Zo kregen we in de Oosterparkkerk te maken met deze markante voorganger. Altijd uit het hoofd prekend, met alleen wat krabbels op een giro-envelop. Een dominee ook met meerdere gezichten leek het wel. Vaak geen tegenspraak duldend van de kerkganger en zijn stellige meningen als zijnde Gods Woord van de kansel verkondigend. In een preek beweerde hij letterlijk dat wanneer je je kind niet zo snel als mogelijk was liet dopen (de vroegdoop), de doop dan minder waard was. In mijn jeugdige overmoed probeerde ik daarover in zijn studeerkamer met hem de discussie aan te gaan, helaas tevergeefs. Zoals hij het gezegd had, had ik het niet moeten opvatten.
Zo ‘omstreden’ als ds. Breen in die tijd bij sommige gemeenteleden was, zo geliefd was hij bij veel broeders en zusters buiten de gemeente. Wanneer kerkleden van de GKv ergens uit Nederland in een Amsterdams ziekenhuis terechtkwamen, was ds. Breen een trouwe bezoeker. En ook bij genabuurde kleine gemeentes zonder predikant, was de Amsterdamse dominee een geziene gast. Dat zorgde er trouwens ook voor dat de ochtenddiensten, die lange tijd om kwart over negen begonnen, niet eindeloos gerekt werden. Immers om half elf stond er meestal een broeder uit Krommenie, Halfweg of Hoofddorp voor de kerk in zijn auto te wachten.
Ds. Breen had een scherp oog voor kerkelijke zaken, maar ook een liefdevol en groot hart voor zijn Heiland, Jezus Christus. Soms een scherpslijper, maar dan opeens weer ruimdenkend. Bij een discussie in de kerkenraad over het wel of niet mogen fotograferen tijdens een ‘huwelijksdienst’ gaf zijn argumentatie de doorslag. ‘Stel je voor’, zei ds. Breen, ‘dat later het betreffende echtpaar in een huwelijkscrisis komt en één van de echtelieden bladert nog eens door de bruidsreportage, dan komt hij of zij ook de foto tegen van de kerkelijke plechtigheid en komt hopelijk in gedachten dat ze ooit voor Gods aangezicht elkaar trouw hebben beloofd.’ En daarmee was het natuurlijk einde discussie. Toen een oudere broeder met Telderiaanse ideeën overleed, zei ds. Breen in het gebed: ‘En nu zal hij weten dat hij ongelijk heeft gehad!’. Soms dus heel breed denkend en even later ook weer hard oordelend en antithetisch. Achteraf heb ik me wel eens afgevraagd hoe vaak moet ds. Breen zich onbegrepen hebben gevoeld?

de Oosterparkkerk vastgelegd door Daan van Driel
de Oosterparkkerk vastgelegd door Daan van Driel

In het vorig jaar verschenen boek ‘De tekenaar’, waarin dagboekaantekeningen van Daan van Driel zijn gebundeld, komen we ds. Breen regelmatig tegen. Dat begint al in 1949 wanneer reclametekenaar en kunstenaar van Driel bij mevrouw B en haar zoon op huisbezoek gaat. Die zoon is kandidaat dominee en een van de leidende figuren van de nieuwe, vrijgemaakt gereformeerde kiesvereniging: “Ik zal mijn stembiljet blanco laten, aangezien niemand van de AR-kandidaten (Antirevolutionaire Partij; later opgegaan in het CDA) in onze stad de vrijgemaakte kerk erkent. Deze leiders kunnen we ook in de politiek niet meer vertrouwen.” ‘Ik heb mijn twijfels’, is dan het droge commentaar van broeder van Driel. (pg 97) In 1974 geeft br. Van Driel een prachtige schets over de preektrant van ds. Breen: ‘We hebben nu een versterker op de kansel die het geluid van de menselijke stem tot in alle hoeken en met alle nuances in ons kerkgebouw kan overbrengen. De stem van de kansel had een volume dat Het Woord overstemde. Die stem dreigde de nieuwe versterker stuk te spreken. Soms had ik de neiging om de vloedgolf van woorden af te dammen door mijn oren dicht te stoppen. “Moet dit nu zo hevig dominee?” Van begin tot eind uit hij op bijna overslaande sterkte zijn volzinnen en dat over een tere zaak als het gebed.’ (einde citaat) In 1979 preekt de dominee zo stevig over de kerk dat van Driel er beroerd van wordt. Hij wil graag in gesprek met de voorganger, want de toon is fortissimo hoog en met kracht worden de volzinnen uitgesproken en er is geen speld tussen te krijgen. Geen ruimte om even stil te staan. ‘Na het ‘amen’ ben je geestelijk murw geslagen. Van Driel wil graag uiting geven aan zijn gevoel, maar ‘de prediker heeft al een dampende, verse sigaar aangestoken en oogt te massief om eraan te gaan peuteren met mijn onbestemde bezwaren.’ In 1985 schrijft van Driel over het fulmineren van de dominee tegen de machtspositie van de paus van Rome. ‘Het werd met veel vuur en verve gebracht. Dat stelde me voor vragen, lastige vragen. Vragen die helaas in de hele preek niet in aanmerking kwamen voor antwoord of zelfs maar gesteld werden. Ook maar de kleinste speld was er niet tussen te krijgen, laat staan de twijfelvraag of dit nu allemaal wel zo was.’
Boeiend in deze fragmenten vind ik dat een oudere broeder, in 1985 is van Driel 76 jaar, zich niet meer neerlegt bij de aloude stelligheden die ds. Breen verkondigt. Hij verwoorde daarmee het gevoel van meer hoorders. Terugkijkend heeft die stelligheid in de prediking, broeders en zusters verwijderd van de kerk. Algemeen bekend was dat het op kerkenraadsvergaderingen flink te keer kon gaan. Daarmee leg ik niet één op één de directe schuld bij de predikant. Het heeft ook alles te maken met de toenmalige sfeer in de vrijgemaakte kerken; gesloten, stevige standpunten en de ramen dicht. Gelukkig kan dezelfde broeder van Driel ook de andere kant zien. Want in 1986 is hij uitgesproken lovend over de oudejaarspreek van dominee Breen. Deze behandelde de laatste zondag van de Heidelbergse Catechismus, die over de laatste bede in het Onze Vader gaat. ‘En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’ Die preek was volgens van Driel: rijk, verrassend en vertroostend.
In één van mijn oude agenda’s kan ik terugvinden dat ds. Breen op vrijdag 8 december 1989 feestelijk afscheid nam van onze gemeente, de Oosterparkkerk. Regelmatig keerde hij vanuit Drachten nog terug naar de hoofdstad des lands. Om te preken, maar ook om de novieten van Petrus Plancius aan het begin van hun studie in te wijden in het ‘wereldse Sodom en Gomorra’. Voor Plancianen een onvergetelijke gebeurtenis. Zo kregen ze in de Oude Kerk, midden in de buurt van lichte zeden, een uitgebreide uiteenzetting over de Alteratie op 26 mei 1578. Ds. Breen had dan inmiddels al lang in de smiezen wie wie was van de nieuwe lichting studenten. Wie hij ‘gedeupt’ had, welke vaders en moeders hij ‘gedeupt’ had en wie er belijdenis des geloofs bij hem hadden afgelegd. In september 2013 heeft ds. Breen dit bij mijn weten voor het laatst gedaan. Bij de dies was hij natuurlijk vertegenwoordigd en logeerde dan bij een van de bestuursleden, die dan wel op de grond ging slapen.
Wanneer ds. Breen iets kon gedenken, dan gebeurde dat ook. Augustus 1993 vierde hij zijn 40-jarig huwelijks en ambtsjubileum. Natuurlijk moest dat in de Oosterparkkerk gevierd worden. Vanuit het oude-testament werd de gemeente weer meegevoerd naar nieuwtestamentische vergezichten. Het thema van de preek was: ‘Met betrekking tot de toekomst wijst de HEERE op zijn werk in het verleden!’ Via Ezechiël naar Jacobus 5. Breed werden termen als: ‘lijden tot zijn verheerlijking’, ‘lijden tot zijn volharding’ en ‘het vleesgeworden Woord’ uitgepakt. In de middagpreek kreeg professor dr. C. Graafland (orthodox-reformatorische theoloog) een flinke draai om de oren, omdat deze had gebeden en was voorgegaan op een bijeenkomst van het Gereformeerd Appèl. Gelukkig had ds. Breen in de ochtenddienst gebeden voor eenheid onder gereformeerde belijders.
Toch verandert in deze jaren ds. Breen. Wanneer de Reformanda-groep rond ds. Van Gurp zich losmaakt van de GKv verheft ds. Breen openlijk zijn stem. De kerk is hem te lief om weer af te scheiden. Dit is niet wat hij als trouw volgeling van K. Schilder geleerd heeft. Daarom verzet hij zich tegen het sektarisme en legt zijn schrijverschap in Reformanda neer. De keren dat hij nog preekte in de Oosterparkkerk was er ook geleidelijk meer mildheid te proeven in zijn preken. Een mooi voorbeeld daarvan ervoer ik zelf, toen we in 2006 de naam van de dr. M.B. van ’t Veerschool gingen veranderen. Toen het plan bekend werd, kregen we een schrijven dat herinnerde hij aan de grote inzet van dr. M.B. van ’t Veer voor de kerk. De jonge Breen had vaak onder zijn gehoor gezeten. Maar een jaar later kon hij ook begrip opbrengen voor veranderingen, ook binnen de door hem zo geliefde basisschool. Binnen een dag had hij al een van de kinderen van dr. Van ’t Veer getraceerd. Hij kwam spreken op de dag dat we het nieuwe naambord zouden onthullen. En bij het VEER van Veerkracht wees hij op het werk van dr. M.B. van ’t Veer en bij KRACHT op Gods Woord dat steeds weer centraal moet staan, daar haal je je kracht immers vandaan. En vervolgens bad hij samen met voorgangers uit verschillende kerkelijke gemeenten voor het personeel, de ouders en de leerlingen van de school.
In de zomer van 2012 kwam ds. Breen nog een keer preken in onze gemeente. Hij moest het podium worden opgeholpen, en bracht het evangelie uit Ezechiël 34 vers 31. Daarbij stond hij eerst stil bij het sterven van de dichter Rutger Kopland, want dat stelt ons voor de vraag hoe het zit met de relatie ‘mens – God’. Om vervolgens te benadrukken dat de eredienst beheerst moet worden door het verlangen de stem van de Goede Herder te horen. Die 22e juli was een prachtige zonnige dag en na een kort bezoekje aan zuster den Houdijker kwam hij bij ons eten. Heerlijk in de tuin en zoals altijd ds. Breen belangstellend naar de gezichten die hij had gemist, maar ook naar onze kinderen. Aangezien er in Amsterdam geen middagbijeenkomsten te bezoeken waren ging hij vanaf Duivendrecht met de trein naar Groningen en vanaf daar met de bus naar Drachten. Hij had het allemaal uitgezocht en gewoontegetrouw op een envelop genoteerd. Tegen zevenen ging opeens de telefoon, ‘Jaaaah, ik meld me even thuis, nog een goede avond gewenst!’
Donderdag 28 augustus toen hij ernstig ziek in het ziekenhuis lag, heb ik hem gebeld. Kortademig, maar nog volledig alert. Informerend naar werk en gezondheid, maar uitziend naar het hemels Licht. ‘Waar we nog zo weinig van weten, maar waar het ook goed zal zijn.’ In die vrede en met dat verlangen is hij gestorven. Een markante dominee, die mee het leven in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt heeft vormgegeven. Maar die ook vorig jaar bij zijn 60-jarig jubileum vroeg om giften voor STROOM, de zustergemeente van de OPK, voortgekomen uit het evangelisatiewerk in de jaren tachtig. Toen vond hij al dat gedoe in de Bijlmer maar vreemd, maar nu zag hij in wat het uiteindelijk had opgeleverd. Het was moeilijk te peilen hoe hij terugkeek op alle vrijgemaakte gedrevenheid en ijver van weleer. Hij was duidelijk; al zijn werk in Gods Koninkrijk was zeker niet zijn eigen verdienste en hij wees daarbij altijd op de Christus der Kerk!
Terugkijkend kun je zeggen dat uit een soort haat-liefde verhouding toch ook erkenning en herkenning kan groeien. Zo ging het meerderen die ds. Breen meemaakten spraken na zijn Amsterdamse periode. Wat ik boven beschreven heb, laat dat duidelijk zijn, zijn enkel mijn ervaringen en belevenissen met ds. Christiaan Jakobus Breen. Er vallen ongetwijfeld nog vele verhalen aan toe te voegen.

