Categorie: Harm 2016

Het Hof | In memoriam Harm 1982 – 2016 (74)

In de grote hal van het Paleis van Justitie keek de koning ons vertrouwenwekkend aan.

Vandaag was het zo ver. Vanmiddag gingen we naar het Gerechtshof, omdat eindelijk de artikel 12 procedure werd behandeld. Nadat we vorig jaar op 2 mei, dus meer dan een jaar geleden, het onfortuinlijke ‘slachtoffergesprek’ met de Officier van Justitie hebben gehad, was het nu eindelijk tijd voor een vervolg. De officier had besloten tot seponering van het hele gebeuren. Jazeker, de agent had te hard gereden, maar de overtreding was naar zijn idee te gering om de kwestie aan te brengen bij een rechtbank. Wij stonden toen voor de keus. Of ons neerleggen bij het sepot, of een artikel 12 procedure starten. Dat laatste houdt dan in dat een hogere rechtbank, het Gerechtshof, de hele kwestie bekijkt en vervolgens beoordeelt of de agent die Harm heeft aangereden, toch voor de rechter moet komen. In dat geval moet het Openbaar Ministerie dus de zaak aanbrengen, zoals dat heet.
Veel gesprekken hebben we er over gevoerd, hier thuis, met onze dochters met kennissen en vrienden. Voor en tegen afgewogen. Uiteindelijk hebben we een advocaat ingeschakeld en ook om raad gevraagd. Al met al werd de beslissing om door te gaan steeds duidelijker. De advocaat is toen dat proces in gegaan en heeft de artikel 12 procedure gestart. Daar gingen natuurlijk weer maanden over heen en uiteindelijk kon er een zittingsdatum worden geprikt. De advocaat had zich met zijn compaan terdege voorbereid, een ‘visiestuk’ was ter tafel gebracht. Ook wij hadden ons voorbereid en op een rij gezet waarom wij wilden dat de agent toch vervolgd zou moeten worden. Het was toch het gevoel van onrecht wat overheerste, naar ons idee was er door de OvJ geen recht gedaan. Het Proces Verbaal gaf genoeg aanknopingspunten om tot een veroordeling te komen. Dat vonden trouwens niet alleen wijzelf maar ook kennissen die bij het OM werken.
De advocaat had ook nog eens zitten rekenen, een flauwe bocht en dan nog 60 meter tot de oversteek bij de Potgieterstraat en dat alles met een snelheid van 85 kilometer per uur. Daar heeft het betreffende voertuig maar 2,5 seconden voor nodig…. En als de kruising nu niet goed aangegeven was, maar ook dat was niet het geval. Er stonden zelfs op twee plekken ‘kanaliseringsstrepen’ op de straat, ook al voor de herprofilering op dat punt van de Nassaukade.

Natuurlijk zagen we er tegen op en op sommige momenten was het ook best emotioneel. Maar gelukkig verlieten we vanmiddag met een heel ander gevoel het Paleis van Justitie dan in mei vorig jaar. Deze keer werden we gezien en gehoord, ook al was het een officiële zitting. We mochten vertellen wie Harm was, wat voor werk hij had gedaan en wat het verlies met ons doet. Vervolgens mochten we ons verhaal voorlezen, het waarom van onze artikel 12 procedure. Ook de advocaat mocht ook nog eens zijn visie toelichten; artikel 5 en 6 van de WVW (wegenverkeerswet) komen wel degelijk allebei in beeld. We hadden een luisterend oor en nu moeten we afwachten wat het Hof gaat beslissen. Ondertussen zit je je zo maar af te vragen wat zoonlief er nu zelf van gevonden zou hebben. Toch hebben we maar hardop uitgesproken tegenover de drie rechters tegenover ons, dat we het voor Harm doen.

Harm was een ‘pettenman’, rechtsonder heeft Coos gemaakt en die groen-blauwe erboven is van de hand van tante Femmie. Ze knipten de klep uit een “Jodenkoeken-bus”.

