‘Een handleiding voor kerkscheuringen’ . Het zou een ondertitel kunnen zijn van het proefschrift van Ab van Langevelde. Met zijn biografie over professor Veenhof verkreeg van Langevelde vorige maand in Kampen een doctorstitel in de theologie. Een goed geschreven levensverhaal, dat blijft boeien tot het eind. Opgegroeid in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, kan ik er maar een beetje over meepraten. Eerder heb ik wel eens geschreven over de Synode van Hoogeveen (1969-70), mijn vader zat toen in de huisvestingscommissie. Die synode, ik was 13, heb ik dus als beginnend puber meegemaakt. In Hoogeveen was er vrijgemaakt kerkelijk zeker sprake van een zijn ‘in het klimaat van het absolute’ (de ondertitel van de dissertatie). Wij hadden in Hoogeveen als predikant dominee Joh. Francke en die wist waar hij het over had. Rond de kwestie van dominee van der Ziel in Groningen, in het biografie over Veenhof komt het uitgebreid aan de orde, liet ook dominee Francke zich niet onbetuigd. Tijdens het grote gebed in een kerkdienst werd deze kwestie uitgebreid bij de Heere gebracht. Daarin klonk natuurlijk een oproep tot bekering door, dominee van der Ziel zat immers fout! Ik zal nooit vergeten dat tijdens zo’n lang gebed een hele familie uit ergernis de bank uit stommelde. Vanuit mij ooghoeken zag ik een klasgenootje meegetrokken worden door zijn vader. Het kan niet anders dan dat deze familie later ‘buitenverband’ werd.
Ik merk dat ik gelijk afdwaal naar het persoonlijke, mijn eigen verhaal. Bij het lezen van deze biografie had ik dat regelmatig. Namen van predikanten waar je gelijk een beeld bij hebt, gebeurtenissen waar je eerder over hebt gelezen. Verschillende keren ook ben ik mijn boekenkast ingedoken en heb ze erbij gepakt. De acta van de eerste vrijgemaakte synode in 1945, verschillende boeken van K. Schilder, maar ook Veenhof bleek in mijn boekenkast te staan. Wanneer je nog eens bladert door “Predik het Woord’, roept dat herinneringen op aan avonden discussiëren op de mannenvereniging, onder het genot van een goede sigaar. Voor de goede verstaander is het nog steeds een leesbaar en boeiend boek, ook kun je het op marktplaats voor €4,- kopen.
De biografie over professor Veenhof is ook een kerkgeschiedenisboek. Dat maakt het dus dubbel boeiend. Het geeft een mooie indruk van het drukke leven van een jonge predikant voor de Tweede Wereldoorlog, midden in het kerkelijk leven. Bevriend met K. Schilder weert Veenhof zich geducht in de steeds heftiger wordende kerkstrijd, die ook in de oorlog gewoon doorgaat. Verzaken is er op dat gebied niet bij. Mooi tekent de schrijver Veenhof, deze wil eigenlijk niets liever dan een wapenstilstand in de kerk, probeert daarom Schilder ook af te remmen. Wachten tot de verschrikkelijke bezetting door de Duitsers achter de rug is. Veenhof zal zich dan ook pas na de oorlog bij de artikel 31-ers voegen. Van Langevelde laat vervolgens goed uitkomen dat na WOII het klimaat in de vrijgemaakte kerk steeds absoluter wordt. Er is alleen maar goed of fout, één ware kerk en alle andere kerken zijn daarmee vals. Op de HAVO leerde ik het zo van de schoonzoon van K. Schilder. Zelfs de Christelijk Gereformeerden waren valse kerk volgens zijn zeggen. Uiteindelijk liep dit hele absolute denken uit op een nieuwe scheuring in de tweede helft van de jaren zestig.
Tijdens het lezen besefte ik dat mijn ouders en vele ouders van generatiegenoten in die sfeer van goed en kwaad, waar en vals zijn opgegroeid. Natuurlijk waren er heel veel broeders en zusters in de kerk die wel wat ‘rekkelijker’ waren, maar de heersende stroming was duidelijk. Mijn ouders lazen naast het Gereformeerd Gezinsblad ook de Reformatie, beter was er niet. Het leert dus ook veel over hoe we in onze opvoeding zijn beïnvloed en daar uiteindelijk ook weer op reageren. Daarmee heeft van Langevelde een prachtige spiegel gemaakt. Een spiegel die je het verleden op een rustige manier voorhoudt. Fouten over en weer, er wordt niet over gezwegen. Menselijke zwakheden zijn er in het verhaal te over. Maar het laat ook heel eerlijk de drijfveren zien van onze ouders en grootouders. En steeds weer met een beroep op Gods Woord en daarmee op Zijn Waarheid. Het kan haast niet anders dan dat je dit levensverhaal leert relativeren. Waarom je zo druk maken over al die verschillen en strijdpunten, die wanneer je jaren later terugkijkt, gewoon het ruziemaken niet waard zijn. Bergen blijken opeens kiezelstenen te zijn.
ds. Joh. Francke 1908-1990 foto uit ‘Er staat geschreven… Er is geschied’ met als onderschrift: ‘Mag wat kan?’
Een forse aanbeveling dus om te gaan lezen. Lees het verhaal over Veenhof en daarmee het verhaal van een vorige generatie, maar wel een generatie waar wij uit geboren zijn. Misschien kunnen we er wat van leren. Helaas zijn er nog steeds duizenden gereformeerden die zich als maar vastbijten in stelligheden en mijns inziens vergeten dat onze Heiland Jezus omkeek naar hoeren en tollenaars en de Farizeeën veroordeelde vanwege hun wetticisme. En pas op, voor je weet zit je in je eigen denkraam en denk je het beter te weten dan die ‘strenge’ broeders en zusters. De dominee van mijn jeugd was een diehard zei men weleens. Tegelijkertijd was hij een diepgelovig man die naar eer en geweten streed voor Gods eer. Dat laatste vergeten we dan vaak snel. Ondanks al het absolute waren het gelovige mensen die geestelijk met elkaar op de vuist gingen. Achteraf had dat anders gekund en gemoeten. Een mooie opdracht om het absolute achter ons te laten en eenheid te zoeken met zo veel broeders en zusters die ook willen leven van genade.