vrijgemaaktNa de begrafenis op de Nieuwe-Ooster reed ik naar de Keizersgrachtkerk. Een kerk waarbij ds. Breen onmiddellijk hele verhalen had kunnen opdissen over de Doleantie en Abraham Kuyper. In een zaal van deze kerk werd de bundel VRIJGEMAAKT gepresenteerd. Dertigers beschrijven daarin hun verhouding tot de GKv. Sommigen van hen noemen zich kerkverlaters en anderen staan pal voor een kerk waar het evangelie van Christus geleefd wordt! Tussen alle herinneringen doemde steeds weer het beeld van ds. Breen op. Voor hem was er niets nieuws onder de zon waarschijnlijk. Deze verhalen had hij al zo dikwijls moeten aanhoren. Misschien had hij opgeroepen tot een: onderzoek de Schriften en spaar daarbij je eigen ziel niet!

de officier, lezen in vakantietijd

George Picquart
George Picquart, de officier

Op school zocht ik een stevige Heutinkdoos. Een doos waar twee behoorlijke stapels boeken in passen. Hij kan dan precies tussen de voorstoelen en de achterbank en er blijft genoeg ruimte over voor de rest van de bagage. Ik vind het heerlijk om meer boeken mee te nemen dan dat ik zou kunnen lezen. Je kunt dan lekker kiezen. Ik was al bezig met de laatste van Philip Kerr, een dramatische detective over massamoorden op Poolse officieren door de Russische geheime dienst. Een op feiten gebaseerd verhaal, dat op een boeiende wijze het verschrikkelijke van de Tweede Wereldoorlog laat zien.
Over ‘de officier’ van Robert Harris had ik verschillende positieve recensies gelezen. Dus bij de bibliotheek besteld en gelukkig was het net voor de vakantie binnen. Ook die ging dus mee in de Heutinkdoos. Harris heeft met dit boek een geweldige historische roman geschreven. Eind 19e, begin 20e eeuw was Frankrijk in de ban van de Dreyfusaffaire. Het zijn van die verhalen waar je wel eens van gehoord hebt, maar net te weinig van af weet. Ik wist dat de schrijver Zola er iets mee te maken had en dat Dreyfus een Joodse officier was, beschuldigd van spionage voor het Duitse leger. Het antisemitisme vierde in Frankrijk toen hoogtij. Ook nu is er trouwens nog steeds van alles mis op dat gebied. Zo hebben we in Carpentras (in de Vaucluse) voor de plaatselijke synagoge gestaan (helaas waren de openingstijden nogal beperkt). In de jaren negentig van de vorige eeuw werd de Joodse gemeenschap van deze provincieplaats opgeschrikt door een afschuwelijk geval van grafschennis en vernielingen op hun begraafplaats.
Alfred Dreyfus werd verbannen naar Duivelseiland, waarvan men hoopte dat hij er nooit meer zou terug komen. In de historische roman van de Engelse schrijver Robert Harris speelt Georges Picquart de hoofdrol, hij schrijft het verhaal. Spannend vanaf de eerste pagina en stap voor stap leer je beseffen wat het betekent dat machthebbers hun eenmaal ingenomen posities niet meer durven opgeven. Wanneer dat laatste mensenlevens kost is dat geen enkel probleem. Harris schets hier wat vandaag de dag nog steeds gebeurt. Blinde vlekken, bewijsmateriaal een beetje naar je hand zetten en ook Jodenhaat; het is nog steeds niet verdwenen. Daarom is de officier een boek wat je ook doet denken aan justitiële blunders in ons eigen land. Een echte aanrader dus.
de officier 1In de vakantie vind ik het leuk om her en der een boekhandel binnen te wandelen. Ook in Frankrijk heeft trouwens de kaalslag toegeslagen, maar gelukkig vind je her en der nog prachtige boekwinkels. En al ben ik er niet op uit om in het Frans boeken te gaan lezen, het is heerlijk om de geur op te snuiven. Mooi is dat gemiddeld de boeken er ook anders uitzien. Leuk is om even te kijken wat ze hebben aan Nederlandse literatuur, vertaald in het Frans. Zo zag ik van Anna Enquist een boek getiteld: Les endormeurs. Grappig om te zien dat er dan opeens een andere zwaan voorop staat. Natuurlijk ging ik zoeken naar ‘de officier’ in het Frans. Via de Engelse uitgave, met een toch intrigerender titel (een officier en een spion) kwam ik terecht bij D. Een prachtige omslag met een extra aanbeveling van The Times. Volgens de boekverkoopster in Orange: “c’est formidable!” Ik mocht best een foto maken; boekenliefhebbers moet je hoog houden natuurlijk.

