Het Hof | In memoriam Harm 1982 – 2016 (74)

In de grote hal van het Paleis van Justitie keek de koning ons vertrouwenwekkend aan.

Vandaag was het zo ver. Vanmiddag gingen we naar het Gerechtshof, omdat eindelijk de artikel 12 procedure werd behandeld. Nadat we vorig jaar op 2 mei, dus meer dan een jaar geleden, het onfortuinlijke ‘slachtoffergesprek’ met de Officier van Justitie hebben gehad, was het nu eindelijk tijd voor een vervolg. De officier had besloten tot seponering van het hele gebeuren. Jazeker, de agent had te hard gereden, maar de overtreding was naar zijn idee te gering om de kwestie aan te brengen bij een rechtbank. Wij stonden toen voor de keus. Of ons neerleggen bij het sepot, of een artikel 12 procedure starten. Dat laatste houdt dan in dat een hogere rechtbank, het Gerechtshof, de hele kwestie bekijkt en vervolgens beoordeelt of de agent die Harm heeft aangereden, toch voor de rechter moet komen. In dat geval moet het Openbaar Ministerie dus de zaak aanbrengen, zoals dat heet.
Veel gesprekken hebben we er over gevoerd, hier thuis, met onze dochters met kennissen en vrienden. Voor en tegen afgewogen. Uiteindelijk hebben we een advocaat ingeschakeld en ook om raad gevraagd. Al met al werd de beslissing om door te gaan steeds duidelijker. De advocaat is toen dat proces in gegaan en heeft de artikel 12 procedure gestart. Daar gingen natuurlijk weer maanden over heen en uiteindelijk kon er een zittingsdatum worden geprikt. De advocaat had zich met zijn compaan terdege voorbereid, een ‘visiestuk’ was ter tafel gebracht. Ook wij hadden ons voorbereid en op een rij gezet waarom wij wilden dat de agent toch vervolgd zou moeten worden. Het was toch het gevoel van onrecht wat overheerste, naar ons idee was er door de OvJ geen recht gedaan. Het Proces Verbaal gaf genoeg aanknopingspunten om tot een veroordeling te komen. Dat vonden trouwens niet alleen wijzelf maar ook kennissen die bij het OM werken.
De advocaat had ook nog eens zitten rekenen, een flauwe bocht en dan nog 60 meter tot de oversteek bij de Potgieterstraat en dat alles met een snelheid van 85 kilometer per uur. Daar heeft het betreffende voertuig maar 2,5 seconden voor nodig…. En als de kruising nu niet goed aangegeven was, maar ook dat was niet het geval. Er stonden zelfs op twee plekken ‘kanaliseringsstrepen’ op de straat, ook al voor de herprofilering op dat punt van de Nassaukade.

Natuurlijk zagen we er tegen op en op sommige momenten was het ook best emotioneel. Maar gelukkig verlieten we vanmiddag met een heel ander gevoel het Paleis van Justitie dan in mei vorig jaar. Deze keer werden we gezien en gehoord, ook al was het een officiële zitting. We mochten vertellen wie Harm was, wat voor werk hij had gedaan en wat het verlies met ons doet. Vervolgens mochten we ons verhaal voorlezen, het waarom van onze artikel 12 procedure. Ook de advocaat mocht ook nog eens zijn visie toelichten; artikel 5 en 6 van de WVW (wegenverkeerswet) komen wel degelijk allebei in beeld. We hadden een luisterend oor en nu moeten we afwachten wat het Hof gaat beslissen. Ondertussen zit je je zo maar af te vragen wat zoonlief er nu zelf van gevonden zou hebben. Toch hebben we maar hardop uitgesproken tegenover de drie rechters tegenover ons, dat we het voor Harm doen.

Harm was een ‘pettenman’, rechtsonder heeft Coos gemaakt en die groen-blauwe erboven is van de hand van tante Femmie. Ze knipten de klep uit een “Jodenkoeken-bus”.