Vorige week haalde Coos een witte verhuisdoos van zolder. Vol met spullen van Harm, ooit meegenomen naar zijn eigen huis, maar toch weer terug gekomen. Foto’s van zeilkampen in Gaastmeer, al zijn boekjes die hij meekreeg naar de kerk om te tekenen en te schrijven, zijn petten en ook één van de eerste paar schoenen. Schoenen kochten we vaak in Hoogeveen aan de Hoofdstraat, maar helaas waren deze prachtige schoenen totaal vergaan en konden ze zo de prullenbak in. Ook zat er nog een schaatsdiploma tussen allerlei foto’s en een stempelkaart van een schaatstocht in Friesland. Herinneringen borrelden op, namen van vrienden en vriendinnen moesten we opeens weer over brainstormen. Klassenfoto’s van de Guido, wie waren dat ook al weer? Een broekie was het toen, met veel kwajongensstreken en ondertussen liet hij zich ook nog wel gebruiken. Veel Fido Dido en een zich almaar verder ontwikkelend creatief talent. Maar uiteindelijk ging hij zijn eigen weg, de spullen kwamen in een doos en waren daar gebleven als hij niet een onfortuinlijke oversteek had gemaakt. Onttrokken aan de vergetelheid maken ze veel emoties los. En wat moeten we ermee?  Uiteindelijk is de doos toch maar weer naar boven gegaan, het is nog veel te vroeg om het weg te gooien. Wat zou hij er zelf mee gedaan hebben trouwens?

Kyrie eleison!

Plop……. | In memoriam Harm 1982 – 2016 (73)

Rare titel deze keer, maar het gebeurt wel regelmatig. Dan plopt het opeens op en schiet er ergens door mijn hoofd een plop… Het gemis en het zeker weten dat we Harm niet meer hebben. In ieder geval niet meer hier op aarde. Afgelopen weekend gebeurde dat door de column van Femke van der Laan, de weduwe van Eberhard van der Laan. Ze schrijft de laatste maanden  treffende columns in de zaterdagse Parool bijlage PS. “het nooit is er pas weer in rust en in stilte”. Regelmatig herken ik en ook Coos trouwens, veel in haar verhaaltjes en observaties. Dat het in de kleine dingen zit, die een ander waarschijnlijk helemaal niet opvallen, een zinswending, een blik, een niet gemaakte opmerking, een verhaal… een maaltijd.
Boven hebben we schoolfoto’s hangen van onze kinderen en elke dag loop je er langs en op onverwachte momenten schiet er opeens dan die plop door mijn hoofd. Maar ook toen Coos met haar fiets onderuit was gegaan en ik de Eerste Hulp binnenstapte van het AMC. En het gebeurde pas toen de eerstehulpverpleegkundige aangaf, dat mijn vrouw verteld had over onze zoon. Tot dan had ik er verder nog niet bij stil gestaan, de ambulancebroeder had nadrukkelijk gezegd aan de telefoon dat ‘het niet levensbedreigend was en ik rustig aan kon doen’. Toen ze afgelopen vrijdag in het Flevoziekenhuis geopereerd moest worden aan haar gebroken duim, om de ‘banden’ te repareren, kwamen allerlei beelden van 2011 naar boven. Coos werd toen in Almere geopereerd aan haar darmkanker, een heftig gebeuren. Gelukkig kon Coos vrijdag weer snel appen en dan opeens… plop, dan mis je de reactie van Harm.