nooit meer auschwitz

wertheimpark 2Aangezien de bloedbankbus niet meer in Diemen komt, ga ik tegenwoordig weer doneren aan de Valkenburgerstraat in Amsterdam, schuin tegenover bureau IJtunnel. Jaren geleden zaten ze daar vlakbij aan de Rapenburgerstraat, een straat waar je nog mezoeza’s kunt zien. Op de fiets er heen kom je dan langs Artis en het Wertheimpark. Dat parkje is een van de kneuterigste parkjes in Amsterdam, al staan er bij de ingang op twee forse pilaren geweldige leeuwen. Totdat het een wereldbekend monument kreeg, was het een heerlijk buurtparkje. Je kunt er heerlijk aan het water van de Nieuwe Herengracht zitten. Met een bovenbouwgroep heb ik enkele keren het monument van Jan Wolkers in het parkje opgezocht. Een filosofeermonument, de prachtig blinkende spiegels die vooral in het voor en najaar de wolken gebroken weerspiegelen. De spiegels hebben wel een flinke opknapbeurt nodig trouwens. Gelukkig staat de glasplaat er mooi bij. Boven de titel: NOOIT MEER AUSCHWITZ, ligt een nooit meer auschwitzkeurige rij gedenksteentjes, zoals we die ook kennen van Joodse begraafplaatsen. Fietsend langs het park, zag ik dat het hek ontsierd wordt door een fiks aantal spandoeken. De buurt protesteert! Want al een maand lang is het parkje in opspraak, bijna wereldnieuws. Achter de rug van veel belanghebbenden om, heeft de gemeenteraad besloten om het park te vereren met nog een monument. Op zich vind ik het een mooi idee om ergens in het centrum van Amsterdam een monument met alle namen van de holocaustslachtoffers te plaatsen. Wanneer je er wat langer over nadenkt is het ook raar dat zo’n monument er nog niet is. Maar dat zal ook weer met de tijd te maken hebben. De Tweede Wereldoorlog en alle verschrikkingen die daar bij horen zijn nog lang niet weg uit het collectieve geheugen. In de overblijfselen van de Hollandsche Schouwburg, op loopafstand van het Wertheimpark, is een muur met alle familienamen van hen die verdwenen in de vernietigingskampen. Toch blijft dat afstandelijk, je herkent er geen personen in. Toen Guus Luijters de 18.000 namen noteerde van verdwenen kinderen maakte dat veel los; huilende bezoekers op de tentoonstelling in het Stadsarchief. Los daarvan staat, of zo’n namenmuur in het Wertheimpark moet komen. Op het eerste gezicht een mooie rustige plek in de stad. Midden in een buurt waar Joodse mensen woonden. Bezoekers kunnen in alle rust hun verdwenen familieleden herdenken. De buurt wil haar rustige parkje echter niet kwijt en mevrouw Wolkers is boos omdat de gebroken spiegels van haar man in het niet vallen bij een lange muur met 102.000 namen.
wertheimpark 1Gelukkig zijn er best alternatieven. In het Parool las ik dat bij de synagoge aan de Jacob Obrechtstraat in Zuid plaats is voor een namenwand. Micha Moses, de voorzitter van de synagoge doet een uitstekende voorzet. In dezelfde krant schrijft Rob Cohen een paar dagen eerder al, dat hij het Auschwitzcomité een mooi idee aan de hand deed om het monument op het Jonas Daniël Meijerplein te situeren. Hij wilde het zelfs combineren met allerlei educatieve elementen. Helaas kreeg hij geen gehoor.
Daarnaast zijn er nog veel andere locaties te bedenken. Naast het Wertheimpark ligt een tennisbaan die best ingewisseld kan worden voor een namenwand. Elders kan de tennisbaan vast een plek vinden. Ook valt een gedeelte van Artis op te offeren. Deze compleet uit de tijd zijnde dierentuin kan verkleind worden tot een park(je) met alleen die dieren die verantwoord in een stad kunnen worden gehouden. De rest van het terrein kan dan gebruikt worden voor tennissen en allerlei zaken die nu niet kunnen in dit gedeelte van de stad. Ook een oplossing om de muren van de Stopera te gebruiken als namenwand. Bij deze oplossing is de lijst met namen nog veel zichtbaarder in het dagelijkse stadsbeeld. Tegelijkertijd toon je daarmee ook iets van je collectieve schuld als stad! En daar maar hopen dat de verschrikkelijke lakens uit de Plantagebuurt zo snel mogelijk de was in kunnen.

schoonheid van vergangkelijkheid

Een mooie fietstocht langs het IJ en het Noordzeekanaal. En wanneer je er bijna bent, even wachten op de pont. Voor de hongerigen is er gelukkig een ouderwets pontcafeetje. Tot eind 1983 had je hier een prachtig uitzicht op de Hembrug. De grootste draaibrug voor het spoor, zei men. Maar de vooruitgang ging door, de brug verdween en een tunnel zie je niet wanneer je met de pont overgaat. Aan de overkant rechts en je komt bij het terrein waar de prachtige leegstaande gebouwen van de voormalige munitie en wapenfabriek staan. Afgelopen weekend was er mooie verzameling schilderijen en beelden te zien. Maar de oude leegstaande gebouwen; prachtig!

loods Hem terrein Zaandam loods Hem terrein Zaandam 1 loods Hem terrein Zaandam 2

De boerenoorlog

de kolonist van ZW AfrikaHet was namiddag, en het was warm. Er lag een broeiende, drukkende hitte op het Vrijstaatse veld. Ze reden met hun drieën over de eenzame, brede landweg. De twee Blanken reden voorop, en de Kleurling volgde op een eerbiedige afstand.
Het was een Hottentot en geen Kaffer. Men kon bij de eerste oogopslag zien, dat het geen Kaffer was; hij miste diens dikke lippen, terwijl hij kleiner en tengerder van lichaamsbouw was. [de eerste zinnen van  ‘De overwinnaar van  Nooitgedacht’]

Gij blijde dagen, waar zijt gij gebleven? Gij zonnige tijd, toen het huisgezin in vrede zat onder zijn vijgeboom, en de kinderen als olijfplanten groeiden rondom de dis – gij blijde dagen, waar zijt gij gebleven? [de eerste zinnen van ‘De kolonist van  Zuid-West Afrika’]

penningEen aantal boeken van Louwrens Penning (1854-1927) heb ik herlezen toen we in 1980 in de Transvaalbuurt (amsterdam-Oost) terechtkwamen, op drie hoog in de Hofmeyrstraat. Die Hofmeyr kwam ik nergens tegen in de boeken van L. Penning. Wel de namen van Christiaan de Wet, president Brand, Paul Kruger en Ben Viljoen. Later heb ik uit de nalatenschap van mijn ouders de Penning boeken meegenomen en ook mijn schoonvader had nog wat exemplaren. In calvinistische kring waren de boeken over de Boerenoorlog in Zuid-Afrika (1899-1902) zeer geliefd. En Penning kon boeiend schrijven zoals uit de beide citaten hierboven wel blijkt. Penning is zelf in die tijd nooit in Zuid-Afrika geweest maar moet zich zeer goed hebben ingelezen. Wel had hij er twee broers wonen die hem ongetwijfeld veel geschreven zullen hebben. Pas in de eerste helft van de twintiger jaren van de vorige eeuw kon hij het land van de blanke kolonisten bezoeken. De Boeren die rond 1900 de oorlog werden ingetrokken door de Engelsen genoten in Nederland grote sympathie. Paul Kruger, de president Transvaal, was bevriend met onze koningin Wilhelmina. Naast de (jeugd)romans die Penning over de kolonisatie en de oorlog in Zuid-Afrika schreef, kwam hij in 1902 ook met een compleet historisch overzicht over de oorlog in drie kloeke delen. (Met de prachtige ondertitel in gouden kapitelen: VREEST GOD EN HOUDT UW KRUIT DROOG. [een uitspraak van Paul Kruger] en online te lezen op een Amerikaanse website: https://archive.org/details/deoorloginzuida01penngoog)  Helaas mis deel I en II, maar wat heb ik als klein jongetje vaak  in deel III de plaatjes zitten te kijken. Stoere mannen met baarden en grote hoeden, en prachtige vergezichten met ongrijpbare namen als ‘Moselekatsenek’ en ‘Duivelskneukels’. Bij een plaat met het onderschrift ‘Boeren aan ‘t “gezelsen”’ kon je natuurlijk compleet wegdromen.
Toen men begin jaren ‘80 in Amsterdam-Oost een groot aantal straatnamen wilde vervangen vond ik dat toen grote onzin. Op een gegeven moment waren zelfs de bestaande straatnamen beplakt met ‘nieuwe namen’. Uiteindelijk zijn Albert Lutuli en Steve Biko vernoemd en hebben nu een plek op de naambordjes in de Transvaalbuurt. Niet onterecht natuurlijk want zij hebben veel bijgedragen aan de emancipatie van de zwarte bevolking in Zuid-Afrika. Door het lezen van ‘Het Verbond’ van de Amerikaanse schrijver James A. Michiner kreeg ik trouwens wel een heel ander beeld van de Zuid-Afrikaanse geschiedenis. De boeken van Penning zijn nog behoorlijk koloniaal beinvloed en hier en daar zelfs racistisch. Toch geeft het zeker een goed inzicht in de Boerenboorlog en je krijgt een duidelijk inzicht hoe daar vanuit de ‘broedernatie’ Nederland tegen aan werd gekeken. Trouwens, begin jaren zeventig leerde ik op het Gereformeerd Lyceum in Groningen dat ‘apartheid’ ronduit bijbels was.

de boerenoorlogVorig jaar kwam er voor een breed publiek eindelijk weer eens een boek over de Boerenoorlog in Zuid-Afrika op de markt. Martin Bossenbroek heeft werkelijk een zeer goed leesbaar boek geschreven over een in het algemeen toch vergeten geschiedenis. Aan de hand van drie hoofdpersonen schets hij het complete verhaal van de oorlog waarin voor het eerst concentratiekampen werden geïntroduceerd. Zo kom je er geleidelijk aan achter waarom Winston Churchill door veel Nederlanders niet sympathiek werd gevonden. Bossenbroek heeft ook Penning gelezen, maar nu vanuit het perspectief van 2013. Hij trekt lijnen, ook naar vandaag en laat ook het vaak onverholen racisme van zowel Boeren als Engelsen niet onbesproken. Ik heb het boek met grote interesse en geboeid gelezen. De hoofdpersonen komen echt tot leven, zonder dat het geromantiseerd wordt. De schrijver kiest geen partij, maar zet je wel degelijk aan het denken over vragen; wat als de Engelsen geen oorlog waren begonnen, als ze niet er niet op uit waren geweest om een nieuw wereldrijk te stichten? Wat als de Boeren beter naar de woorden van Paulus hadden geluisterd, waar die het heeft over de verhouding van heer en slaaf? Het nodigt ook uit om de boeken van Penning nog eens door te bladeren en hier en daar te herlezen. Wanneer ik het boek van Bossenbroek aanbeveel weet bijna niemand wie L. Penning was. Wie weet geeft ‘De Boerenoorlog’ nog eens aanleiding voor een biografie over deze schrijver en zijn invloed op het denken van Nederlandse protestanten over ‘apartheid’. Ik heb tenminste nog niet kunnen vinden dat er zo’n boek bestaat.