Vorige week haalde Coos een witte verhuisdoos van zolder. Vol met spullen van Harm, ooit meegenomen naar zijn eigen huis, maar toch weer terug gekomen. Foto’s van zeilkampen in Gaastmeer, al zijn boekjes die hij meekreeg naar de kerk om te tekenen en te schrijven, zijn petten en ook één van de eerste paar schoenen. Schoenen kochten we vaak in Hoogeveen aan de Hoofdstraat, maar helaas waren deze prachtige schoenen totaal vergaan en konden ze zo de prullenbak in. Ook zat er nog een schaatsdiploma tussen allerlei foto’s en een stempelkaart van een schaatstocht in Friesland. Herinneringen borrelden op, namen van vrienden en vriendinnen moesten we opeens weer over brainstormen. Klassenfoto’s van de Guido, wie waren dat ook al weer? Een broekie was het toen, met veel kwajongensstreken en ondertussen liet hij zich ook nog wel gebruiken. Veel Fido Dido en een zich almaar verder ontwikkelend creatief talent. Maar uiteindelijk ging hij zijn eigen weg, de spullen kwamen in een doos en waren daar gebleven als hij niet een onfortuinlijke oversteek had gemaakt. Onttrokken aan de vergetelheid maken ze veel emoties los. En wat moeten we ermee?  Uiteindelijk is de doos toch maar weer naar boven gegaan, het is nog veel te vroeg om het weg te gooien. Wat zou hij er zelf mee gedaan hebben trouwens?

Kyrie eleison!

Hochzeit

We waren natuurlijk niet alleen voor het Carl BenzMuseum, het Schloss Zwetzingen of de langste winkelstraat van Duitsland, ruim een week in het prachtige stadje Ladenburg. Afgelopen zaterdag maakten we een prachtige ‘Hochzeit’ mee. Het is een woord dat me intrigeerde; ‘Hochzeit’ een mooi woord, waar zou dat toch vandaan komen? In het begin zeiden we steeds dat de zoon van vrienden ging ‘heiraten’, maar dan was het al gauw dat het woord Hochzeit weer klonk. Na enig zoeken op het wereldwijde web, kwam ik erachter dat ‘Hochzeit’ vroeger gold voor alle grote kerkelijke feesten en dat het tegenwoordig alleen nog gebruikt wordt voor het huwelijksfeest. Het feest waarop man en vrouw elkaar dus trouw beloven. Van alle hoge feesten werd het uiteindelijk dus eentje het hoogste feest. Een mooi beeld is dat eigenlijk wel, want het huwelijk is een afspiegeling van nog iets veel mooiers en heel groots. Hoogfeest dus, net als Hooglied, het prachtige oudtestamentische Bijbelboek over de liefde tussen man en vrouw. En het ‘heiraten’, ik denk dat dat vaak gebruikt wordt voor het sluiten van het burgerlijk huwelijk. En een ‘Hochzeit’ werd het, startend met een hele mooie dienst, met veel zang en orgelspel en werd het feest vervolgens voortgezet naast de kerk met taart en bubbels.

Het bruidspaar was in de gelukkige omstandigheid dat ze de kerkelijke plechtigheid konden laten plaatsvinden in de prachtige Dreifaltigkeitskirche in Speyer. Speyer, aan de Rijn en ruim een half uurt rijden vanaf Ladenburg, heeft een hele serie mooie kerken, maar de Dreifaltigkeitskirche is wel de mooiste. De Dom van Speyer is overweldigend, de grote Gedächtniskirche  is indrukwekkend, maar Dreifaltigkeitskirche is een prachtig voorbeeld van Romantische Bouwkunst. (Die Kirche gilt als „herausragende Leistung evangelischer Kirchenbaukunst und als Juwel des Barock“. [zegt wikipedia]). Het leukst waren we de banken waar we zaten. Je kon aan beide kanten zitten. Van alles kun je er bij verzinnen waar dat voor is, voor je jas, je kerkboek of je tas? Of is het bedoeld, dat wanneer je het niet eens bent met de preek, je de predikant de rug kunt toekeren? Je gaat er zomaar van alles bij verzinnen.
Gelukkig wist de bruidegom wel hoe het zit. Je kunt met je gezicht richting het podium en het altaar zitten, bijvoorbeeld in verband met het Heilig Avondmaal. Maar wanneer de voorganger gaat preken en de trap (op de foto aan het eind van de dubbele bank) neemt naar de kansel, kun je voor beter zicht even oversteken. In de Lutherse eredienst staat immers net als in de gereformeerde eredienst, het Woord centraal!

Het ene museum is het andere niet

Toen we vertrokken stond deze prachtige oude autobus voor het museum.