Plop was er opeens wel, toen we twee weken geleden bericht kregen dat goede vriend Wout met zijn fiets over de kop was gevlogen en in coma lag, na een drie uur durende operatie. Toen we vorige week in het UMC aan zijn bed stonden was er wel heel veel plop in mijn hoofd, maar tegelijk het besef hoe klein de scheidslijn is tussen leven en niet meer leven. We hopen en bidden maar dat hij weer gaat praten, lopen, fietsen, rennen en oreren over van alles en nog wat…
Plop was er vanmorgen ook bij het openen van de ND-site waar een mooie blog  ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ staat (zie hieronder). Na het verongelukken van Harm hebben we trouwens helemaal niet nagedacht over rouwdienst of dankdienst. We wilden het gewoon met zoveel mogelijk vrienden, broeders en zusters en familie delen en op een mooie manier afscheid nemen en samen rouwen. En daarbij Gods naam laten laten klinken! Ik weet nog dat de begrafenisonderneemster vroeg naar het aantal verwachte aanwezigen. Wij dachten aan vier, vijfhonderd mensen; hoe moet je dat inschatten? Tja, dat kan niet in de aula van Zorgvlied en ook niet in onze kerk, waar dan wel? Van alles is bedacht, van Paradiso tot Muziekgebouw aan ’t IJ. Gelukkig werd met hulp van Harms vrienden de Wersterkerk geregeld, misschien wel de mooiste protestantse kerk in Amsterdam. Genoeg zitplaatsen en dicht bij water, zodat we na afloop met een boot naar Zorgvlied konden varen. In het licht van het verhaal van de theoloog in het ND, werd het niet alleen maar een rouwdienst en ook niet een soort dankdienst. Het verdriet, het rouwen om het gemis overheerste, maar er was ook de lach om wie Harm was geweest. Het werd een echte ‘begrafenisdienst’, al mochten we het van de toenmalige Westerkerk-pastor geen ‘dienst’ noemen. Volgens deze pastor mochten er alleen door de kerkelijke gemeente van Westerkerk diensten worden belegd in dat prachtige gebouw. We zijn de onverkwikkelijke discussie toen maar uit de weg gegaan en hebben met gitaar en zang onze Psalmen begeleid. En gelukkig hadden we in onze eigen OPK al een soort rouw-dankdienst gehouden, de zondag na het verongelukken van Harm. Het verhaal van Eric Peels gaf dus ook een plop, een plop van goede herinneringen, maar ook weer het besef van heel veel tranen en veel liefde van familie, vrienden en collega’s. Mooi dat een theoloog zo oog heeft voor wat de betekenis van een ‘dienst’ bij een begrafenis is. Nog te vaak hoor je dat de familie achteraf spijt heeft van hoe een en ander ging bij de begrafenis van hun geliefde. Voor de levenden onder ons des te meer een reden om daar bijtijds over na te denken, zet het desnoods samen met je familie op papier. En let wel als nabestaanden kun je veel uit handen geven bij de dood van een geliefde, een familielid, maar hoe meer je uit handen geeft, hoe meer er langs je heen gaat. Een dienst, hoe je het ook verder noemt kan van blijvende waarde zijn, ook al plopt het later zomaar weer op.