Onze_Jan_grafsteenDoor het lezen van ‘De Boerenoorlog’ heb ik ook maar eens opgezocht wie die Hofmeyr nu wel was. Jan Hendrik Hofmeyr leefde van 1845 tot 1909 (en niet 1912 zoals het ‘De naam van onze straat’ [een Amsterdams boek dat alle straatnamen verklaart]vermeld) en hij was de oprichter van de Afrikanerbond. Deze vereniging kwam op voor het Nederlands in Zuid-Afrika. Ook was hij een belangrijk parlementslid in de Kaapprovincie.

Tot slot van de aanbeveling van het boek van Bossenbroek nog een tip! Op dit moment in de ramsj: ‘De meelstreep’, ook van Martin Bossenbroek. Lees daarbij de recensie in het Historisch Nieuwsblad; zeer de moeite waard en dat voor nog geen tien euro!

slavernij / 12 years a slave

12-Years-a-Slave-posterDe eerste keer dat ik een bioscoopzaal van binnen zag, was in 1976 in Amersfoort, samen met mijn zus. Van huis uit was de bioscoop verboden gebied. Eén van de argumenten was: ‘stel je voor dat Jezus terugkomt, en jij zit in de bioscoop…’ . Ik kan me nog herinneren, dat ik het best opwindend vond,  ook al was ik inmiddels 19. Trouwens, we gingen naar de film die Fons Rademakers gemaakt had naar aanleiding van de Max Havelaar van Multatuli. In die dagen een spraakmakende film over koloniale misstanden in de tweede helft van de 19e eeuw in Indonesië (voormalig Nederlands-Indië). Bijna 40 jaar later ben ik wel wat filmervaringen rijker, alhoewel ik geen fervent bioscoopbezoeker ben. Meestal is het een aansprekende recensie die maakt een kaartje te kopen. Toen ik terugreed langs Amstel, na het bekijken van “12 years a sleve” spookte hoofdrolspeler Peter Faber van de Max Havelaar film door mijn hoofd. Daarmee kwam opeens ook die bioscoop in Amersfoort weer in gedachten. Een vreemde gedachtenkronkel misschien…

De met Oscars bekroonde film die ik met mijn zoon bezocht bracht me dus haast als vanzelf terug bij het koloniale verleden van Nederland. Maar dat laatste eerst maar even terzijde. “12 years a slave” is een film die je compleet door elkaar schudt en beslist niet onbewogen kan laten. Ik kan me nog herinneren dat destijds in Amersfoort mensen zo geraakt waren dat hun gesnik duidelijk hoorbaar was. Inmiddels zijn we wel wat gewend in films, maar ook nu werd het in Pathe de Munt heel erg stil. De film is gebaseerd op het gelijknamige boek dat in Amerika in 1853 verscheen. Nu de film overal in Nederlandse bioscopen vertoond wordt is er voor het eerst een Nederlandse vertaling verschenen. Een schokkend relaas, zo mag je het best noemen. Schokkend omdat het laat zien hoe indertijd het systeem van slavernij diep geworteld was in een samenleving die beweerde ‘vrijheid’ hoog in het vaandel te hebben. Steve McQueen heeft het verhaal dicht op de huid gefilmd. Je wordt bijna vermalen tussen de schoepen van de raderboot op de Mississippi en je voelt de pijn van de ijzeren kettingen en de zweepslagen onder je eigen huid kruipen. Tegelijkertijd zet het je aan het denken over goed en kwaad en alles wat daar tussen zit. Hoe zou ik zelf gehandeld hebben met een geweer op het hoofd gericht en een zweep in de handen geduwd? Solomon Northup heeft, eenmaal terug in vrijheid, niet kunnen zwijgen. Daarmee ook zijn eigen handelen tegen het licht gehouden en de toenmalige samenleving aan het denken gezet. Gaat dat zien!

de zwarte met het witte hartOp ons leesclubje hebben we het afgelopen jaar, min of meer toch toevallig, het thema slavernij in verschillende boeken voorbij zien komen. Dat was met “Een keukenmeidenroman” van Katryn Stockett een goed begin, maar het speelde nog ver weg in Amerika.  Eind vorig jaar bespraken we “De zwarte met het witte hart” van Arthur Japin. Toen kwam het al dichterbij. Twee jonge zwarte prinsen meegenomen naar Holland als een soort onderpand. Japin schets het leven van Akwasi en Kwame  in Delft op meesterlijke wijze. Volwassen geworden gaan de twee neven elk hun eigen weg. De een wordt uiteindelijk mijnbouwkundig ingenieur in Nederlands-Indië en de ander gaat terug naar Ghana. Een donkere pagina uit de vaderlandse geschiedenis wordt door Japin mooi ingekleurd. Onze voorouders bedoelden het misschien  o zo goed, maar wat gingen ze voorbij aan de kern van het evangelie terwijl ze ’s zondags toch keurig ter kerke gingen. Afgelopen januari bespraken we de inmiddels ook verfilmde roman van Cynthia Mc hoe duur was de suikerLeod over de slavernij in onze voormalige kolonie Suriname. Hoewel als hoogstaande literatuur misschien wat minder geslaagd, is deze roman wel een inkijk in het slavernij verleden van de Hollandse kooplieden in de 19e eeuw. Liefde, overspel en ook moord; het komt allemaal voorbij. En opnieuw krijg je een plaatsvervangend schuldgevoel wanneer je bedenkt dat in die tijd een gedeelte van onze economie alleen kon bestaan dankzij de slavenhandel. Het zou de blanke Nederlander sieren wanneer hij in de omgang met Surinamers en Antillianen daar ook rekening mee hield. Onze schuld houdt niet op bij het zelfstandig worden van die landen met achterlating van een stapel miljoenen.

 

Edmund de Waal in het Rijksmuseum

In het najaar van 2013 maakte een klein berichtje in de krant er melding van. Edmund de Waal had een werk aan het Rijksmuseum geschonken. De Engelse schrijver van “De haas met de amberkleurige ogen” is in het dagelijks leven keramist en maakt hele bijzondere kunstwerken. Wanneer je die alleen maar kent van plaatjes op een website, heb je eigenlijk geen idee hoe ze er in het echt uitziet. Daarom is het geweldig dat de kunstenaar een schenking, om niet, aan het Rijksmuseum heeft gedaan.

de waal 1In het vernieuwde Rijksmuseum is het even zoeken naar de Aziatische afdeling en voor je het weet loop je de ‘de Waal’ voorbij. Gelukkig is dat helemaal niet erg want op deze afdeling zijn prachtige voorwerpen te zien. Het indrukwekkendst zijn twee Japanse tempelwachters; reuzen. Bij die twee beelden bekruipt mij wel de vraag waarom die twee overweldigende beelden niet gewoon in Japan een tempel staan te bewaken. Bij het verlaten van de afdeling Azië zie je opeens het werk van de Waal hangen. Op een hele vreemde plek (tegenover het kunstwerk) is een beschrijving van het kunstwerk te vinden. De Waal maakt van klei allemaal hele kleine vaasjes en bordjes. Door de hoeveelheid worden het verzamelingen, die de kunstenaar vervolgens ordent in prachtig vormgegeven vitrines. Soms gaat het om honderden vaasjes. In zijn kunstwerk ‘An idea (for the journey)’ in het Rijksmuseum bevatten twee vitrines een rij vaasjes, min of meer verstopt achter speciaal glas. Hoe verder je weg staat, des te helder de vaasjes worden. Dichtbij worden ze opeens heel vaag. Zo werkt ons geheugen vaak ook, wil de Waal ons duidelijk maken. Neem maar eens afstand van gebeurtenissen, het wordt misschien wat eendimensionaler, maar je ziet wel het grotere geheel scherper.

de waal 4Een prachtig werk om bij weg te dromen en het achterliggende idee goed tot je door te laten dringen. Iedere keer wanneer je weer dichter bij het kunstwerk komt wil je je ogen scherpstellen, maar het lukt niet om de vaasjes scherp te krijgen. Hoe dichterbij hoe waziger, maar toch kun je de verschillende vaasjes in de vitrine beter zien. Gaat het zo ook niet heel vaak met gebeurtenissen in ons leven? Wat is je perceptie en hoe scherp staat het op je netvlies? Kijk je na verloop van tijd terug dan ontdek je opeens de grote lijnen, je ontdekt beter wat de context is. Met het boek van Edmund de Waal is eigenlijk hetzelfde aan de hand. Door zijn geërfde verzameling netsukes te bestuderen en hun herkomst te achterhalen krijgt het een prachtig en scherper beeld van zijn familiegeschiedenis. Daarmee verandert ook zijn perceptie en het zicht op zijn leven vandaag.