Vanuit het warme zuiden kwamen we bijna een week geleden in Duitsland aan. Het plaatsje Ladenburg ligt op zo’n 10 kilometer van Heidelberg aan de Neckar. Ladenburg heeft Romeinse overblijfselen, maar leuker is dat het Carl Benz Museum hier is gevestigd. Maanden geleden had ik al eens gegoogeld wat er allemaal te doen was in Ladenburg en dat van Carl Benz sprong er wel uit. We kwamen zelfs het stamlokaal van Carl Benz tegen in de Hauptstrasse. Helaas is het museum alleen in het weekend (we hebben dan andere bezigheden) open en op woensdag, maar dat laatste was ons ontgaan. Na een rondje Neckar, toch even kijken bij de prachtige oude Benz fabriek. Gelukkig stond de voordeur open en een vriendelijke meneer liet ons binnen, het museum was toch open voor een groep.
We betraden een prachtig oud fabrieksgebouw, met een geweldige verzameling old-timers. Van de eerste Benz tot en met een Formule 1 wagen, met een Mercedes-motor uit de jaren 90 van de vorige eeuw. Daarnaast ook een hele verzameling motoren (motorfietsen) en natuurlijk gewone fietsen. Vanaf de eerste loopfiets en de gemotoriseerde fiets van Daimler, naar statige modellen uit de jaren 20. Bijzonder om te zien was dat er dan qua vormgeving in vergelijking met de hedendaagse fiets nauwelijks iets is veranderd. Bij auto’s zijn de verschillen wat dat betreft toch veel groter.

een prachtige graphic novel over het leven van Carl Benz

Ook ontdekte ik dat er in de jaren 50 al fietsen waren met allerlei soorten ondersteuning, zelfs de middenmoter was al uitgevonden. Moderne e-bikes waren er niet natuurlijk, maar over twintig jaar zullen die er ook wel bij komen. Helaas hebben wij de fietsen niet bij ons, omdat Coos natuurlijk nog niet mag fietsen met haar hand in gips. Gelukkig mag dat volgende week eraf als we weer in Nederland zijn. Of er in het verleden ook veel ongelukken gebeurden met de snellere fietsen, kon ik in het museum niet vinden.
Een paar blogs terug heb ik iets gezegd over onze goede vriend Wout, die ook met de fiets een ongeluk had gehad. Het gaat goed met hem, hij is volop in revalidatie en gaat met sprongen vooruit, Tijs van den Brink schreef voor Radio 1 een mooie column over zijn bezoekje aan Wout. (radio 1).

CBB “het gaat niet meer lukken”