– 22 september 2016, Westerkerk –

(ND 22 mei 2018 Theologenblog)
Hoe noem je de samenkomst voorafgaand aan een begrafenis? ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ hebben allebei hun nadelen, overpeinst Eric Peels.
De nationale ‘week van de begraafplaats’ staat voor de deur, met aandacht voor sterven en begraven. Op het grensvlak van leven en dood telt elk woord. Hoe vaak klinkt na een overlijden niet het obligate ‘woorden schieten tekort’, als men niets weet te zeggen. Een goed en hartelijk woord op het juiste moment kan dan als balsem zijn.
De terminologie die rondom het sterven gehanteerd wordt, zegt veel over cultuur en beleving. Dat geldt niet het minst ook voor de benaming van de kerkelijke samenkomst waarin afscheid wordt genomen van de overledene. Een keur van termen is voorhanden: uitvaartdienst, eucharistieviering, rouwdienst, herdenkingsdienst, afscheidsdienst, dankdienst, of eenvoudig ‘samenkomst’ waar men de schijn van een  ‘lijkpredicatie’ (oude Dordtse kerkorde) wil vermijden.
In protestantse kring zijn de twee meest gebruikte benamingen ‘rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’. De eerste term was lange tijd gebruikelijk, maar wordt  langzaamaan steeds meer vervangen door de laatste. ‘Rouwdienst’ klinkt immers verdrietig en zwaar: de dienst van het gebogen hoofd. ‘Dankdienst’ klinkt veel positiever en blijer, de dienst van het opgeheven hoofd.
In meer behoudende gemeenten houdt men uitsluitend rouwdiensten, met een accent op de dood als ‘de bezoldiging der zonde’ (Romeinen 6:23) en het appel op de nabestaanden. In meer vooruitstrevende gemeenten houdt men liever dankdiensten, met een accent op het goede dat God in het leven van de overledene heeft geschonken aan hen die achterblijven. Het lijkt erop dat de term ‘dankdienst voor het leven’ steeds meer veld wint. In veel gemeenten wordt nooit meer een rouwdienst gehouden.
Critici zouden erop kunnen wijzen dat deze ontwikkeling typisch modern-westers is. In oosterse of Afrikaanse culturen is het fenomeen ‘dankdienst voor het leven’ onbekend. Daar houdt men begrafenisdiensten met soms massaal vertoon van verdriet en rouw. Onze westerse cultuur is echter sterk gericht op het genieten van het goede leven en op het uitsluiten van storende factoren als gevoelens van pijn, schaamte en verlies. Wij worden niet graag geconfronteerd met de eindigheid van het leven en de afbraak van het lichaam. Rondom een sterven voelen wij ons erg ongemakkelijk; wij keren graag zo snel mogelijk weer terug naar het ‘normale leven’. Een dankdienst voor het leven past daarin beter dan een rouwdienst in het zwart.
Maar is de term ‘dankdienst voor het leven’ bij het sterven van een christen inderdaad niet geschikter is dan de term ‘rouwdienst’? Je zou kunnen zeggen dat het eerste meer ‘nieuwtestamentisch’, en het laatste meer ‘oudtestamentisch’ is.
In oud-Israël waren veel traditionele rouwgebruiken: luidruchtig uiten van verdriet, klaagvrouwen, onthouding van wassen en zalving, as en stof op het hoofd, scheuren van kleding, hoofd/baardhaar afscheren, onthouding van seks, blootvoets gaan, speciaal voedsel, vasten, rouwklacht en treurlied. Men hield geen dankdienst voor het leven, maar gaf publiek uiting aan rouw, zelfs voor een periode van zeven dagen. Zicht op een opstandingsleven na de dood was er niet of nauwelijks.
Dat is anders in het Nieuwe Testament. Christus is opgestaan; het nieuwe leven vangt aan. ‘Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer’ (Romeinen 14:8). Voor wie in Hem gelooft, is de schuld gedragen, is de dood doorgang naar het eeuwige leven (Heidelbergse Catechismus, antwoord 42). In dit perspectief mag dan ook dankbaar worden opgemerkt wat God in het leven hier gaf, aan deze overledene, en in hem of haar aan allen rondom. Tegelijk blijft er dan ruimte voor rouw en verdriet.
Toch blijft het lastig. Kan ‘dankdienst voor het leven’ ook niet te hoog gegrepen zijn, als je hart gebroken is en je vooral met gevoelens van verdriet en gemis achterblijft? Wanneer in de gemeente waartoe je behoort al lange tijd alleen nog maar ‘dankdiensten voor het leven’ worden gehouden, durf je bij een begrafenis van jouw geliefde haast niet meer van ‘rouwdienst’ te spreken. Alsof je tekortschiet in dankbaarheid en in het negatieve blijft steken – hoewel ieder weet dat er  in een dankdienst voor het leven terdege ook plaats is voor rouwen.
Misschien is ‘rouwdienst’ te somber en ‘dankdienst’ te licht, en is het beter te kiezen voor de meer neutrale term ‘begrafenisdienst’. In een begrafenisdienst is alle gelegenheid om uiting te geven aan verdriet en rouw, in lied, gebed en prediking. In een begrafenisdienst is ook alle gelegenheid om God te danken voor de zegen van al zijn gaven tijdens het leven van de overledene, en boven alles voor de hoop die niet sterft. ‘Jezus leeft en wij met Hem, dood waar is uw schrik gebleven?’
Eric Peels is hoogleraar Oude Testament. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.