Van mijn oudste dochter kreeg ik ‘Een kleine wereld’ van Marga Kool te lezen. Ooit kocht ik van Marga Kool een bundel gedichten in het Drents, met daarin prachtige zinnen als:
“God, geef de zunne An de luu Die leeft in vreeze Veur menaar Veur oen aangezicht”
(de laatste strofe van: God zien folklore)
In Kools roman ‘Een kleine wereld’ brengt ze min of meer autobiografisch haar jeugd tot leven. Wanneer jezelf bent opgegroeid op het Drentse platteland is het een mooie kroniek, die ook je eigen verleden tot leven brengt. Raak typeert Kool de mensen, hun gewoontes en de eenvoudigheid, maar ook de schoonheid van het boerenbestaan en het dorpsleven van 50, 60 jaar geleden. De eendracht en burenhulp doet weldadig aan, maar tegelijkertijd is er ook de benepenheid en roddel. Openheid van mensen, het omgaan met elkaar in een veranderende cultuur, Margo Kool heeft het mooi neergezet. Hier en daar wordt het soms wel te gladjes en te gezocht. Het boek is een roman, maar wel heel dicht denk ik bij het leven van de schrijfster zelf. Wat mij betreft had ze er ook met haar prachtige schrijfstijl een non-fictie verhaal van kunnen maken. De dichtegels van hierboven zeggen ook wel iets over de mensen in het boek. Tegelijkertijd zijn deze regels nog steeds actueel; ze passen ook op de angst voor alles wat vreemd is en van buiten onze kleine wereld binnenkomt. Gelukkig schrijft Marga Kool met eerbied en ook respect over het geloof van de vader en de moeder in dit verhaal. Deze mensen zijn echt; eenvoudig christelijk.
Dat laatste kwam ik ook tegen in het boeiende verhaal over meester Frantz Schmidt. Meester Frantz was jarenlang beul in de Duitse stad Neurenberg aan het begin van de 17e eeuw. Zijn graf is te vinden op dezelfde begraafplaats als waar de beroemde componist Johann Pachelbel begraven ligt. Omdat meester Frantz een zeer nauwkeurig dagboek/verslag bij hield over zijn werk is er over deze beul veel meer bekend dan over zijn beroepsgenoten. Waarschijnlijk was het beroep beul min of meer aan het uitsterven, dat maakt het verhaal over hem extra boeiend. Een paar jaar geleden las ik een boeiende recensie in het ND over het boek van Joel Harrington. Nu zag ik voor nog geen 10 euro in de ramsj. Een koopje dus! Het is een heel boeiend verhaal, waarin je de beul echt leert kenen. Bijzonder is dat Frantz en zijn familie Luthers zijn en door alles te merken dat hij een vroom soort rechtvaardigheid bezit. Ook al was hij kind van zijn tijd, het was beslist geen wrede gewetenloze middeleeuwer. Frantz was kerkganger, kende Jezus en hield daar rekening mee in zijn werk. Wel bijzonder dat het verhaal over Frantz uit Neurenberg komt. Neurenberg was
het graf van meester Frantz op het Rochusfriedhof in Neurenberg
in de vorige eeuw het toneel van de nationaalsocialistische ‘partijdagen’ van de nazipartij, maar na WOII ook van de processen tegen de Nazikopstukken. De toen 10 veroordeelden werden door ophanging ter dood gebracht. Opnieuw moest een beul zijn werk doen. De vonnissen werden voltrokken door sergeant John C. Woods (deze beul voltrok 347 vonnissen in 15 jaar). Meester Frantz kwam tot 394 doodvonnissen in 50 jaar en heeft daarnaast nog vele lijfstraffen uitgevoerd. Woods elektrocuteerde zichzelf tijdens een reparatie van een hoogspanningskabel. Meester Frantz stierf 80 jaar oud als een eerzaam burger, die beul was geweest, maar ook genezer. Wanneer je zijn ‘levensverhaal’ leest houdt dat ons ook een spiegel voor. Het zet je aan het denken over het nut van lange gevangenisstraffen, de (on)rechtvaardigheid van de doodstraf en dat in relatie tot het christelijk geloof. Daarnaast worden er in onze tijd nog steeds mensen onthoofd. Een leerzaam boek voor een kleine prijs, dat ook aanzette tot verder snuffelen op internet.
Reinier Sonneveld vergeleek het met het verhaal van de bloemetjes en de bijtjes. Eerst doe je dat bij jonge kinderen ook heel simpel en naarmate ze groter worden zul je meer en meer moeten vertellen. En dat laatste is beslist niet gemakkelijk voegde hij er aan toe, maar je kunt het niet achterwege laten. Zo is het ook met het vertellen aan je kinderen (dus ook leerlingen op een basisschool) over de schepping van hemel aarde door onze goede God.
In Amersfoort werd in de aula van de Evangelische Hogeschool uitgebreid stilgestaan bij het verschijnen van het nieuwste boek van kinderschrijfster Corien Oranje. Samen met Cees Dekker (nanobioloog en hoogleraar aan de TU in Delft) heeft Corien Oranje een meeslepend jeugdboek geschreven over topnerd Tycho. Tycho wil meer weten over de oorsprong van het leven en alles wat daar mee te maken heeft. Dus gaat het over dyno’s en planeten en nog veel meer. En natuurlijk komt op de eerste pagina’s al een soort oerknal voorbij. Bij de speurtocht die Tycho onderneemt gebeurt van alles, maar ontdekt hij dat het verhaal van de eeuwige God en hemelse Vader te combineren valt met een oerknal en de wetenschap die zegt dat de bewijzen van evolutie niet te ontkennen zijn.