Het gaat niet meer lukken, helaas. Wat graag had ik ‘Menselijke voorwaarden’ van Junpei Gomikawa ingelezen bij de CBB. Nu was er inmiddels al niet veel keuzevrijheid meer geloof ik, maar het gaat dus niet lukken. CBB Zeist gaat sluiten, dat tot groot verdriet van alle inlezers. Het inlezen wordt door de CBB vrijwel geheel geconcentreerd in Ermelo (op een Friese enclave na) en daar hebben de Zeister inlezers geen trek in. Het trieste van het hele verhaal is dat het CBB het op zo’n klunzige manier heeft gecommuniceerd. Op een keer lag er een mededelingenblad op de koffietafel waarin een paar zinnen stonden over de aangekondigde sluiting van de vestiging in Zeist. Het was, dat het was onderstreept en het personeel een hint gaf, anders waren we er maanden later pas achter gekomen.
De Christelijke Blinden Bibliotheek dateert van begin vorige eeuw. Ooit was er een Amsterdamse dominee, die zich bekommerde om blinde gemeenteleden. Toen hij dat vertelde aan zijn vrouw, had deze binnen de kortste keren een damescomité bij elkaar, zo ging dat in die tijd, die stichtelijke lectuur in braille beschikbaar maakte. Zo werd deze predikantsvrouw min of meer de oprichtster van het CBB. Tegenwoordig wordt van deze instelling landelijk gebruik gemaakt, alles wat ingelezen wordt kan via Passend Lezen worden aangevraagd tegen een kleine vergoeding. Men moet wel een leesbeperking hebben natuurlijk. Zo worden er jaarlijks door het CBB honderden boeken beschikbaar gemaakt in luistervorm, een fantastisch mooi werk. Via een wervingsadvertentie werd ik begin 2017 opmerkzaam gemaakt op vacatures bij de CBB en wat is er nu mooier dan voorlezen. Uiteindelijk bleek het toch wel wat ingewikkelder te liggen. Ik moest een soort toelatingsexamen doen en bij het eerste boek wat ik inlas, stond regelmatig het zweet op mijn rug, stop.. verbeteren.. opnieuw. En dat vele, vele keren.
Na ruim een jaar inlezen en vier boeken verder heb ik de slag wel te pakken. Maar helaas, de tent gaat sluiten in Zeist. Blijkbaar heeft het management een vernieuwingsslag te doen en levert het pand in Zeist op een andere manier meer geld op. Er is flink geprotesteerd door mede-inlezers, maar helaas dit mocht niet meer baten. Eind deze maand sluiten de studio’s en rest er ons nog een afscheid van de beide medewerksters. Een tijdperk is dan ten einde.
Nu we op vakantie zijn en zoals gewoonlijk weer een doos boeken hebben meegenomen, moet ik er regelmatig even aan terugdenken. Haast als vanzelf ga ik sommige mooie zinnen in mijzelf hardop voorlezen; hoe zou ik het vormgeven? Zeker bij ‘Menselijke voorwaarden’, een indringend verhaal over een jonge Japanner die verzeild is geraakt in Mantsjoerije. Dat laatste was in de Tweede Wereldoorlog bezet gebied door Japan. Hij probeert de oorlog te ontlopen en zo medemenselijk mogelijk te handelen, maar het wordt hem bijkans onmogelijk gemaakt. Prachtig verteld door Gomikawa en pas dit jaar vertaald in het Nederlands, maar in Japan verscheen het eerste deel al in 1958. De schrijver laat door hoofdpersoon Kaji op een geweldig manier dilemma’s zien, in de liefde, in het werk en later ook in het leger. Naast prachtige zinnen, zet het de lezer ook aan het denken, terwijl je ondertussen ook wilt weten hoe het verhaal verder gaat.
In de stilte van de Luberon, tussen de bijna paarse lavendelvelden, heerlijk om zo’n meesterwerk te lezen. Al denkend kom ik uit bij de CBB-manager; welke ‘menselijke voorwaarden’ hebben er allemaal door zijn hoofd gespeeld? Van reorganisaties en saneren had hij veel kennis. Maar de CBB heeft hij er door zijn handelen geen grote eer mee bewezen.
Op de koffietafel lag een oude LP, ooit uitgegeven om het werk van ten behoeve van het blindeninstituut te ondersteunen: Feike Asma op het orgel! Nostalgie, bijna niemand van de inlezers heeft nog een pick-up of draaitafel. De titel luidde “Vat Gij mijn hand”, een mooi dubbelzinnige titel in het kader van hulp aan blinden en slechtzienden. Wat de sluiting van Zeist betreft had het bestuur en management de inlezers, wat mij betreft, ook wel wat beter bij de hand kunnen vatten en meenemen in hun besluit.

Plop……. | In memoriam Harm 1982 – 2016 (73)