Besef | In memoriam Harm 1982 – 2016 (72)

M’n schuurtje is nu op een sluiting na, helemaal af. Ook de deur zit er in en is zowaar een kunststukje geworden. Hij is bijna niet te tillen, bijna 30 kilo denk ik, inclusief al het ijzerbeslag. Al een paar dagen last van mijn heup en volgens de huisarts komt dat vanuit mijn rug, te veel getild… Toch ben ik trots op mijn werk, zeker nu ook de tuindeur klaar is! De weerhaan, op de hoek van het schuurtje, kijkt eigenwijs in de richting van de wind en houdt gelijk het prachtig gelegde zinken dak in de gaten. Dit was nu zo’n projectje waarbij ik vaak dacht: “Hoe leuk zou Harm dit vinden? Had hij niet even mee willen helpen?” Vaak hebben dat soort gedachten mijn hoofd gevuld en huilde ik van binnen. Maar ja, als Harm nog leefde, had hij het dan niet veel te druk om zich met mijn simpele schuurtje van twee vierkante meter bezig te houden? Altijd druk met werk, vriendin en weer een festival? En toch heb ik die gedachten, ik kan het niet laten. Wanneer ik een klaar-foto in de familie-app zet, vraag ik mij af hoe hij gereageerd zou hebben.

Vandaag is de 17e april, ‘geboortedag Harm’ staat er in mijn agenda. Afgelopen zondag  hebben we ’s middags heerlijk spinazietaart gegeten en daarna  zijn we met z’n allen naar Zorgvlied geweest. Opnieuw hebben we 34 rode rozen op het graf gezet, nu met 2 witte erbij. De kleinkinderen zochten kleine schelpjes en maakten zo een versiering als cadeautje. De zondag was nog bewolkt, maar vandaag lijkt het weer wel een beetje op dat van 36 jaar geleden, ook toen veel zon, maar misschien nog net iets frisser. Het roept zoveel herinneringen op, de vroedvrouw, de sympathieke kraamverzorgster, de huisarts waar Coos toen werkte, de eerste bezoekjes van de opa’s en oma’s en elke keer weer die trappen omhoog in de Hofmeyerstraat, met Harm in de draagzak. Ik kan me nog herinneren dat ik beschuit met muisjes trakteerde op school, maar nauwelijks vrij kreeg om Harm aan te geven bij de burgerlijke stand… Maar geen verjaardag meer, stilstaan bij zijn geboortedag, het blijft zo onwerkelijk.

“Heb je God de afgelopen periode ervaren?” De pastor kwam lunchen en bemoedigen en opeens lag daar die vraag op tafel. Het werd stil en al stuntelend gaven we onze gedachten over die vraag. Al pratend kwamen we er achter dat het als het ware als een laag onder ons leven zit, “het besef dat Hij er is…”. Zonder dat hadden we het niet volgehouden, waren we wanhopig geweest. En het besef dat het leven hier niet op houdt, geeft ook kracht en troost om door te gaan. De dingen die we doen helpen daarbij, soms een kaarsje aansteken, een gesprek met vrienden of familie over het gemis van Harm, een bos bloemen op de grafsteen, en ook allerlei gedachtes bij het bouwen van een schuurtje in de tuin.
Een paar weken terug waren we even op vakantie op een zonnig eiland. Lekker even helemaal niets, behalve dan veel lezen. In de schaduw op het dakterras las ik Tim Keller: ‘Bij je volle verstand’. Het deed me nog eens beseffen dat ik niet de enige ben die ook soms gebukt gaat onder twijfel en zoveel  waarom-vragen. En, dat er zoveel mensen zijn die beseffen dat er meer is dan dit aardse bestaan. Het deed me opeens weer verlangen naar een dag van opstanding. Besef, is dat hetzelfde als geloof? Ik denk het wel, en het geeft gelukkig ook zoveel perspectief, ondanks alle verdriet dat we Harms verjaardag niet meer kunnen vieren. Er is zoveel meer!
Op het zonnige eiland heb ik ook het boek van Marieke Lukas Rijneveld gelezen: “De avond is ongemak”. Een jonge schrijfster, opgegroeid in een reformatorisch gezin vertelt wat er gebeurt als haar broertje verdrinkt op een schaatstocht. Ik las in een interview dat ze het onder de dekens in bed heeft geschreven. Vandaar dat het zulke bloemrijke taal opleverde, dat het je soms de adem beneemt, zo beeldend en raak. Rauw, maar ook troostend met alle verdriet en gekte in een periode van rouw. Het besef dat God er is, we kunnen niet zonder, ook al voelen we dat misschien niet op een speciale manier, komen er geen stemmetjes zomaar in ons hoofd of valt de Bijbel niet elke keer open bij een mooie tekst, Hij is er, gewoon.