Bij dat laatste gedeelte komt dan Cees Dekker om de hoek, hij heeft met de kinderboekenschrijfster meegedacht en meegeschreven. Hij zat ook in het forum om mee te discussiëren over ‘hoe we het onze kinderen moeten vertellen’. Te vaak heeft deze christen-wetenschapper meegemaakt dat studenten afhaakten omdat het geloof uit hun jeugd niet opgewassen bleek tegen alle wetenschappelijke feiten. Volgens Dekker is dat niet nodig. En daarom een boek wat jonge kinderen al meeneemt op de grote ontdekkingsreis van de wetenschap. De generatie die nu opgroeit en een ontzaglijke hoeveelheid informatie op internet kan vinden, heeft antwoorden nodig.
In de verschillende bijdragen kwamen mooie inzichten naar voren.
• God heeft in het Woord geen wetenschappelijke verhandeling aan ons overgeleverd in Genesis 1 t/m 11. Maar in het Woord wordt buitengewoon duidelijk dat God de oorsprong is, schepper van hemel en aarde. Je moet God vertrouwen en je kunt hem niet in alles narekenen. En we kunnen nog wel eens versteld staan, als we later in de hemel zijn. Verketter elkaar dus niet met je ideeën overschepping, evolutie of creationisme; christenen zijn elkaar immers gegeven om elkaar te verheffen!
• Theologe Janneke Burger gaf 5 regels voor omgaan met kinderen die verder denken en vragen stellen bij bijbelse feiten. Ik geef ze door want ze zijn in school ook zeker hanteerbaar;
o In boeken over dino’s staat heel veel, maar ook heel veel niet. Over God kom je meestal niets tegen, dus dat moet je je kinderen wel vertellen! o God draagt de wereld en dat is echt het belangrijkste, o We weten ook heel veel niet! o Lees de Bijbel letterlijk waarbij je steeds goed kijkt naar de bedoeling van de teksten die je leest. o Laat je kinderen onbekommerd leren en onderzoeken in en over Gods schepping en onder de indruk komen van wie Hij is!
Vooral die vijf punten, waarbij misschien nog best meer kanttekeningen kunt plaatsen hebben we ook in ons onderwijs nodig. Leef niet met dichtgeknepen handen, maar met open handen, voegde de theologe er nog aan toe.
Een paar weken vakantie in Frankrijk geeft weer een heel andere kijk op het leven. Lekker lezen, genieten van een openluchtconcert en prachtige uitzichten over landschappen met groene akkers en paarse lavendelvelden met tussendoor gele akkers met kamille. En elke ochtend een croissantje bij je ontbijt, heerlijk! We zijn dus heerlijk tot rust gekomen. Vooraf had ik nog even gegoogeld of er ergens een gereformeerde kerk in de buurt zou zijn. Het is altijd weer mooi om broers en zussen in het geloof de hand te kunnen schudden, ook al kun je het Frans niet echt goed volgen. Helaas zijn de websites van die kerken er helemaal niet of niet toereikend. Uiteindelijk zou er in Apt wel een gereformeerde kerk moeten zijn. Gelukkig stond bij ons aan het dorps/stadplein van Reillanne zo’n mooie lelijke dorpskerk die al heel oud is.
Zhongnai: ‘Provence’
De eerste zondag was daar gelukkig een dienst om half elf. Elke keer sta je dan verbaasd over hoe veel mensen er dan weer binnenwandelen en aandachtig luisteren en ook meezingen. Meneer pastoor, ver in de zeventig denk ik, hield een bezielende preek over de uitzending van de discipelen van Jezus. Je raakt er toch steeds weer van onder de indruk. Ons idee is vaak dat Frankrijk toch echt geen christelijk land meer is, maar zo’n gemeenschap in de Provence laat het tegenovergestelde zien. Toen we een week later in Cereste naar de kerk gingen was dezelfde meneer pastoor weer van de partij. Ook nu weer een bevlogen preek en ernstig luisterende toehoorders. En wat wij nuchtere Hollanders al lang niet meer doen, zie je daar echt gebeuren; vaders en moeders op de knieën met hun kinderen. Ik raak dan onder de
de RK kerk in Nolay – Bourgogne
indruk van mensen die het eenvoudige christelijke leven blijkbaar handen en voeten weten te geven. Helaas zaten in Cereste een aantal kerkbanken onder de houtworm. De koster zal er niet aan toe gekomen zijn om nog een wekelijkse schoonmaak te houden en vanuit het bisdom zal wel geen geld zijn om het vermolmingsproces te stoppen. Wanneer het maar niet spreekwoordelijk wordt voor de Franse kerken. De laatste zondag waren we in Nolay aan de rand van de Bourgognestreek. Ook hier weer een groot aantal kerkgangers die de uit Afrika afkomstige meneer pastoor een vurige preek hoorden afsteken. En na afloop alle bezoekers een hand met een “bonne dimanche”. En, dat is ook Frankrijk, meneer de kapelaan die even later in korte broek richting de bakker gaat.
Op VIAA is door de medewerkers een mooi filmpje gemaakt wat ook op site van www.bijbelonderwijs.nl komt. Het laat mooi zien wat Pauline Buit, ondergetekende en de laatste maanden ook Vrouwke Klapwijk, hebben gemaakt. Een geweldige update!
“En daar is dan het boek dat ik zelf had willen schrijven. Nu ja, een boek met een thema waarover ik zelf had willen kunnen schrijven. “ Zo begint de bespreking van ‘Donderdagmiddagdochter’ van Elizabeth Kooman in LITER (christelijk literair tijdschrift) december 2013. De recensie van Kooman laat zien waar het boekje van 155 pagina’s zo sterk in is en ook dat het literair zich kan meten met de vele andere literatuur die niets met het christelijke te maken wil hebben. De stijl waarin Stevo Akkerman schrijft is boeiend, zakelijk, registrerend, maar komt ook heel erg dichtbij. In een interview in het ND geeft de schrijver duidelijk toe, dat het boek over een zoektocht naar zichzelf gaat. Wie ben ik, waar kom ik vandaan en wat heeft gemaakt dat ik ben, wie ik ben. Opgegroeid in de gereformeerd kerk, schrijft Stevo Akkerman uitgebreid over zijn jeugd en opvoeding.