Rare titel deze keer, maar het gebeurt wel regelmatig. Dan plopt het opeens op en schiet er ergens door mijn hoofd een plop… Het gemis en het zeker weten dat we Harm niet meer hebben. In ieder geval niet meer hier op aarde. Afgelopen weekend gebeurde dat door de column van Femke van der Laan, de weduwe van Eberhard van der Laan. Ze schrijft de laatste maanden  treffende columns in de zaterdagse Parool bijlage PS. “het nooit is er pas weer in rust en in stilte”. Regelmatig herken ik en ook Coos trouwens, veel in haar verhaaltjes en observaties. Dat het in de kleine dingen zit, die een ander waarschijnlijk helemaal niet opvallen, een zinswending, een blik, een niet gemaakte opmerking, een verhaal… een maaltijd.
Boven hebben we schoolfoto’s hangen van onze kinderen en elke dag loop je er langs en op onverwachte momenten schiet er opeens dan die plop door mijn hoofd. Maar ook toen Coos met haar fiets onderuit was gegaan en ik de Eerste Hulp binnenstapte van het AMC. En het gebeurde pas toen de eerstehulpverpleegkundige aangaf, dat mijn vrouw verteld had over onze zoon. Tot dan had ik er verder nog niet bij stil gestaan, de ambulancebroeder had nadrukkelijk gezegd aan de telefoon dat ‘het niet levensbedreigend was en ik rustig aan kon doen’. Toen ze afgelopen vrijdag in het Flevoziekenhuis geopereerd moest worden aan haar gebroken duim, om de ‘banden’ te repareren, kwamen allerlei beelden van 2011 naar boven. Coos werd toen in Almere geopereerd aan haar darmkanker, een heftig gebeuren. Gelukkig kon Coos vrijdag weer snel appen en dan opeens… plop, dan mis je de reactie van Harm.
Plop was er opeens wel, toen we twee weken geleden bericht kregen dat goede vriend Wout met zijn fiets over de kop was gevlogen en in coma lag, na een drie uur durende operatie. Toen we vorige week in het UMC aan zijn bed stonden was er wel heel veel plop in mijn hoofd, maar tegelijk het besef hoe klein de scheidslijn is tussen leven en niet meer leven. We hopen en bidden maar dat hij weer gaat praten, lopen, fietsen, rennen en oreren over van alles en nog wat…
Plop was er vanmorgen ook bij het openen van de ND-site waar een mooie blog  ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ staat (zie hieronder). Na het verongelukken van Harm hebben we trouwens helemaal niet nagedacht over rouwdienst of dankdienst. We wilden het gewoon met zoveel mogelijk vrienden, broeders en zusters en familie delen en op een mooie manier afscheid nemen en samen rouwen. En daarbij Gods naam laten laten klinken! Ik weet nog dat de begrafenisonderneemster vroeg naar het aantal verwachte aanwezigen. Wij dachten aan vier, vijfhonderd mensen; hoe moet je dat inschatten? Tja, dat kan niet in de aula van Zorgvlied en ook niet in onze kerk, waar dan wel? Van alles is bedacht, van Paradiso tot Muziekgebouw aan ’t IJ. Gelukkig werd met hulp van Harms vrienden de Wersterkerk geregeld, misschien wel de mooiste protestantse kerk in Amsterdam. Genoeg zitplaatsen en dicht bij water, zodat we na afloop met een boot naar Zorgvlied konden varen. In het licht van het verhaal van de theoloog in het ND, werd het niet alleen maar een rouwdienst en ook niet een soort dankdienst. Het verdriet, het rouwen om het gemis overheerste, maar er was ook de lach om wie Harm was geweest. Het werd een echte ‘begrafenisdienst’, al mochten we het van de toenmalige Westerkerk-pastor geen ‘dienst’ noemen. Volgens deze pastor mochten er alleen door de kerkelijke gemeente van Westerkerk diensten worden belegd in dat prachtige gebouw. We zijn de onverkwikkelijke discussie toen maar uit de weg gegaan en hebben met gitaar en zang onze Psalmen begeleid. En gelukkig hadden we in onze eigen OPK al een soort rouw-dankdienst gehouden, de zondag na het verongelukken van Harm. Het verhaal van Eric Peels gaf dus ook een plop, een plop van goede herinneringen, maar ook weer het besef van heel veel tranen en veel liefde van familie, vrienden en collega’s. Mooi dat een theoloog zo oog heeft voor wat de betekenis van een ‘dienst’ bij een begrafenis is. Nog te vaak hoor je dat de familie achteraf spijt heeft van hoe een en ander ging bij de begrafenis van hun geliefde. Voor de levenden onder ons des te meer een reden om daar bijtijds over na te denken, zet het desnoods samen met je familie op papier. En let wel als nabestaanden kun je veel uit handen geven bij de dood van een geliefde, een familielid, maar hoe meer je uit handen geeft, hoe meer er langs je heen gaat. Een dienst, hoe je het ook verder noemt kan van blijvende waarde zijn, ook al plopt het later zomaar weer op.