‘Genadeklap’, een nieuwe Willem Jan Otten | In memoriam Harm 1982 – 2016 (71)

Overbuurman Piet kwam aan de deur. Hij lijdt aan beginnende Alzheimer en weet dat zelf nog redelijk onder woorden te brengen. Een week geleden zag ik  hem ’s middags voor mij uit fietsen, terwijl ik van de kapper kwam. ’s Morgens, een paar uur daarvoor, ik kwam terug van de sportschool, fietste hij mij voorbij, terwijl ik aan de kant stond en de telefoon op nam. Hij wilde afstappen maar zag opeens dat ik stond te bellen. Die middag stapte hij bij zijn huis af en ik stopte even naast hem. “Zo Piet, boodschappen gedaan?” Hij keek me aan en zei: “Hé, ben jij er nu pas?” Dat soort zinnetjes, poëzie is het, met humor, zonder dat Piet het zelf weet. Ik antwoordde bevestigend en vroeg hoe het ging, maar hij ging er niet op in. We kwamen over het autorijden te praten. Piet zag nog geen enkel probleem. Ik vroeg hem of de dokter of zijn dochters het niet verboden hadden? “Mij verbieden ze niets”, was zijn antwoord.  “Het gaat nog uitstekend en ik rijd zelfs naar de Middenweg.”
Maar nu stond hij zaterdag opeens aan de deur, melden dat hij niet meer ging autorijden en of ik een hoes had voor zijn auto. Rustig legde hij uit dat op een morgen de laagstaande zon de boosdoener was geweest. Opeens kon hij niets meer zien en wist waarschijnlijk niet meer wat het doel van zijn ritje was. Hij was gestopt, vertelde hij en maar teruggegaan naar huis. Het hele gebeuren had hem doen besluiten om definitief de auto te laten staan. En… daarom had hij dus een hoes nodig. “Stel je voor dat het fout zou gaan,  de auto is voor de jongen (zijn kleinzoon), maar die mag nu nog niet rijden.”  Langzaam begon ik het verband te zien, we hadden het immers uitgebreid over zijn autorijden gehad. Voor de zekerheid kwam hij het me maar vertellen, dat het nu definitief voorbij was. Zo bijdehand is buurman Piet dus nog wel.
Terug van de voordeur valt mijn oog op de laatste gedichtenbundel van Willem Jan Otten; ‘Genadeklap’. Die laagstaande zon was voor buurman Piet de genadeklap, bedenk ik. Een paar weken geleden zag ik hem staan bij mijn favoriete boekhandel, de nieuwe bundel van Otten. Verhalende poëzie, schreef iemand erover. En ja, dat vind ik dus ook poëzie, zo’n gesprekje aan de deur en dan later opeens beseffen, dat de titel misschien wel op buurman Piet slaat. Prachtige gedichten staan er in, met prachtige zinnen. Iemand stuurt een app dat zijn huwelijk is stukgelopen en opeens moet ik denken aan het begin van een gedicht uit deze bundel: ‘Ik schep u man en vrouw, / in de echt hebt u elkaars genadeklap te zijn.’ (25) Maar het gedicht slaat helemaal niet op deze situatie en toch zet het mij aan het denken. Dat is dus poëzie. En daarom ook wil ik u het gedicht op pagina 68 en 69 niet onthouden. Otten zal het mij niet euvel duiden dat ik het overtik, omdat het over Zorgvlied gaat, omdat zijn vader daar begraven ligt, maar ook omdat Harm er is begraven. Omdat veel gedachten in het gedicht op een of andere manier ook door ons hoofd zwerven als we ronddolen in ons herinneren.