Stevo Akkerman in het ND van 4.10.2013 (foto Rufus de Vries)
Het opgroeien binnen die kerk lijkt bepalend voor de rest van zijn leven. Wanneer dochtertje Evy Elise na de geboorte overlijdt omdat ze geen nieren heeft, zet dat zijn leven en ook dat van zijn vrouw op z’n kop. Mede daarom gaat hij op zoek naar zijn geschiedenis en wat voor invloed dat heeft op zijn omgaan met verlies. Akkerman beschrijft dat vervolgens op een bijzonder eerlijke en vaak ook ontroerende manier, waarin hij zeker zichzelf niet spaart.
Wat Stevo Akkerman schrijft over zijn opvoeding en kerkelijke cultuur waarin hij opgroeit, is naar mijn idee zeer herkenbaar voor verschillende generaties gereformeerd-vrijgemaakten. In meerdere of mindere mate kunnen zij het zo aanvullen met verhalen uit de jaren zestig en zeventig en tachtig. Ik herken veel uit mijn eigen verleden en toen ik mijn schoonfamilie leerde kennen, leerde ik het zelfs het kwadraat van gereformeerd zijn kennen. Ik herken het ook uit de verhalen die we uitwisselden op het lyceum in Groningen, daaruit kwam hetzelfde beeld naar voren. Voor velen uit mijn generatie is het dus een herkenbaar verhaal en datzelfde geldt denk ik ook voor veel veertigers en misschien ook nog wel dertigers. Door het lezen en herlezen wordt je geconfronteerd met je verleden en ook hoe je dat vandaag vorm geeft. Wat was dat bij mijn ouders? Waarom deden ze, zoals ze deden? Ik weet zeker dat er veel geloof was, binnengehouden geloof weliswaar, maar veel geloof. Vaak leek het hart niet aan bod te komen. Alles was gegoten in duidelijke afspraken en regels, keurig verstandelijk beredeneerd. Dat maakte het kerkelijk leven overzichtelijk en ook gemakkelijk. Wanneer er van de regels werd afgeweken, werd dat daardoor ook gelijk onderwerp van discussie en soms nog weer stelliger stellingnames. En wat Gezinsblad en Reformatie vervolgens zeiden, was dan de ultieme waarheid. Bij jonge mensen heeft dat veel angst gegeven. De alomtegenwoordige God, die alles ziet, weet je altijd te vinden. Doe ik het goed? Kan ik het verantwoorden? Kerkelijke regels werden gelijkgesteld met Gods regels.
Door wat voor oorzaken ook, de cultuur in de kerk is inmiddels totaal verandert. Voor veel kerkmensen maakt het dat ingewikkeld. Begrijpelijk, maar het moet ook aan het denken zetten. Niet alleen maar terugdenken aan de jaren in de tweede helft van de vorige eeuw als groots en geweldig. De muren om onze denominatie waren, denk ik, veel te hoog en de ramen veel te vaak potdicht. Daarmee wil ik niets afdoen aan wat kerken hebben laten zien van wat Christus kan beteken in het leven van mensen. ‘Donderdagmiddagdochter’ laat ons in ieder geval in de spiegel kijken. Hoe je het ook wend of keert, je kunt dan niet wegkijken.
Heel veel mensen die opgegroeid zijn in de GKV hebben die kerk inmiddels verlaten. Soms omdat ze het geloof totaal zijn ‘kwijtgeraakt’. Maar ook zijn velen vertrokken naar kerken en gemeenschappen, waar naar hun gevoel geloven met hoofd en hart veel meer in evenwicht is dan binnen de GKV. Heel veel broeders en zusters prikten door de buitenkant heen en zeiden letterlijk gedag. En de kerk zei soms ook maar gewoon ‘dag hoor….’ terug. Verlegen en zich vaak niet bewust van wat de gevolgen zijn van een alleen maar uiterlijk christelijk geloof.
In de bundel VRIJGEMAAKT (zie ‘dag heur 1….’) is dat naar mijn idee ook een terugkerend thema. Als kerken zijn we zo verschrikkelijk veranderd, dat we al vergeten zijn waar het fout ging. Juist van die fouten zouden we moeten willen leren. Niet de ogen sluiten en alleen maar restaureren. In gesprek gaan, er over schrijven, fouten durven toegeven en nog meer in woorden en daden echt discipel van Jezus Christus willen zijn. En wanneer dat betekent dat iemand alleen maar stil op de achterste rij in de kerk wil zitten, mooi!
Ik hoop dat de schrijver Stevo Akkerman opnieuw de rust vind om een boek te schrijven. Wat mij betreft mag dat best over de Vrijmaking gaan.
PS In het ND werd melding gemaakt van een discussieavond (29.01) tussen vader en zoon Voorberg. Via een live stream kon je volgen wat er in het gebouw van de GKV van Rouveen plaatsvond. Aangezien Rikko Voorberg mede door onze OPK in Amsterdam-Oost betaald wordt is het interessant om zo iets te volgen. Helaas heb ik de echte discussie niet meer gevolgd, want het was slaapverwekkend om alsmaar naar een een grote groep koffiedrinkende broeders en zusters te zitten kijken. Wel grappig dat je dan opeens de maker van ‘Hemelbestormers’ door het beeld ziet schuiven. In het beeld dat vader en zoon oproepen zit heel veel wat herkenbaar is. Een begin zestiger en een dertiger geven aan waar het volgens hen om wringt in de kerk. In het ND-verslag stond gelukkig ook een verslag van de discussie. Daar kwamen de relevante vragen naar voren. Waar blijven onze jongeren? Lopen de kerken niet leeg? Hoe leef je als christen zo dat anderen er door aan getrokken worden? Rikko deed een prachtig voorstel: meld de GKV van Rouveen bij het gemeentebestuur aan als vrijwilliger! Ik besef ook wel dat eenvoudige en gemakkelijke antwoorden op de gestelde vragen niet bestaan. Maar zowel popup-kerk als gezinnetjeskerk zullen iedere keer weer moeten bedenken en in praktijk brengen, wat het is om dagelijks wedergeboren te worden en Jezus te volgen. Daarnaast hoop ik dat deze interne vrijgemaakte discussies er voor zullen zorgen dat we samen met heel veel andere kerken (denominaties) gaan uitstralen wie de Zoon van God is in het leven van christenen.