de haas met de amberklaurige ogen japansRegelmatig komt zijn boek nog ter sprake, en ik  beveel het aan. Het boek vertelt niet alleen het verhaal van de familie Ephrussi, maar ook de grote omwentelingen in Europa komen ongemerkt scherp in beeld. Inmiddels is ‘de haas met de amberkleurige ogen’  in vele talen verkrijgbaar. In het Japans is de omslag van het boek werkelijk schitterend. Dat komt naar mijn idee door prachtige Japanse karakters die mooi aansluiten bij haas-netsuke. Het Engelse amber is trouwens in het Nederlands; barnsteen en barnsteen is geelbruin (de kleur van barnsteen) en niet grijs zoals het Nederlandse amber. Een ‘betere’ titel zou dan “de haas met de ogen van barnsteen” zijn.

de kaukasus en jelle brandt corstius

Jelle Brandt CorstiusTerwijl op Nederland 1 boer Johan in Denemarken huilend zijn eerste liefde in de armen neemt is op Nederland 2 een indrukwekkende reisdocumentaire te zien. Boer Johan trok dan wel 5 keer zoveel kijkers, maar reisjournalist Jelle steekt dieper af. Na een bezoek aan het Olympische Sotsji trekt hij met een oud busje de bergen van Kaukasus in. Wat volgt is een adembenemende reportage over natuur, homo’s, feesten en uitgeroeide volken en vluchtelingen uit Syrië. Na een geweldige serie over Rusland en India, nu dus de Kaukasus. En het kan niet anders dan dat je dat aan het denken zet. Bijvoorbeeld dat voor de bouw van de olympische sportarena’s heel veel begraafplaatsen zijn platgewalst. Dat in de 19e eeuw de Russen complete stammen in de Kaukasus hebben uitgeroeid, zoals andere Europese landen dat deden in Afrika en Noord-Amerika. Er is niets nieuws onder de zon bedenk je dan, maar het stemt tot nadenken. Zeker wanneer sporters over enkele weken alles op alles zetten een gouden medaille in de wacht te slepen. Jelle Brandt Corstius verdient een medaille voor zijn programma. Alleen al voor zijn dronk op de positieve invloed van de stam. In Nederland leven we langs elkaar heen vertelde hij de stamoudste, maar jullie kunnen altijd op elkaar terugvallen, jullie hebben je stam! Ook de komende weken op Nederland 2 en voor BZV idolaten ook op uitzending gemist.

Aquasi Boachi, de zwarte met het witte hart

aquasi boachiOp de website van Le Baroque pralines in Kuurne (aan de E17 richting Lille) is een keur aan chocola te vinden. Daarnaast verkopen ze ook allerlei producten die met chocola en banket te maken hebben. Bijzonder is dat men een borstbeeld verkoopt van Aquasi Boachi. Het is een ijzeren beeld, kreeg ik bij navraag te horen en is voor € 179 te koop. Verdere navraag leverde niet veel meer op en ik werd doorverwezen naar een Nederlandse firma; Zandbergen Decoraties in Noordwijkerhout. Marianne van deze Baroque International wil of kan me ook niet wijzer maken dan de korte mededeling dat zulke decoraties uit het Verre Oosten komen en nagemaakt worden van foto’s uit antiekbladen. Graag zou ik dat blad dan wel eens willen zien, ergens moet er dan toch een origineel zijn. Maar Marianne weet niet meer te vertellen, wel krijg ik de vriendelijke groeten, best regards, cordialement en ook nog Herzliche Grüßen. Al met al een raadselachtig verhaal. Hoe komt de buste van een Afrikaanse prins in een Belgische pralinewinkel terecht…

Aquasi_Boachi_with_his_children
Aquasi Boachi in 1900 met twee van zijn kinderen

Gelukkig blinkt het bijschrift op de site Le Baroque in Kuurne uit in beknoptheid en goed weergeven van de historische feiten. Op de leesclub hebben we het boeiende boek van Arthur Japin over Kwasi gelezen. De schrijver neemt in “De zwarte met het witte hart” hier en daar wel een loopje met de historische feiten. Nadat hij zich uitgebreid had ingelezen in Kwasi  en Kwame schreef hij een roman en veroorloofde zich de daarbij behorende vrijheden. Dat maakt het niet minder boeiend, eerder het tegenovergestelde. Het leven van Kwasi en Kwame wordt op een prachtige manier beschreven. In 1997 verscheen de roman van Japin, inmiddels zijn we vele drukken verder in 2013. Het meeslepende verhaal over de twee Ashanti prinsen (uit het huidige Ghana) brengt op een geweldige en ook ontroerende wijze de verschrikkelijke geschiedenis van de Nederlandse betrokkenheid bij de slavenhandel heel dichtbij. Achteraf schamen heeft niet veel zin, maar je krijgt wel een plaatsvervangende schaamte over je bij het lezen. De discussie over Zwarte Piet komt wel degelijk in een ander daglicht te staan. Zeker wanneer je beseft dat de mythevorming rond Sinterklaas en Zwarte Piet ontstond in de tijd dat Kwasi en Kwame in Delft studeerden. Vervolgens laat de roman van Japin goed zien wat het betekent wanneer je als mens opeens in een volstrekt andere cultuur terecht komt. De psychologie hierover zie je terug in de levens van Kwasi en Kwame. Kwame gaat aan alle ellende ten onder en pleegt uiteindelijk zelfmoord in fort Elmina (rond 1850), terwijl Kwasi als mijnbouwingenieur naar Indië gaat. Na een veelbewogen leven sterft hij daar in 1904. Japin heeft een boeiende roman geschreven die ook 17 jaar na verschijnen en na 27 drukken nog steeds boeit en aanzet tot schaamte en nadenken over een zeer zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis!

50 jaar GBS in Amsterdam – er werd ook gepest

Een zus van haar legde bij toeval het contact. In een schoolgang kwamen we elkaar tegen en na een korte handdruk en een brief, zaten we een paar weken later aan tafel. Er moest wat uitgepraat worden, over haar zus die ooit zo gepest was en steeds met de gevolgen daarvan rondliep. Ook ik had daar een rol in gespeeld volgens de zus.
Een maand later heb ik haar opgezocht. Met haar man woont ze in een mooi ruime flat in een jaren zeventig wijk. Naarmate het gesprek op gang kwam, ging het verleden leven. Hoe meer namen passeerden, des te meer beelden we er bij kregen. Het gepest op school, als een slavin behandeld worden, nog een keertje een paar woorden sissen op de trap, al die dingen die de ander zo gewoon vindt. Het dreigen wanneer ze iets zou zeggen, de vernederingen in de bus. Zo stapelde de ene pesterij zich op de andere en ging ze zich stap voor stap ongelukkiger en afgedankt voelen.
Oh ja, natuurlijk denk je als leerkracht dat je er heel veel aan gedaan hebt. Je hebt gewogen en gewikt, terechtgewezen, aangesproken en zelfs donderpreken gehouden. Maar net die ene keer, dat ze haar nood kwam klagen, heb ik toen op de juiste manier gereageerd? Kwamen de woorden verkeerd over? Bedoelde ik het niet, maar zei ik het wel? Afgewezen voelde ze zich, opnieuw een mokerslag.
Bij ons beiden kwam het verdriet naar boven en gelukkig konden we praten over schuld en vergeving.
Haar schoolloopbaan is heftig geweest. Het laatste jaar heeft ze afgemaakt op een school voor leerlingen met psychische problemen. Een heftig jaar, maar er werd geluisterd en gewerkt aan herstel. Op catechisatie werd het wel bespreekbaar, maar de daders wilden er niets van weten.
Gelukkig is ze er nog, sterker misschien wel dan ze ooit is geweest. Ooit dacht ze er een eind aan te maken, maar nu na vele hulpverleningstrajecten weet ze dat er echt mag zijn, voor haar man, maar zeker voor haar hemelse Vader. Dat we konden afsluiten met gebed, maakte het wel heel bijzonder.

Pesten, het kwam en komt voor, ook op een gereformeerde school. En zeker, met vallen en opstaan is er veel aan gedaan en wordt er ook veel tegen opgetreden. Helaas gaat er ook nog veel niet goed. Om achteraf met een slachtoffer in gesprek te gaan is confronterend. Het geeft echter ook weer ruimte naar de toekomst. Daarom een oproep aan hen die diep in hun hart weten dat ze fout zaten, dat ze meeliepen of meededen. Ontkennen heeft uiteindelijk geen enkele zin. Mocht je ooit in de gelegenheid zijn jouw slachtoffer in de ogen te kijken; doe het! Ontloop het niet, voor jezelf niet, maar ook voor je slachtoffer niet. En zeker voor de laatste kan het helend werken.
Jezus zei in zijn bergrede: ‘Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.’ Dit wordt waarheid wanneer gepesten en pesters elkaar weten te vinden.

50 jaar gbs in Amsterdam – een zwarte bladzijde

Voor de school zit het er op. Een feestweek en een goed georganiseerde reünie. Veel oud-collega’s die weer eens bij hebben kunnen praten en oud-leerlingen die elkaar ontmoetten. In dankbaarheid terug kijken. Ook was er mooie glossy te koop met flink wat historische bijdragen. Ik hoop dat het volgende artikel over 1970 nog wat gevolg krijgt.