ZORGVLIED

Een ochtendlijke roeier slaat zijn vleugels uit
en slaat zich achterwaarts de Amstel op.

Als ik het hek door ga
hoor ik gekwetter,
maar ik verneem het niet.

Weer weet ik niet de weg,
het is alsof hij telkens ergens anders rust.
Er komt aan hem geen eind.

Windstil, een laatste dag van hoge druk.

Als jij het soms wil weten, pa,
ik geloof niet in voorbij de tijd.

Nooit ben ik voorbereid
op de gebeitelde paniek
als ik je vind.

De jaartallen, opa, oma,
broer Willie van drie,
de eerste die hier is gebracht,
een eeuw geleden zowat. En jij.

Waarin dan wel? Ik wist
dat jij het vragen zou,
als niet in mij bewaard in het vinyl
van eeuwigheid,
waar geloof jij mij dan heen?

Aan de overzijde van de sloot
wordt met een kettingzaag een boom geveld.

Je grafsteen ligt er picobello bij,
zij het wat verzakt, naar links,
er ligt een nieuweling langszij.

Pas als ik buiten aan het hek
mijn fiets ontsluit
daagt het mij dat wat ik hoor, heel hoog,
het onbesefte kwetteren moet zijn –

de zwaluwen vertrokken toen ik bij je was.

Geen eind kwam er aan jou,
precies in deze wenk.

Over de Amstel scheert de roeier naar het botenhuis.

 

Willem Jan Otten, met een fragment uit: ‘De veerman luidt de bel’

Een verhaal, in poëzie, om te lezen te herlezen en ook hardop te zeggen. Je ziet het voor je, de dichter die langs de Amstel fietst en door het hek de begraafplaats opgaat. Nog even kijkt hij om en staart naar de roeier en hoort al wandelend zwaluwen in de lucht. Het zijn zoveel gedachten die je bespringen als je het graf van een geliefde, een vader, een zoon bezoekt. Zeker als je alleen bent. Zo herkenbaar voor een mede-Zorgvlied bezoeker.
Genadeklap, ik kan er niet genoeg van krijgen, telkens weer. Het gedicht over de veerman en het schilderij van Holbein, waarop Jezus in het graf ligt. De gelovig zoekende Otten weet het onder spanning te zetten. Zoals eerder in het lange novelle-achtige gedicht De Vlek. Waar De Vlek echter een compleet verhaal is, waarin je trouwens zelf heel veel kunt invullen, is ‘Genadeklap’ een verzameling verhalen, gedichten. Soms op het eerste gezicht ondoordringbaar, maar herlezend laat het steeds meer en meer los. Genadeklap; in de Dikke van Dale wordt doorverwezen naar ‘genadeslag’ en volgen er twee verklaringen. De eerste is een slag waarmee de beul een eind aan iemands leven maakt en de tweede betekenis is meer figuurlijk; de klap of slag waarbij iemand of een bedrijf ten gronde gericht wordt.
De bundel van Willem Jan Otten laat zien dat er na de genadeklap toch hoop en toekomst is!

Goede voornemens… | In memoriam Harm 1982 – 2016 (70)

Heel veel mensen hebben er last van. Bij het begin van het nieuwe jaar wil je op een of andere manier een goed voornemen formuleren. Ik heb het idee dat veel voornemens trouwens nooit worden uitgesproken. Dan weten anderen het niet, en kun je er ook niet aan gehouden worden. Ik heb het ook niet gehad over mijn goede voornemen, maar inmiddels wel uitgevoerd. Onze boekenkast in de woonkamer werd veel te vol en uitbreiding was helaas niet mogelijk. Gelukkig hebben we boven ook nog een flinke kast, maar tja, die zat inmiddels ook overvol. Er zat dus niets anders op om gewoon te gaan ruimen. Ik hou er helemaal niet van om boeken weg te doen, het doet pijn. Het was dus een heftige klus, maar het moest wel, ook ook al zag ik er als een berg tegenop. Zoals met veel goede voornemens, vragen ze dus een soort discipline van je.