Het IDFA is weer voorbij. De prijzen zijn verdeeld en wat blijft is een serie prachtige documentaires. En gelukkig is er NPO-doc, zodat er regelmatig van al dat geweldigs te genieten valt. Nu is de ene documentaire de andere niet. Mijn zoon en ik waren in ieder geval zeer onder de indruk van de nieuwe Geertjan Lassche. Het was niet de eerste keer dat een film van hem was te zien op het IDFA. Ik hoop dat er nog vele zullen volgen.
‘Hemelbestormers’ is het verhaal over stoere mannen die een top van de Himalaya willen bedwingen. Een wel heel bijzondere tak van sport en ook nog een hele dure. Lassche heeft het allemaal vastgelegd en daarbij trefzeker vastgelegd wat de drijfveren van deze mensen zijn. De documentairemaker is ook nu weer op zoek naar de psychologie van de mens. Wat zijn drijfveren, hoe toont zich leiderschap en wat er gebeurt onder extreme omstandigheden? Het vastleggen van emoties, het wordt niet geschuwd. Een prachtig document, met ook geweldige beelden van het hooggebergte. Het vertonen van zo’n documentaire in de bioscoopzaal geeft ook nog eens een extra dimensie.
Willem Jan Otten zou in de film van Lassche zeker ‘rite de passages’ hebben ontdekt. Met in het achterhoofd een aantal films die Otten een paar jaar geleden in de Balie begeleidde, waarvan ik meerdere heb gezien. Ik heb trouwens geen idee of Otten wel naar documentaires kijkt. In zijn nieuwe bundel ‘Droomportaal’ gaan zijn essays, wanneer ze over film gaan, steeds over fictie. In de zijn kenmerkende stijl vertelt Otten wat films met hem doen. Wat ze in hem oproepen aan gedachten en waar ze raken aan literatuur en motieven in veel literatuur. Een mooie verzameling essays, die trouwens niet alleen over film gaan. Zijn jeugd en zijn moeder koen ook regelmatig aan de orde. Een hoogtepunt vind ik persoonlijk het laatste essay. Dat essay sprak Otten uit bij het ontvangen van de P.C.Hooftprijs. Hierin schuwt Otten niet, de randen van ons menselijk denken op te zoeken en tegelijkertijd aan te geven dat het geloof in een God, die aan het begin van alles staat, onontkoombaar is. Een prachtige bundel, die doet uitzien naar de roman waar Otten mee bezig is.
De film van Geertjan Lassche wordt dit seizoen nog uitgezonden door de EO, de werkgever van Lassche. De bundel van Otten is natuurlijk te koop bij de betere boekhandel.
Deze weken draait er een geweldige film in de bioscopen. Leviathan van een Russische filmmaker met een onuitspreekbare naam toont het Russische leven in al zijn naaktheid. Onrecht, drankmisbruik, overspel en een corrupte overheid en kerk; het komt allemaal voorbij. Bijzonder is dat bij het begin al wordt getoond dat de film mede gesponsord is door door Russische culturele instanties. We zien zelfs Poetin op portret voorbijkomen, terwijl het in eerste echt een aanklacht is tegen de staat Rusland. Maar vervolgens graaft de film dieper en stelt de kijker de vraag, hoe hij zelf omgaat met lijden. De film heet niet voor niets Leviathan. Elke bijbelkennner herkent gelijk het beest uit het bijbelboek Job. In de BV vinden we hem in hoofdstuk 3.8 en 40.20. In de laatste tekst echter weg vertaald als krokodil. In de BGT is de leviatan helaas niet meer terug te vinden. De BGT heeft in tovenaar in 3.8 opgevoerd, nou was dat maar zo. Dan was het in de film wel anders afgelopen. Een boeiende film, die christen en niet-christen aan het denken zet over het centrale thema van het boek Job: lijden.
Ondertussen ligt in de christelijke boekhandel, tegelijk met het verschijnen van Leviathan in de bioscoop, een nieuw boek van de New Yorkse predikant Tim Keller. Uitgeverij Wever in Franeker heeft een nieuwe kaskraker in huis denk ik. Een boek dat net als Leviathan over lijden gaat. Keller beweert dat lijden niemand overslaat. Hoe gelukkig je ook voelt op dit moment, hoe mooi en goed je alles op de rit hebt, op een dag zul je er mee te maken krijgen. Keller hanteert een brede benadering en zet lijden in een breed bijbels perspectief. Een troostvol boek. Opnieuw een aanrader vanuit Franeker/New York.
Het jaar 1969, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt stonden in brand. De voormalige synagoge in Hoogeveen waar we zondags kerkten was doordeweeks maandenlang het strijdtoneel van de geachte afgevaardigden. De strijd over afvaardiging A en B uit Noord-Holland laaide hoog op. Ds. C.J. Breen uit Katwijk zal zich over deze kwestie zeker niet onbetuigd hebben gelaten. Maar als beginnende puber hield ik me daar niet mee bezig. Wel heb ik met verbazing zo nu en dan gekeken naar die vreemde dominee uit West-Nederland die bij ons logeerde. Onze moeder maakte speciaal ontbijt voor hem en ongetwijfeld gebruikte hij dan zijn witte zakdoek als servet. Voor ons Hollandsevelders die thuis altijd Drents met elkaar spraken was de logerende dominee met zijn deftige spraak een bijzondere verschijning.