Toen de dr. M.B. van ’t Veerschool in 1963 van start ging waren er veel Amsterdamse vrijgemaakten die hun kinderen niet stuurden. Een aantal deed dat omdat ze de afstand naar Sloterdijk onoverkomelijk vonden. Er waren echter ook een groot aantal ouders die niet veel moesten hebben van het ‘doorgaande reformatie’ gebeuren. Dat het bestuur in 1963 voorbij ging aan hun bezwaren is op zich te begrijpen. Men kon eindelijk na 12 jaar starten met een eigen school. Velen hebben dat ervaren als de zegen van God op noest verrichtte arbeid. Uit het notulenboek (zie ook het artikel ‘het begon aan de Lutmastraat’), blijkt echter overduidelijk dat het met de start van de eigen school de strijd niet ophield. Ondanks de opstelling van het bestuur in mei 1963, die deed of er in Amsterdam geen kerkelijke problemen waren, was dat in werkelijkheid echt wel zo. Op de synode van Amersfoort (1967) tekenden de problemen in de vrijgemaakte kerk zich fors af. In de notulen van 7 september 1967 kunnen we lezen dat voorzitter van Milligen de ‘kerkelijke scheiding’ memoreert. “Hij spreekt de hoop uit, dat ondanks kerkelijke moeilijkheden, het bestuur rustig verder zal mogen gaan, omdat de school voorop moet staan.” In 1969 en 1970 bleven de problemen niet meer buiten de deur van de schoolvereniging. In de notulen is het op de voet te volgen. Ds. G. Jansen van Amsterdam-West, lid van het bestuur, was ook afgevaardigd naar de Synode van Hoogeveen. Het probleem was echter dat er uit Noord-Holland twee soorten afgevaardigden waren, binnenverbanders en buitenverbanders. Dit werd in Hoogeveen een probleem natuurlijk. Op 8 mei heeft ds. Jansen met zijn medeafgevaardigden Hoogeveen verlaten. Ze ‘trokken’ het niet meer, is te lezen in de Acta (=officiële noutlen) van de synode. Alles wees er op dat hun de deur zou worden gewezen. Uit overlevering is bekend dat ds. Jansen de situatie verschrikkelijk vond en huilend door de gangen van de voormalige synagoge liep. (De synode van Hoogeveen werd gehouden in kerkgebouw van de GKV ter plaatse, een voormalige synagoge.) Een dag later als er weer een bestuursvergadering is, is ds. Jansen niet aanwezig. Maar op 11 juni is hij er weer bij. Voorzitter is dan nog Van Milligen, maar twee vergaderingen later heeft broeder D. Dreschler uit Zwanenburg de hamer overgenomen.

Broeder en zuster van Milligen op de openingsavond van de school, 4 september 1963. Mevr. van Milligen rookt er flink op los en op tafel staat een doos AGIO sigaren.

Van Milligen was niet meer herkozen op de jaarvergadering. Een buitenverbander werd varvangen door een binnenverbander. Veel is er vergaderd in die daarop volgende maanden. Ook het hoofd der school Van der Hoek hoorde bij de buitenverbanders. De laatsten vonden het geen probleem om in het schoolbestuur samen te werken. Het grootste deel van de schoolvereniging en het bestuur koos er echter voor om de grenzen duidelijk te trekken. In het kort kwam dat er op neer dat de schoolvereniging in de statuten had staan de GKV (binnenverband) de kerk van de school was. Buitenverbanders hadden zich hieraan ontrokken en waren dus eigenlijk niet meer gereformeerd volgens de statuten. In de loop van het seizoen 1969-1970 kozen daarom een aantal broeders er dan ook voor te vertrekken.

uit de notulen van 27 april 1970

Het hoofd van de school, Van der Hoek, vertrok naar Steenwijk. Ds. Jansen en bestuurslid Dijkema schreven samen een afscheidsbrief. Een drietal broeders komt nog een keer ter vergadering maar het tij is niet meer te keren. De protesterende broeders werd nog wel duidelijk meegegeven dat als ze hun kinderen van school halen, dit niet conform de doopbelofte is.  De kerkstrijd trok dus ook scheuren door de school. Veel verdriet, ongetwijfeld aan beide kanten, is daardoor ontstaan. Terugblikkend vraag je je af of dit werkelijk zo had gemoeten. Toen tien jaar later er forse scheuren in het gebouw kwamen, doordat er naast Molenwerf 5 een kantoorgebouw van 7 verdiepingen werd gebouwd, bracht men grote trekstangen aan. Leerlingen uit de NGK, de CGK maar ook uit de Gereformeerde Gemeenten bezochten toen inmiddels de school. Nog weer tien jaar later was de diversiteit net zo breed als de ‘gereformeerde gezindte’. En rond het jaar 2000 kwamen de leerlingen uit de gehele breedte van christelijke kerken in Amsterdam.

In 2013 zijn leerkrachten uit de CGK en de NGK (de voormalig buiten-verbanders) meer dan welkom om les te geven. Binnen de schoolvereniging GPOWN, waarin de schoolvereniging van Amsterdam is opgegaan, wordt inmiddels gediscussieerd over verdere openstelling met betrekking tot het personeelsbeleid. Wat er in 1969 en 1970 zich heeft afgespeeld is geschiedenis. Maar tot op de dag van vandaag zijn er nog mensen die het verdriet voelen. Zeker nu alle veranderingen zo snel en met veel minder discussie werden geaccepteerd. Zij die in 1970 werden buitengesloten, zijn nu van harte welkom en deelnemer. En het zei gezegd: tot zegen van de scholen en het onderwijs.  De crisis van de vrijgemaakte kerken in de jaren 60 werd door een bepaalde groep de school binnengetrokken. Terecht? Door hen die binnen het bestuur bleven werd het als terecht ervaren en ook de wil van de Heer der Kerk. Terwijl zij die vertrokken ook zeiden dat ze Gods wil deden en voluit de belijdenisgeschriften bleven onderschrijven. Ik zal de dag nooit vergeten dat een doodzieke broeder Dijkema nog een keer op bezoek kwam om de school te bekijken die hij mee had helpen oprichten. Het verdriet over eind jaren 60 was voelbaar en te zien aan zijn tranen. Terugkijkend is het een donkere periode waarin naar mijn idee beslist niet altijd wijs en zorgvuldig is gehandeld. Gelukkig is er in 2013 in veel plaatsen tussen de GKV en de NGK erkenning en herkenning. Vaak gaat dat gepaard met schuldbelijdenis over de jaren 1969 en 1970 over wat daarin fout is gegaan. Wie weet is dat ook bij de herdenking van 50 jaar gereformeerd onderwijs in Amsterdam een mooi gebaar; schuldbelijdenis over wat ten aanzien van onder meer broeders als Van der Hoek, Dijkema en ds, Jansen verkeerd is gedaan. Waarvan akte!

50 jaar GBS in Amsterdam – juf Nijmeijer

juffrouw Nijmeijer ontvangt als
handwerkonderwijzeres “de wapens”

Deze week wordt op de gereformeerde basisschool in Amsterdam feest gevierd. Op 2 september 1963 begon aan de Molenwerf een vrijgemaakt- gereformeerde lagere school. David Leguyt heeft toen prachtige foto’s gemaakt. In zijn album is te zien dat de hele school naar de Petruskerk liep aan de overkant van het spoor. Dominee Jansen en ook het hoofd der school hielden toespraken. Twee dagen later was er een officiële openingsavond in hotel Krasnapolsky aan de Dam. De inspecteur kwam spreken en ook het personeel werd officieel geïnstalleerd. De mooiste foto van die avond toont mijn tante. Zij ging op de dr. M. B. van ’t Veerschool aan de slag als handwerkonderwijzeres. Kruissteek, flanelstreek, sokjes breien en ook naaien, het had voor de meisjes geen geheimen meer als ze les hadden gehad van juf Nijmeijer. Ze gaf ook les in Oegstgeest op de dr. K. Schilderschool. Volgens mij stond ze niet bekend als een lieve juf. Ze kon zeer streng zijn. Toen ik kwam werken in 1978 mocht ik haar ook perse geen tante noemen. Juf was het, voor de goede orde. In 1979 nam ze afscheid, omdat ze met pensioen ging. Een paar jaar later is ze met haar jongste zus verhuisd vanuit Haarlem naar Hoogeveen. Terug naar haar geboortegrond in Drenthe. Als klein jongetje weet ik nog dat ze soms met z’n tweeën op bezoek kwamen. Dan moest er flink schoongemaakt worden en werd er ‘deftig’ gegeten. Als puber van 16 werd ik een keer uitgenodigd om in de grote vakantie in Haarlem te logeren. Dat werd een gebeurtenis van formaat, rijden in een taxi, een rondvaart in Amsterdam en de Bijenkorf bezoeken! Onvergetelijk.

Op de foto van Leguyt staat ze met een paar breipennen, haar wapens. De laatste weken werd er flink gediscussieerd over de vrouw in het ambt. Mijn tante zat in het ambt, van handwerkonderwijzeres, compleet met wapens. Ik denk dat ze best een goede ouderling zou zijn geweest en tante Dinie trouwens een zeer goede diaken. Hele generaties heeft ze het sokken breien bijgebracht en het maken maken van merklappen. Nu zijn die vaardigheden bijna uitgestorven. Haar naam zij met ere genoemd bij het 50 jarig jubileum. Op 29 mei 2008 is ze gestorven, 93 jaar oud.