De wijk Jeruzalem in Watergraafsmeer

Altijd heb ik bedacht dat je boeken niet weg doet. Maar nu moest ik het bijstellen, helaas. En wanneer je een plank gaat sorteren, kom je tot ontdekking dat er ook boeken zijn waarvan je zeker weet dat je ze nooit meer zult openslaan. Dan nog wil je ze nog steeds niet kwijt trouwens. Terwijl ik boven bezig was, kwam regelmatig wijlen broeder Kuperus in mijn gedachten. Hij woonde in de wijk Jeruzalem van Watergraafsmeer samen met zijn vrouw, op een bovenwoning. Broeder Kuperus was een echte lezer en daardoor ook liefhebber van boeken, een zijkamer vol! Het echtpaar Kuperus had geen kinderen en daarom gebeurde het regelmatig dat ik na een bezoek met een plastic zak met boeken naar huis ging. Soms waren het geschiedenisboeken, maar vaak ook allerlei werken op theologisch gebied. Onze broeder had de gewoonte om tijdens het lezen regelmatig zijn pen te gebruiken, hele bladzijden waren onderstreept. Nu bij het opruimen kwam ik er weer verschillende tegen. Boeken die je tegenwoordig aan de straatstenen niet meer kwijtraakt. Toen broeder Kuperus was overleden, zijn vrouw leefde toen al niet meer, moesten we alles opruimen. Dozen vol, honderden boeken, we kregen er bij een tweedehands boekenwinkel een habbekrats voor.
Die habbekrats heb ik maar laten zitten, de kringloop was er blij mee. Uiteindelijk had ik zoveel planken leeg dat ik, wat beneden te veel was, boven netjes kon inruimen. Overzichtelijk en keurig op onderwerp gesorteerd en… genoeg ruimte over om de stapels boeken die uit Harm zijn boekenkast zijn gekomen ook een plek te geven. Ook Harm mocht graag boeken verzamelen. Vooral architectuur, ontwerpen literatuur en koken hadden zijn aandacht. Sinds het opruimen van zijn etage stonden de stapels boeken bij ons boven, gewoon om es een keer op te ruimen. Vaak hadden we het er over gehad, maar zoals met zoveel, het heeft tijd nodig. Het ‘goede voornemen’ was er, maar ook deze had meer tijd en ruimte nodig. Harm zijn stapels heb ik geselecteerd en een gedeelte een mooie plek gegeven, een “gedachtenisrij” boeken. Om nog eens door te bladeren; dit vond hij dus mooi, dit interesseerde hem. Ook in 2018 is Harm elke dag in onze gedachten en die speciale rij boeken dragen daar aan bij, zal soms treurig stemmen, maar ook vaak een glimlach te voorschijn toveren.

Eén boek kon ik (nog) niet weg doen. De huisbijbel van mijn ouders, tot op de draad versleten. Voor zover ik me kan herinneren lag hij de laatste jaren in hun keuken op een plank. Wanneer we er als gezin waren mochten Harm en later onze dochters ook, na het eten de Bijbel bij opa brengen. Een fors exemplaar en in het begin kon Harm hem nauwelijks vasthouden. Mijn vader hield met een potloodje bij tot hoever hij had gelezen. Voor het gemak was het potloodje tegelijk bladwijzer. Maar bij een volgende ronde voldeed een streepje niet meer, kruisjes en nog weer later v’tjes volgden. Een Boek met veel herinneringen, ik kan er nog geen afstand van doen. Op zolder hadden we vroeger een oud kastje waar van alles in lag, de cursus Engels die mijn vader een tijdje gevolgd had en ook stapeltje tot op de draad versleten kerkbijbeltjes. Kapotte kaften, veel scheuren in de dundrukblaadjes en hier en daar zelfs bladzijden verdwenen. Weggegooid werden ze niet, dat deed je niet met de Bijbel. Geen idee waar ze gebleven zijn trouwens toen mijn ouders een nieuw huis hadden laten bouwen.