Bijna tien jaar later begon ik als schoolmeester op de dr. M.B. van ’t Veerschool in Amsterdam . Nooit zal ik mijn eerste verjaardag als leerkracht vergeten. Even na de kleine pauze kwam de afgevaardigde van het bestuur op bezoek in de klas en de leerlingen van klas 4 luisterden ademloos mee naar de feestelijke toespraak van ds. Breen. Namens het bestuur bood hij een doos sigaren aan en eindigde met een krachtige uithaal op mijn initialen; Roemrucht, Jeugdig en Welvarend, het klonk bijna profetisch. Met een deftig: ‘dag heur’ en een kenmerkend majesteitelijke gebaar trok hij de deur achter zich dicht. Achter in de klas imiteerde een leerling zachtjes het ‘dag heur’. Later werd het bij sommige leerlingen een staande uitdrukking.
Ds. Breen was in 1970, na alle kerkelijke verwikkelingen en scheuringen door de ‘binnenverbanders’ naar zijn geboortestad Amsterdam gehaald. Je zou dat haast letterlijk kunnen nemen, want ds. Breen reed geen auto. Het verhaal ging dat zijn medestudenten, toen hij in Kampen theologie studeerde, hem min of meer hebben leren fietsen. Een rijbewijs heeft er blijkbaar nooit ingezeten. Al snel zat de predikant in het bestuur van de Amsterdamse gereformeerde lagere school. Trouw bezocht hij de bestuursvergaderingen en liet zijn invloed gelden. Toen al zijn termijnen in het bestuur voorbij waren, werd hij gevraagd adviserend bestuurslid te worden. Op die manier was hij toch betrokken. Toen hij ergens halverwege de jaren tachtig op een maandagavond vanuit Slotermeer huiswaarts keerde met de tram, sukkelde hij langzaam in slaap. Het was waarschijnlijk weer erg laat geworden. Achter het paleis op de Dam schrok hij wakker en stapte snel uit om over te stappen. Enkele onverlaten hebben hem toen beroofd, waarbij hij, inmiddels weer alert, niet alles wat hij bij zich had, afgaf. Toch heeft dit voorval hem later behoorlijk parten gespeeld. Waarschijnlijk meer dan hij zelf liet blijken.
Inmiddels woonden we sinds 1980 als gezin Amsterdam. Zo kregen we in de Oosterparkkerk te maken met deze markante voorganger. Altijd uit het hoofd prekend, met alleen wat krabbels op een giro-envelop. Een dominee ook met meerdere gezichten leek het wel. Vaak geen tegenspraak duldend van de kerkganger en zijn stellige meningen als zijnde Gods Woord van de kansel verkondigend. In een preek beweerde hij letterlijk dat wanneer je je kind niet zo snel als mogelijk was liet dopen (de vroegdoop), de doop dan minder waard was. In mijn jeugdige overmoed probeerde ik daarover in zijn studeerkamer met hem de discussie aan te gaan, helaas tevergeefs. Zoals hij het gezegd had, had ik het niet moeten opvatten.
Zo ‘omstreden’ als ds. Breen in die tijd bij sommige gemeenteleden was, zo geliefd was hij bij veel broeders en zusters buiten de gemeente. Wanneer kerkleden van de GKv ergens uit Nederland in een Amsterdams ziekenhuis terechtkwamen, was ds. Breen een trouwe bezoeker. En ook bij genabuurde kleine gemeentes zonder predikant, was de Amsterdamse dominee een geziene gast. Dat zorgde er trouwens ook voor dat de ochtenddiensten, die lange tijd om kwart over negen begonnen, niet eindeloos gerekt werden. Immers om half elf stond er meestal een broeder uit Krommenie, Halfweg of Hoofddorp voor de kerk in zijn auto te wachten.
Ds. Breen had een scherp oog voor kerkelijke zaken, maar ook een liefdevol en groot hart voor zijn Heiland, Jezus Christus. Soms een scherpslijper, maar dan opeens weer ruimdenkend. Bij een discussie in de kerkenraad over het wel of niet mogen fotograferen tijdens een ‘huwelijksdienst’ gaf zijn argumentatie de doorslag. ‘Stel je voor’, zei ds. Breen, ‘dat later het betreffende echtpaar in een huwelijkscrisis komt en één van de echtelieden bladert nog eens door de bruidsreportage, dan komt hij of zij ook de foto tegen van de kerkelijke plechtigheid en komt hopelijk in gedachten dat ze ooit voor Gods aangezicht elkaar trouw hebben beloofd.’ En daarmee was het natuurlijk einde discussie. Toen een oudere broeder met Telderiaanse ideeën overleed, zei ds. Breen in het gebed: ‘En nu zal hij weten dat hij ongelijk heeft gehad!’. Soms dus heel breed denkend en even later ook weer hard oordelend en antithetisch. Achteraf heb ik me wel eens afgevraagd hoe vaak moet ds. Breen zich onbegrepen hebben gevoeld?