Gezin Nijmeijer een paar jaar voor WOII. Links vooraan, naast opa Adam, tante Lammie. Rechts vooraan, naast opoe Femmigje, mijn moeder. In het midden tante Dinie.

het begon aan de lutmastraat

Lutmastraat, Amsterdam Oud-Zuid

Wie in Amsterdam door de Lutmastraat in Oud-Zuid fietst heeft in eerste instantie geen idee waar die naam vandaan komt. Het is een lange straat met van die typische Oud-Zuid bebouwing. Voor Wereldooorlog II waarschijnlijk maar enkele auto’s, tegenwoordig is op bepaalde stukken zelfs een fietspad nodig. Heeft Lutma iets te maken met de Tolstraat? Of was het een schilder uit de Gouden Eeuw? Ongetwijfeld is er ergens op een van de straathoeken een wat uitgebreider bord dat ons kan vertellen waar de naam vandaan komt. Maar zou je het de voorbijgangers vragen, dan denk ik dat ze geen idee hebben. Voor 1896 lag zelfs een gedeelte van de deze straat in de gemeente Niewer-Amstel. Aan de overkant van de Amstel, ongeveer in het verlengde van de Lutmastraat, is dan ook nog steeds de Grensstraat te vinden.

Ets van Rembrandt: Janus Lutma

Janus Lutma (ook wel Johannes Lutma de Oude) werd geboren in 1584 en stierf in 1669. Lutma was een zeer beroemde goud en zilversmid en onder meer bevriend met Rembrandt. De laatste heeft een prachtige ets van hem gemaakt die zich bevindt in het Teylersmuseum in Haarlem, het eerste en oudste museum van Nederland. In verschillende musea is werk te vinden van deze Janus Lutma. Lutma is twee keer getrouwd geweest, eerst met Maria Roelands (Mayke) ze stierf in 1634, later trouwde hij met Sarah de Bie. Janus kreeg bij z’n eerste vrouw 4 zonen die allemaal kunstenaar werden. Johannes, de oudste ging verder in de voetsporen van zijn vader, maar is niet zo bekend geworden als zijn vader. Wel was hij veelzijdiger, hij was onder meer etser. Janus Lutma de Oude is ook de maker van het prachtige koorhek in de Nieuwe Kerk, maar begraven in de Oude Kerk. Wanneer je dit allemaal tot je door laat dringen, rijdt je in ieder geval nooit zo maar door de Lutmastraat. Van die Lutma had ik geen idee toen ik begon te lezen in het oude notulenboek van de dr.M.B. van ’t Veerschool. Broeder van Milligen schreef het allemaal op in dat boek. Op nummer 168, 2 hoog, woonde familie Bedeker. Johannes Bedeker was de eerste voorzitter van de schoolvereniging en hoofd van een evangelisatieschool, maar werd meer en meer een voorstander van vrijgemaakt-gereformeerd onderwijs. U kunt er meer over lezen in de ‘glossy’ die binnenkort verschijnt, bij het 50 jarig bestaan van VEERKRACHT. Op de site van de school kunt u hem al vast bestellen.

RIJKS MUSEUM

Voor het vernieuwde museum is een nieuwe letter ontworpen. De borden bij de lift zijn strak, duidelijk en ook nog eens heel mooi.
De Spaanse architect heeft een aanbouw ontworpen. Hier is goed te zien hoe de ‘roomse’ stijl van Cuypers uitstekend past bij een hedendaags en strak ontwerp.
De inmiddels beruchte doorgang onder het museum, vanuit het museum gezien. Je kunt er onderdoor en het is een fantastisch gezicht als je voetgangers voorbij ziet lopen. De strijd over de fietsers is nog niet voorbij. Mijn idee is dat Pijbes uiteindelijk wel zal winnen. Ik ben erg voor fietsen, maar deze doorgang is er niet voor geschikt.

Het vernieuwde RIJKS MUSEUM  heeft een spatie. Een spatie die er niet hoort, maar die er wel mooi past. Afgelopen week liep het storm. Overdag moest je uren in de rij staan. Gelukkig kon ik rond vier uur zo naar binnen lopen en nog lekker een uurtje de geur opsnuiven van het vernieuwde museum. Het is werkelijk schitterend geworden. Vandaag zag ik bij de DWDD dat de documentaire over de verbouwing een nominatie heeft gekregen voor de Nipkov-schijf. Ik hoop dat die documentaire wint, want die was indrukwekkend en wonderschoon. En wanneer je binnen rondloopt is het aardig om te beseffen dat dit van ons allemaal is. Loop dus eens binnen en bewonder en verwonder je.

Voor het eerst is de bibliotheek open voor het publiek. Hij is prachtig gerestaureerd. Je zou er zo hele dagen willen zitten aan de leestafel. Voor de boekenliefhebber is dit een eldorado. Lezen, bladeren en ruiken; sluit mij er maar op.
Honderden bezoekers verdringen zich in de eregalerij voor de schilderijen van Rembrandt, Vermeer en andere Hollandse grootmeesters.

Jan Brokken – De vergelding

“Sommige verhalen moet je met een vlindernetje vangen”, vertelde de schrijver Jan Brokken. Hij hield een lezing in een bovenzaal van Droog aan de Groenburgwal. Een groep van zo’n zeventig luisteraars volgden geboeid zijn relaas. In de lijn van Groen van Prinsterer, al noemde hij die naam niet, had ook Jan Brokken het ontdekt: “De tegenwoordige tijd kun je nauwelijks begrijpen, als je het verleden niet kent.” Zijn boek ‘de vergelding, een dorp in tijden van oorlog’, gaat over Rhoon, een klein dorp onder de rook van Rotterdam. Door een toevallige gebeurtenis (het vlindernetje), is Jan Brokken samen met een oude schoolkameraad gaan uitpluizen wat de achtergrond en oorzaak is geweest van een represaillemaatregel van de Duitsers in oktober 1944. Zeven mannen werden daarbij zonder pardon neergeknald. Zo stuitte hij op de verhalen van de ‘moffenhoeren’. Daarbij aantekenend dat vrouwen een vergeten groep zijn, als het gaat om Wereldoorlog II. Zijn studie over de oorlog leverde een onthutsend beeld op. Het leek nog het meest op de beschrijving in de ‘De donkere kamer van Damocles’ van W.F.Hermans. Daarnaast bevatten de verhalen toch ook veel tederheid; de goeden deden soms toch foute dingen, maar ook de fouten deden soms goede dingen.

Voor dat Jan Brokken begon met schrijven, had hij nog geen vastomlijnd plan. Pas na alle research ontstond er een “compleet” beeld. Hij wil de lezer een samenleving tonen. Zo komen er ook meer personen in voor dan de redacteuren van de uitgever eigenlijk wilden. Tweehonderd personen waarvan er twintig worden uitgediept. Volgens de schrijver loont het zich uiteindelijk wel, ondanks alle pijn en verdriet is het verhaal neergezet van gewone mensen onder ongewone omstandigheden. Soms voelde het als advocaat van de duivel, soms ook kwamen de vragen over het nut van al dat gespit in het verleden en al het doorworstelen van stukken en documenten. Wat mij als lezer betreft, het resultaat is indrukwekkend. Het is een ontroerend verhaal over gewone mensen. Mensen die er niet om gevraagd hebben en het ook niet bewust gezocht hebben om onderdeel te worden van een wereldoorlog. Jan Brokken is inmiddels een gelouterde schrijver, die zijn vak uitermate goed verstaat. Wat mij betreft gaat de volgende Libris-Literatuurprijs naar Jan Brokken. Literaire non-fictie doet het goed tegenwoordig. Begrijpelijk volgens Jan Brokken, want we leven in tijden van crisis. In de literatuur is weer meer werkelijkheid gekomen.

Zijn lezing eindigde hij met een mooi statement: “De werkelijkheid is vaak surrealistischer dan dat je het kunt verzinnen.”

verzamelbox met 7 CD’s

Omdat het die 16e april precies 25 jaar was geleden dat de Russische pianist Youri Egorov was gestorven, liet Jan Brokken tot slot het 4e piano kwintet van Brahms horen. Jan Brokken was bevriend geraakt met Egorov, omdat ze vlak bij elkaar op de Brouwersgracht woonden. In zijn boek ‘het huis van de dichter’ heeft Jan Brokken het levensverhaal opgeschreven van deze veel te jong gestorven meesterpianist. Jan Brokken vertelt er eerlijk bij dat Egorov euthanasie pleegde omdat hij door de gevolgen van AIDS doodziek was geworden.  In ‘het huis van de dichter’ geeft Jan Brokken een prachtige inkijk in het leven van eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de vorige eeuw in Amsterdam. Maar ook het boeiende verhaal van een jonge vluchteling die in Rusland doodsbang was te worden verbannen naar Siberië. Een boek wat je tot het eind in zijn greep houdt en dat je nieuwsgierig maakt naar de pianomuziek van Egorov.

Amsterdam is er klaar voor, 29 april

Bij de Stopera staan de NOS-motoren gereed, geen idee waar ze voor nodig zijn. De Amstel-Goldrace is toch al geweest?
Druk op de Dam, de perstribunes staan klaar en een ‘vliegende’ camera scheert langs de blauwe hemel.