– 22 september 2016, Westerkerk –

(ND 22 mei 2018 Theologenblog)
Hoe noem je de samenkomst voorafgaand aan een begrafenis? ‘Rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’ hebben allebei hun nadelen, overpeinst Eric Peels.
De nationale ‘week van de begraafplaats’ staat voor de deur, met aandacht voor sterven en begraven. Op het grensvlak van leven en dood telt elk woord. Hoe vaak klinkt na een overlijden niet het obligate ‘woorden schieten tekort’, als men niets weet te zeggen. Een goed en hartelijk woord op het juiste moment kan dan als balsem zijn.
De terminologie die rondom het sterven gehanteerd wordt, zegt veel over cultuur en beleving. Dat geldt niet het minst ook voor de benaming van de kerkelijke samenkomst waarin afscheid wordt genomen van de overledene. Een keur van termen is voorhanden: uitvaartdienst, eucharistieviering, rouwdienst, herdenkingsdienst, afscheidsdienst, dankdienst, of eenvoudig ‘samenkomst’ waar men de schijn van een  ‘lijkpredicatie’ (oude Dordtse kerkorde) wil vermijden.
In protestantse kring zijn de twee meest gebruikte benamingen ‘rouwdienst’ en ‘dankdienst voor het leven’. De eerste term was lange tijd gebruikelijk, maar wordt  langzaamaan steeds meer vervangen door de laatste. ‘Rouwdienst’ klinkt immers verdrietig en zwaar: de dienst van het gebogen hoofd. ‘Dankdienst’ klinkt veel positiever en blijer, de dienst van het opgeheven hoofd.
In meer behoudende gemeenten houdt men uitsluitend rouwdiensten, met een accent op de dood als ‘de bezoldiging der zonde’ (Romeinen 6:23) en het appel op de nabestaanden. In meer vooruitstrevende gemeenten houdt men liever dankdiensten, met een accent op het goede dat God in het leven van de overledene heeft geschonken aan hen die achterblijven. Het lijkt erop dat de term ‘dankdienst voor het leven’ steeds meer veld wint. In veel gemeenten wordt nooit meer een rouwdienst gehouden.
Critici zouden erop kunnen wijzen dat deze ontwikkeling typisch modern-westers is. In oosterse of Afrikaanse culturen is het fenomeen ‘dankdienst voor het leven’ onbekend. Daar houdt men begrafenisdiensten met soms massaal vertoon van verdriet en rouw. Onze westerse cultuur is echter sterk gericht op het genieten van het goede leven en op het uitsluiten van storende factoren als gevoelens van pijn, schaamte en verlies. Wij worden niet graag geconfronteerd met de eindigheid van het leven en de afbraak van het lichaam. Rondom een sterven voelen wij ons erg ongemakkelijk; wij keren graag zo snel mogelijk weer terug naar het ‘normale leven’. Een dankdienst voor het leven past daarin beter dan een rouwdienst in het zwart.
Maar is de term ‘dankdienst voor het leven’ bij het sterven van een christen inderdaad niet geschikter is dan de term ‘rouwdienst’? Je zou kunnen zeggen dat het eerste meer ‘nieuwtestamentisch’, en het laatste meer ‘oudtestamentisch’ is.
In oud-Israël waren veel traditionele rouwgebruiken: luidruchtig uiten van verdriet, klaagvrouwen, onthouding van wassen en zalving, as en stof op het hoofd, scheuren van kleding, hoofd/baardhaar afscheren, onthouding van seks, blootvoets gaan, speciaal voedsel, vasten, rouwklacht en treurlied. Men hield geen dankdienst voor het leven, maar gaf publiek uiting aan rouw, zelfs voor een periode van zeven dagen. Zicht op een opstandingsleven na de dood was er niet of nauwelijks.
Dat is anders in het Nieuwe Testament. Christus is opgestaan; het nieuwe leven vangt aan. ‘Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer’ (Romeinen 14:8). Voor wie in Hem gelooft, is de schuld gedragen, is de dood doorgang naar het eeuwige leven (Heidelbergse Catechismus, antwoord 42). In dit perspectief mag dan ook dankbaar worden opgemerkt wat God in het leven hier gaf, aan deze overledene, en in hem of haar aan allen rondom. Tegelijk blijft er dan ruimte voor rouw en verdriet.
Toch blijft het lastig. Kan ‘dankdienst voor het leven’ ook niet te hoog gegrepen zijn, als je hart gebroken is en je vooral met gevoelens van verdriet en gemis achterblijft? Wanneer in de gemeente waartoe je behoort al lange tijd alleen nog maar ‘dankdiensten voor het leven’ worden gehouden, durf je bij een begrafenis van jouw geliefde haast niet meer van ‘rouwdienst’ te spreken. Alsof je tekortschiet in dankbaarheid en in het negatieve blijft steken – hoewel ieder weet dat er  in een dankdienst voor het leven terdege ook plaats is voor rouwen.
Misschien is ‘rouwdienst’ te somber en ‘dankdienst’ te licht, en is het beter te kiezen voor de meer neutrale term ‘begrafenisdienst’. In een begrafenisdienst is alle gelegenheid om uiting te geven aan verdriet en rouw, in lied, gebed en prediking. In een begrafenisdienst is ook alle gelegenheid om God te danken voor de zegen van al zijn gaven tijdens het leven van de overledene, en boven alles voor de hoop die niet sterft. ‘Jezus leeft en wij met Hem, dood waar is uw schrik gebleven?’
Eric Peels is hoogleraar Oude Testament. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.