de Oosterparkkerk vastgelegd door Daan van Driel
In het vorig jaar verschenen boek ‘De tekenaar’, waarin dagboekaantekeningen van Daan van Driel zijn gebundeld, komen we ds. Breen regelmatig tegen. Dat begint al in 1949 wanneer reclametekenaar en kunstenaar van Driel bij mevrouw B en haar zoon op huisbezoek gaat. Die zoon is kandidaat dominee en een van de leidende figuren van de nieuwe, vrijgemaakt gereformeerde kiesvereniging: “Ik zal mijn stembiljet blanco laten, aangezien niemand van de AR-kandidaten (Antirevolutionaire Partij; later opgegaan in het CDA) in onze stad de vrijgemaakte kerk erkent. Deze leiders kunnen we ook in de politiek niet meer vertrouwen.” ‘Ik heb mijn twijfels’, is dan het droge commentaar van broeder van Driel. (pg 97) In 1974 geeft br. Van Driel een prachtige schets over de preektrant van ds. Breen: ‘We hebben nu een versterker op de kansel die het geluid van de menselijke stem tot in alle hoeken en met alle nuances in ons kerkgebouw kan overbrengen. De stem van de kansel had een volume dat Het Woord overstemde. Die stem dreigde de nieuwe versterker stuk te spreken. Soms had ik de neiging om de vloedgolf van woorden af te dammen door mijn oren dicht te stoppen. “Moet dit nu zo hevig dominee?” Van begin tot eind uit hij op bijna overslaande sterkte zijn volzinnen en dat over een tere zaak als het gebed.’ (einde citaat) In 1979 preekt de dominee zo stevig over de kerk dat van Driel er beroerd van wordt. Hij wil graag in gesprek met de voorganger, want de toon is fortissimo hoog en met kracht worden de volzinnen uitgesproken en er is geen speld tussen te krijgen. Geen ruimte om even stil te staan. ‘Na het ‘amen’ ben je geestelijk murw geslagen. Van Driel wil graag uiting geven aan zijn gevoel, maar ‘de prediker heeft al een dampende, verse sigaar aangestoken en oogt te massief om eraan te gaan peuteren met mijn onbestemde bezwaren.’ In 1985 schrijft van Driel over het fulmineren van de dominee tegen de machtspositie van de paus van Rome. ‘Het werd met veel vuur en verve gebracht. Dat stelde me voor vragen, lastige vragen. Vragen die helaas in de hele preek niet in aanmerking kwamen voor antwoord of zelfs maar gesteld werden. Ook maar de kleinste speld was er niet tussen te krijgen, laat staan de twijfelvraag of dit nu allemaal wel zo was.’
Boeiend in deze fragmenten vind ik dat een oudere broeder, in 1985 is van Driel 76 jaar, zich niet meer neerlegt bij de aloude stelligheden die ds. Breen verkondigt. Hij verwoorde daarmee het gevoel van meer hoorders. Terugkijkend heeft die stelligheid in de prediking, broeders en zusters verwijderd van de kerk. Algemeen bekend was dat het op kerkenraadsvergaderingen flink te keer kon gaan. Daarmee leg ik niet één op één de directe schuld bij de predikant. Het heeft ook alles te maken met de toenmalige sfeer in de vrijgemaakte kerken; gesloten, stevige standpunten en de ramen dicht. Gelukkig kan dezelfde broeder van Driel ook de andere kant zien. Want in 1986 is hij uitgesproken lovend over de oudejaarspreek van dominee Breen. Deze behandelde de laatste zondag van de Heidelbergse Catechismus, die over de laatste bede in het Onze Vader gaat. ‘En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’ Die preek was volgens van Driel: rijk, verrassend en vertroostend.
In één van mijn oude agenda’s kan ik terugvinden dat ds. Breen op vrijdag 8 december 1989 feestelijk afscheid nam van onze gemeente, de Oosterparkkerk. Regelmatig keerde hij vanuit Drachten nog terug naar de hoofdstad des lands. Om te preken, maar ook om de novieten van Petrus Plancius aan het begin van hun studie in te wijden in het ‘wereldse Sodom en Gomorra’. Voor Plancianen een onvergetelijke gebeurtenis. Zo kregen ze in de Oude Kerk, midden in de buurt van lichte zeden, een uitgebreide uiteenzetting over de Alteratie op 26 mei 1578. Ds. Breen had dan inmiddels al lang in de smiezen wie wie was van de nieuwe lichting studenten. Wie hij ‘gedeupt’ had, welke vaders en moeders hij ‘gedeupt’ had en wie er belijdenis des geloofs bij hem hadden afgelegd. In september 2013 heeft ds. Breen dit bij mijn weten voor het laatst gedaan. Bij de dies was hij natuurlijk vertegenwoordigd en logeerde dan bij een van de bestuursleden, die dan wel op de grond ging slapen.
Wanneer ds. Breen iets kon gedenken, dan gebeurde dat ook. Augustus 1993 vierde hij zijn 40-jarig huwelijks en ambtsjubileum. Natuurlijk moest dat in de Oosterparkkerk gevierd worden. Vanuit het oude-testament werd de gemeente weer meegevoerd naar nieuwtestamentische vergezichten. Het thema van de preek was: ‘Met betrekking tot de toekomst wijst de HEERE op zijn werk in het verleden!’ Via Ezechiël naar Jacobus 5. Breed werden termen als: ‘lijden tot zijn verheerlijking’, ‘lijden tot zijn volharding’ en ‘het vleesgeworden Woord’ uitgepakt. In de middagpreek kreeg professor dr. C. Graafland (orthodox-reformatorische theoloog) een flinke draai om de oren, omdat deze had gebeden en was voorgegaan op een bijeenkomst van het Gereformeerd Appèl. Gelukkig had ds. Breen in de ochtenddienst gebeden voor eenheid onder gereformeerde belijders.
Toch verandert in deze jaren ds. Breen. Wanneer de Reformanda-groep rond ds. Van Gurp zich losmaakt van de GKv verheft ds. Breen openlijk zijn stem. De kerk is hem te lief om weer af te scheiden. Dit is niet wat hij als trouw volgeling van K. Schilder geleerd heeft. Daarom verzet hij zich tegen het sektarisme en legt zijn schrijverschap in Reformanda neer. De keren dat hij nog preekte in de Oosterparkkerk was er ook geleidelijk meer mildheid te proeven in zijn preken. Een mooi voorbeeld daarvan ervoer ik zelf, toen we in 2006 de naam van de dr. M.B. van ’t Veerschool gingen veranderen. Toen het plan bekend werd, kregen we een schrijven dat herinnerde hij aan de grote inzet van dr. M.B. van ’t Veer voor de kerk. De jonge Breen had vaak onder zijn gehoor gezeten. Maar een jaar later kon hij ook begrip opbrengen voor veranderingen, ook binnen de door hem zo geliefde basisschool. Binnen een dag had hij al een van de kinderen van dr. Van ’t Veer getraceerd. Hij kwam spreken op de dag dat we het nieuwe naambord zouden onthullen. En bij het VEER van Veerkracht wees hij op het werk van dr. M.B. van ’t Veer en bij KRACHT op Gods Woord dat steeds weer centraal moet staan, daar haal je je kracht immers vandaan. En vervolgens bad hij samen met voorgangers uit verschillende kerkelijke gemeenten voor het personeel, de ouders en de leerlingen van de school.