 

 

de koningin is aanwezig, een beeld wat je zelden ziet, de koninklijke standaard op het voormalige stadhuis

 

 

 

Een koninklijk putdeksel dat alom aandacht trekt.
Duitse Polizei die met ‘bomhonden’ de huizen rondom de Dam controleert.
De baldakijn van het Paleis naar de Nieuwe Kerk. Aan de zijkanten hangen visnetten, verwijzend naar de terugkomst van de latere koning Willem I uit Engeland en ingehaald door Scheveningse vissers.
Tja… je zult je fiets maar kwijt zijn.
De koninklijke Saan uit Diemen zorgt dat de vliegende camera in de lucht blijft.
Een plastic decor op het Museumplein voor Andre Rieu en veel andere hoempa.
Prins Albert van Monaca komt aan bij het Okura hotel. Hij kan zich nog even opfrissen, om 20.00 uur moet hij voor de asperges in het Rijksmuseum zijn. Hij zwaaide even naar de paparazzi.

 

Sodom en Gomorra

Jaren geleden werd ons wel eens gevraagd waarom we toch perse in Amsterdam wilden blijven wonen en werken. Amsterdam was in de ogen van veel gereformeerden een soort Sodom en Gomorra. Maar ja, Sodom en Gomorra werden uiteindelijk omgekeerd en Amsterdam nog steeds niet. Trouwens er zijn naar mijn idee nog genoeg gerechtvaardigden in de hoofdstad van ons land. Het boekje Sodom en Gomorra, we stappen toch maar even van Amsterdam af, stond al heel lang bij mijn ouders in de kast. Een curiositeit, getypt en gestencild denk ik. Na het verdelen van de erfenis heb ik het in de boekenkast staan bij de afdeling Drenthe. Het is een boeiend verhaal waar met een soort ouderwetse bijbelse taal, het verhaal over een volksgericht wordt verteld. Mevrouw L.Cavaljé-de Boer, de schrijster, wil in dit boekje haar versie en haar kijk op de gebeurtenis vertellen. Negentig jaar geleden waren zij en haar man, hoofd van de openbare lagere school in Stuifzand, het slachtoffer van dat volksgericht.

Prachtige taal gebruikt ze in haar korte werkje. Enkele citaten daarom om dat te verduidelijken.

‘En de niets kwaad vermoedenden, die niets anders beoogden, dan Eva evenals Abel het verblijf te Sodom en Gomorra te veraangenamen, gingen voort met gastvrijheid te bewijzen aan Abel, zoals zij dat aan vele anderen gewend waren en er ontstond vriendschap.’

‘En hij wendde zich tot de geldschieters en de wisselaars, en de stenen die Abel gekocht had werden niet op tijd geleverd wat hem in zijn werk zeer bemoeilijkte.’

‘En tegen de avond was een grote menigte van Sodom naar Gomorra gekomen met allerlei voertuig. En het volk te Sodom had zich verkocht, te doen wat kwaad was. En de trompet heeft getrompet, dat er feest zoude zijn. En in het wijnhuis is men tezamen gekomen en allen, die den sterken drank najagen hebben zich opgemaakt. Er was veel geld gegeven door Dictevale en Adam en Sokke en Speni en vele anderen. En Kaïn had een grote som uitgeloofd, om de familie Cajé te verderven.’

Omkoping en roddel, ingrediënten voor een droevige afloop. Egbert Brink een medewerker van het Drents Archief heeft een uitgebreid onderzoek gedaan naar deze historische gebeurtenis. Toen we een paar weken geleden in Hoogeveen waren voor de begrafenis van mijn tante Kla, vond ik het boek van Brink bij boekhandel Pet aan de Hoofdstraat. Een boeiend beeld krijg je van het Hoogeveense en zijn omgeving zo’n honderd jaar geleden. Veel armoe, maar ook een uitgebreide middenstand en gegoede klasse en overal rond deze veenkolonie ontwikkeling. Een jonge aannemer had de opdracht in de wacht gesleept om een verharde weg van Hoogeveen naar Stuifzand aan te leggen. Daardoor raakt hij bevriend met het schoolhoofd die ook iets te maken had gehad met de aanbesteding.

Het beeld wat ooit Thomas Roosenboom schetste in zijn roman ‘Publieke Werken’ over Hoogeveen, was al eerder fors bekritiseerd. In ‘De zaak Cavaljé’ komt echt wel een ander beeld naar voren. Leerzaam en ook boeiend dus. Voor het boekje van de vrouw van het schoolhoofd hoef je nu niet meer naar stoffige antiquariaten, want het is integraal opgenomen in Brinks boek.

arm kereltje en de nieuwe paus

Vaak denk ik nog met genoegen terug aan de lessen kerkgeschiedenis op de HAVO. Dominee P.K.Keizer doceerde uit zijn eigen boekjes. Boeiend kon hij vertellen over de middeleeuwen en latere spannende episodes uit de geschiedenis van Gods kerk op aarde. Ik vergeet nooit dat hij probeerde duidelijk te maken hoe je voor jezelf de impact van het gedoopt zijn kunt beleven. In die tijd nogal ongewoon. ‘Sluit je ogen en leg je hand op je voorhoofd, bedenk dat ooit iemand daar water op sprenkelde, je doopte in de naam van de Drie-enige’. Maar dat allemaal terzijde.

Aangekomen bij het hoofdstuk ‘bedelorden’, hebben we uitgebreid stil gestaan bij Franciscus van Assisi. Geboren als Giovanni Bernardone (1182-1226) hoorde hij als baldadige jongeman, van zeer goede komaf en driftig er op los levend een preek over Matteüs 10 vers 9 en 10.  “Neem in je beurs geen gouden, zilveren of koperen munten mee, schaf je voor onderweg geen reistas aan, geen extra kleren, geen sandalen en geen stok, want een arbeider is het waard dat er in zijn onderhoud wordt voorzien.” Citaat uit de NBV. Hij bekeerde zich, werd monnik en van hem komen prachtige uitspraken als: “armoede is mijn bruid” en “alle schepselen zijn mijn vrienden”. Hij sprak met de bloemen en preekte ook tot de dieren. Hij deed mee met melaatsenverpleging en was daar zeer emotioneel bij betrokken. De toenmalige paus moest niets van deze asociale figuur hebben, terwijl Franciscus (men noemde hem zo, omdat hij zo vlot Frans sprak) een orde wilde stichten. “Ga maar in een varkenshok”, zei de paus. Franciscus deed dat en kreeg uiteindelijk zijn zin.

Franciscus van Assisi kreeg de bijnaam: Il Poverello, arm kereltje. Prachtig toch dat de nieuwe bisschop van Rome, deze naam kiest. Een prachtige verwijzing naar de stichter van de orde van de Minderbroeders. Dat belooft veel goeds voor de RK kerk. De nieuwe paus zal armoede en veel evangelie gaan preken, dat moet een gereformeerde christen toch aanspreken.

Jacob de Zoet

“De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet”; gelezen voor de leesclub. De titel was al een hele tijd geleden genoemd. Maar het bleek wel een erg dik boek te zijn. Een goede vriend vertelde zijn leeservaring, hij vond het een heel erg goed boek. Dus nog maar eens een promotieverhaaltje gehouden. De laatste leesclub bijeenkomst hebben we er flink over gediscussieerd. Het was in ieder geval een zeer boeiend en heel erg goed geschreven boek vonden de leden van onze leesclub. Toch vonden ook sommigen de ondertoon saai. Zo blijkt maar dat lezen ook steeds een subjectieve kant heeft. Zelf vond ik het verhaal, al waren de hoofdpersonen fictief, zeer spannend en boeiend. Hier en daar heeft het boek zelfs een emotionele ondertoon. Deshima, een kunstmatig eiland bij Nagasaki, was tweehonderd jaar lang een handelspost van de VOC. De Nederlanders hadden het voor elkaar gekregen dat zij alleen handel mochten drijven met Japan. Rond 1800 is het verhaal gesitueerd over Jakob de Zoet. Spannend en meeslepend; Jakob die moet dealen tussen zijn liefje op Walcheren en de intrigerende Japanse vroedvrouw Orito. Zijn verliefdheid op haar is een prachtige rode draad in het boek. Tegelijkertijd krijgen we ook in beeld hoe de VOC er in zijn nadagen voorstond. In sommige hoofdstukken is de sfeer echt Japans, met veel uitspraken die klinken als haiku’s.

De afgelopen maanden zond de NTR een prachtige serie uit over de Gouden Eeuw. In de serie werd onder andere het ontstaan van de VOC in beeld gebracht. Wanneer je dat hebt gezien in het licht van de hele serie, kun je je een beetje voorstellen hoe het er op Deshima toe moet zijn gegaan. Ik heb geen idee of er een goede documentaire over Deshima bestaat, maar “De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet” is een must voor iedereen die iets meer van handeldrijvende Nederlanders wil weten. Het stelt je ook voor vragen. Waar haalden de Nederlanders het lef vandaan? En konden de Nederlanders het wel allemaal rijmen met hun christelijke geloof? Wanneer je daar over gaat filosoferen ben je nog lang niet uitgedacht en uitgepraat. En worden we nog steeds warm van de zo geroemde ‘VOC-mentaliteit’? Nee toch?

Alle uitzendingen van DE GOUDEN EEUW zijn nog op internet te vinden. Een prachtige serie die een bijzonder inzicht geeft in de meest turbulente eeuw die ons vaderland heeft gekend.