In de zomer van 2012 kwam ds. Breen nog een keer preken in onze gemeente. Hij moest het podium worden opgeholpen, en bracht het evangelie uit Ezechiël 34 vers 31. Daarbij stond hij eerst stil bij het sterven van de dichter Rutger Kopland, want dat stelt ons voor de vraag hoe het zit met de relatie ‘mens – God’. Om vervolgens te benadrukken dat de eredienst beheerst moet worden door het verlangen de stem van de Goede Herder te horen. Die 22e juli was een prachtige zonnige dag en na een kort bezoekje aan zuster den Houdijker kwam hij bij ons eten. Heerlijk in de tuin en zoals altijd ds. Breen belangstellend naar de gezichten die hij had gemist, maar ook naar onze kinderen. Aangezien er in Amsterdam geen middagbijeenkomsten te bezoeken waren ging hij vanaf Duivendrecht met de trein naar Groningen en vanaf daar met de bus naar Drachten. Hij had het allemaal uitgezocht en gewoontegetrouw op een envelop genoteerd. Tegen zevenen ging opeens de telefoon, ‘Jaaaah, ik meld me even thuis, nog een goede avond gewenst!’
Donderdag 28 augustus toen hij ernstig ziek in het ziekenhuis lag, heb ik hem gebeld. Kortademig, maar nog volledig alert. Informerend naar werk en gezondheid, maar uitziend naar het hemels Licht. ‘Waar we nog zo weinig van weten, maar waar het ook goed zal zijn.’ In die vrede en met dat verlangen is hij gestorven. Een markante dominee, die mee het leven in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt heeft vormgegeven. Maar die ook vorig jaar bij zijn 60-jarig jubileum vroeg om giften voor STROOM, de zustergemeente van de OPK, voortgekomen uit het evangelisatiewerk in de jaren tachtig. Toen vond hij al dat gedoe in de Bijlmer maar vreemd, maar nu zag hij in wat het uiteindelijk had opgeleverd. Het was moeilijk te peilen hoe hij terugkeek op alle vrijgemaakte gedrevenheid en ijver van weleer. Hij was duidelijk; al zijn werk in Gods Koninkrijk was zeker niet zijn eigen verdienste en hij wees daarbij altijd op de Christus der Kerk!
Terugkijkend kun je zeggen dat uit een soort haat-liefde verhouding toch ook erkenning en herkenning kan groeien. Zo ging het meerderen die ds. Breen meemaakten spraken na zijn Amsterdamse periode. Wat ik boven beschreven heb, laat dat duidelijk zijn, zijn enkel mijn ervaringen en belevenissen met ds. Christiaan Jakobus Breen. Er vallen ongetwijfeld nog vele verhalen aan toe te voegen.
Na de begrafenis op de Nieuwe-Ooster reed ik naar de Keizersgrachtkerk. Een kerk waarbij ds. Breen onmiddellijk hele verhalen had kunnen opdissen over de Doleantie en Abraham Kuyper. In een zaal van deze kerk werd de bundel VRIJGEMAAKT gepresenteerd. Dertigers beschrijven daarin hun verhouding tot de GKv. Sommigen van hen noemen zich kerkverlaters en anderen staan pal voor een kerk waar het evangelie van Christus geleefd wordt! Tussen alle herinneringen doemde steeds weer het beeld van ds. Breen op. Voor hem was er niets nieuws onder de zon waarschijnlijk. Deze verhalen had hij al zo dikwijls moeten aanhoren. Misschien had hij opgeroepen tot een: onderzoek de Schriften en spaar daarbij je eigen ziel niet!
Op de laatste woensdag van januari werd in het Amsterdamse Felix Meritus een zogenaamd Nationaal Religiedebat gehouden. Vooraf was het in de pers flink opgeklopt en de ‘hoofdebaters’ zaten al eerder bij Knevel en van de Brink aan tafel. De nogal koude fietstocht was heerlijk, misschien dat daarom het debat toch tegenviel. Het werd toch een beetje vliegen afvangen. Stefan en Rik Peels die met hun boek ‘God bewijzen’ her en der de seculiere pers haalden ging in debat met gediplomeerd atheïst professor Herman Philipse en een Belgische professor Maarten Boudrie. De laatste was er alleen maar op uit om gelovigen, belachelijk te verklaren. Philipse ging nog een stapje verder; gelovigen zijn psychisch gestoord. Je hoopt op een begripvol debat, maar helaas, dat werd het niet. Tekenend was dat de debatleidster probeerde Professor Philipse tot de orde te roepen: “U negeert me!”
Ook Paas en Peels opereerden nogal onduidelijk. Het leek wel of bewoners van twee totaal verschillende planeten met elkaar in debat gingen. Atheïsten kunnen er echter niet om heen dat veel wetenschappers en heel veel andere weldenkende mensen geloven in een levende God, een schepper van hemel en aarde en echt niet aan het twijfelen worden bij de bewering dat de bekering van Saulus in werkelijkheid een epileptische aanval was. Daarbij is het zinvol om het boek van Paas en Peels goed te bestuderen. Al was het maar voor het “spreken met de vijanden in de poort’.
Bij mij staat het boek in een onlangs op de kop getikte boekenmolen. Bij veilinghuis ‘de Eland’ was de januariveiling weer een waar lustoord voor koopjesjagers en andere sjacheraars. Op zo’n prachtige ouderwetse boekenmolen kun je wel tachtig boeken kwijt. Kan ik weer even vooruit, want aan het verzamelen van mooie boeken komt nooit een eind.